‘Erken me en ik vorm een overwinningsleger,’ zegt De Gaulle tegen Churchill als hij in juni 1940 naar Londen is gevlucht. De generaal legt zich niet neer bij de Franse nederlaag en wil een bevrijdingsleger formeren. Dat hij nog nauwelijks medestanders heeft, ziet hij niet als een probleem. Hij verwijst naar Clovis, de middeleeuwse koning die Frankische stammen verenigde, en Karel de Grote. Wellicht wordt over 200 jaar herdacht dat de Franse wederopstanding met hem begon, zegt hij zonder spoortje ironie. Nee, aan ego geen gebrek bij de verzetsman, die met zijn lange, houterige postuur een overdreven vorm van onverzettelijkheid uitstraalt. Het maakt hem onbedoeld komisch.
Dat hij met zijn arrogante en eigenzinnige optreden Churchill en Roosevelt tegen zich in het harnas jaagt, is volgens De Gaulle logisch, want grote historische leiders roepen nu eenmaal weerstand op: ‘Vergeet niet dat ze Jeanne d’Arc op de brandstapel verbrandden.’
De Gaulle: Résistance, dat zich afspeelt tussen 1940 en 1942, toont De Gaulle als de mythische oorlogsheld, die een verzetsleger (de Vrije Fransen) opricht, dat met wisselend succes vecht tegen de met Vichy-Frankrijk collaborerende Franse koloniale regimes in Afrika en het Midden-Oosten.
Behalve aan De Gaulles perikelen in Londen en de veldslagen in Afrika besteedt de film aandacht aan het verzet in Frankrijk. Hij eindigt in Algiers met de moord op François Darlan, de Franse bestuurder van Frans Noord- en West-Afrika, door de jonge verzetsstrijder Fernand Bonnier de La Chapelle.
Of en wanneer het tweede deel van het tweeluik in Nederland te zien zal zijn, is nog onbekend. Als ook die film vasthoudt aan de mythe van De Gaulle als geniale redder van het vaderland, zien we hem waarschijnlijk in zijn eentje Parijs bevrijden.

