In het blad Impact Magazine van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum, verscheen afgelopen zomer een indrukwekkend artikel over Willem Wilbrink, waarin hij vertelde over zijn belevenissen als gevangene in het SS-concentratiekamp Dachau. Als iemand die zich al langer interesseert in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en concentratiekampen, was dat aanleiding voor mij om me nader in Wilbrink te verdiepen. De vader van mijn echtgenote zat als gevangen verzetsman in Dachau en dat gaf mijn interesse ook een persoonlijke lading.
Een korte zoektocht op internet leverde genoeg op wat mijn belangstelling verder aanwakkerde. Er valt veel over Wilbrink te lezen. In verschillende media zijn in de loop der jaren artikelen en interviews verschenen, waarin hij wordt geportretteerd als een inspirerende held: verzetsman, gevangene in Dachau (waar hij te maken kreeg met Titus Brandsma en Jacobus Overduin), redder van tientallen levens binnen het kamp en na 1945 oorlogsvrijwilliger in Indonesië.
In 2023 verscheen Wilbrinks biografie Getekend voor het leven in Dachau en Indië, geschreven en uitgegeven door Laurens van Aggelen. De gevangenschap in Dachau vormt een van de dragende elementen van het boek – een ervaring die, zo stelt de biograaf, Wilbrinks leven blijvend heeft getekend.
Dagblad De Gelderlander interviewde Wilbrink uitvoerig over zijn herinneringen en nam het gesprek op in de bundel De oorlog in mijn hoofd – 80 verhalen over wat oorlog met je doet, dat in 2024 werd gepresenteerd in het Nationaal Militair Museum. In het tv-programma Hart van Nederland van 4 april 2025 waren twee scholieren te zien die Willem Wilbrink met een brief bedankten voor de vrijheid waarin zij mochten leven. Toenmalig staatssecretaris Vincent Karremans – onder meer verantwoordelijk voor oorlogsgetroffenen – noemde in het kader van #80jaarvrijheid Wilbrinks naam nadrukkelijk in een post op LinkedIn.

Wilbrink krijgt eveneens regelmatig de ruimte om zijn verhaal te vertellen bij herdenkingsplechtigheden. Op foto’s van die bijeenkomsten draagt hij een indrukwekkend aantal onderscheidingen. Wat mij echter opviel, was het ontbreken van het Verzetsherdenkingskruis. Omdat hij zo uitvoerig vertelt over zijn verzetswerk en zijn gevangenschap als 16-jarige in Dachau, vond ik dat opmerkelijk. Aan iemand die dat alles heeft doorstaan werd het kruis normaliter zonder discussie toegekend. Aangezien Wilbrink wél de verzorgersmedaille van de Nijmeegse Vierdaagse in het openbaar draagt, leek hij me er de persoon niet naar om een veel belangrijkere onderscheiding zoals het Verzetsherdenkingskruis thuis te laten. Dus hoe zat dat?
Geen aanvraag
In zijn biografie las ik Wilbrinks verklaring: zijn aanvraag voor deze onderscheiding was afgewezen omdat hij zich voor zijn verzetswerk had laten betalen. Ik heb deze uitleg proberen te verifiëren in het archief van het Comité Verzetsherdenkingskruis, maar daar trof ik de naam Willem Wilbrink helemaal niet aan. Niet bij de aanvragen en ook niet bij de afwijzingen. De screening van aanvragers was grondig en vereiste dat zij hun verklaringen over verzetsactiviteiten en gevangenschap onderbouwden. Om het Verzetsherdenkingskruis te krijgen zou Wilbrink zijn naam, kampnummer en eventueel referenties hebben moeten opgeven. Dominee Overduin, die de onderscheiding begin jaren tachtig wel ontving en met wie Wilbrink zegt veertig mensen te hebben gered, zou een voor de hand liggende getuige zijn geweest. Dat hiervan ieder spoor in het archief ontbreekt, spreekt boekdelen.
Van Aggelen schrijft in de biografie dat Wilbrink een hoge pauselijke onderscheiding zou hebben gekregen. Bij diverse plechtigheden droeg hij inderdaad het commandeurskruis van de Orde van Sint-Silvester, overigens aan een verkeerd lint. Dat is daadwerkelijk een hogere onderscheiding van het Vaticaan, zeer zelden aan Nederlanders verleend. Het aartsbisdom Utrecht bevestigde mij echter schriftelijk geen Willem Wilbrink te kennen aan wie deze onderscheiding zou zijn toegekend. Dat werpt de vraag op of hij gerechtigd is deze te dragen. Ik heb Wilbrink schriftelijk gevraagd welke pauselijke onderscheiding hij kreeg, van wie, waar en wanneer, en of deze mogelijk verband hield met zijn optreden in Dachau aangaande Titus Brandsma. Wilbrink heeft mijn vragen niet beantwoord.

Er is dus geen bewijs dat hem de Sint-Silvesterorde is toegekend, noch dat hem het Verzetsherdenkingskruis is onthouden. Maar dat zijn lang niet de belangrijkste haken en ogen aan zijn verklaringen. Het verhaal dat Wilbrink in de pers, tijdens herdenkingen en aan zijn biograaf vertelt over zijn ervaringen in Dachau valt evenmin te verifiëren en bevat tal van ongerijmdheden. Ik ben niet de eerste die dit is opgevallen. Onderzoeker Jos Sinnema besloot al eerder om Wilbrinks verhalen te toetsen aan wat uit bronnen bekend is. Hij schreef er een rapport over en stuurde dat aan het Nederlands Dachau Comité. Toen ikzelf bij het comité informeerde naar Wilbrink, werd ik op dat rapport geattendeerd. De inhoud liegt er niet om.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Merkwaardige strijkbout
Volgens Wilbrinks eigen verklaringen bezorgde hij op 15-jarige leeftijd pakketjes voor het verzet in Ede en Wageningen. Bij een van die koeriersdiensten werd hij door Duitsers staande gehouden en moest hij zijn pakket openmaken. Er zaten revolvers in. Wilbrink werd – nog steeds volgens eigen zeggen – gearresteerd en naar Dachau overgebracht.
Hij vertelt dat hij bieten van een akker stal tijdens een mars naar een werklocatie buiten het kamp. Dat is niet geloofwaardig. De bewakers van zulke marsen hadden instructie om te schieten op gevangenen die de kolonne verlieten. Uit de rij stappen om bieten te rapen en dat overleven, was nauwelijks denkbaar.
Zelf beweert Wilbrink dat de kampcommandant hem voor dit vergrijp wilde straffen door hem op transport te zetten naar Oostenrijk om daar tewerkgesteld te worden bij de gaskamers, maar dat hij dat weigerde, waarna de commandant hem aan het werk zette als lijkendrager. Hij moest overleden gevangenen uit de barakken naar de verbrandingsovens brengen. Maar Wilbrink zou regelmatig hebben gemerkt dat de mensen die hij moest verslepen – geestelijken en Joden – nog in leven waren. Hij wist deze mensen ongemerkt te verplaatsen naar een ziekenzaaltje dat speciaal voor geestelijken was ingericht. ‘Zo heb ik veertig mensen kunnen redden,’ aldus Wilbrink in zijn biografie.
Bij zijn reddingsacties zou hij hulp hebben gehad van de bekende verzetsman en dominee Jacobus Overduin. Maar daarover staat niets in Overduins kampmemoires Hel en hemel van Dachau. In dat boek komt Wilbrinks naam ook helemaal niet voor. Het speciale ziekenzaaltje voor geestelijken, dat in Wilbrinks verhaal een belangrijke rol speelt, heeft volgens de gangbare geschiedschrijving nooit bestaan. Verder zaten er in de periode dat Wilbrink in Dachau zou hebben verbleven nauwelijks Joden in dat kamp.
Zo ontdekte Sinnema veel meer aantoonbare onjuistheden in Wilbrinks verhaal. Hij vertelt dat hij samen met Overduin en andere geestelijken stiekem Kerst vierde, toen de deur van de barak open vloog en een bewaker een mitrailleur leegschoot op de aanwezigen. ‘Het was een vreselijk bloedbad, waarbij vele doden vielen. Als door een wonder heb ik het weten te overleven.’ Overduin beschrijft dezelfde viering in zijn boek juist als vredig en feestelijk, met drie vrije dagen en een – voor de kampomstandigheden – overvloedige maaltijd. Geen andere bron bevestigt Wilbrinks lezing. Hetzelfde geldt voor zijn bewering dat in Dachau lampenkappen gemaakt werden van de huid van vermoorde gevangenen.
Als lijkendrager zou Wilbrink op een dag ook het stoffelijk overschot van Titus Brandsma, de in 2022 heiligverklaarde katholieke priester, naar de oven hebben gebracht. Overduin zou toestemming hebben verkregen om Brandsma in ‘geestelijke kleding’ te laten cremeren en Wilbrink zou die kleding toen hebben gestreken. Als bewijsstuk is in de biografie een foto opgenomen van een ouderwetse massief gietijzeren strijkbout met een hakenkruis. Dezelfde foto staat bij het artikel dat ARQ afgelopen zomer publiceerde. Met die strijkbout is iets merkwaardigs: het hakenkruis staat in spiegelbeeld. De verklaring is simpel. Het ding is geen nazi-voorwerp, maar toont het heilige Indiase symbool voor geluk, welzijn en vrede.

Niet alles wat Wilbrink vertelt over Dachau is onzin. Maar de details die kloppen, zijn vrijwel volledig te herleiden tot de boeken van Overduin. De namen van medegevangenen die Wilbrink noemt, behoren bijna uitsluitend toe aan geestelijken uit dominee Overduins blok – 28 of 30. Als niet-geestelijke zou Wilbrink in een ander blok moeten hebben gezeten. Over wie hij daar heeft ontmoet en wat hij daar heeft meegemaakt, noemt hij geen enkel detail.
Kampnummer ontbreekt
Op basis van Sinnema’s onderzoek begon ik me af te vragen of Wilbrink überhaupt in concentratiekamp Dachau heeft gezeten. In de Arolsen Archives, heel eenvoudig via het internet te raadplegen, kon ik geen gevangene in Dachau met de naam Wilbrink terugvinden, ook niet in een eventueel verbasterde schrijfwijze. Ik benaderde de KZ-Gedenkstätte Dachau, maar kreeg een gelijkluidend antwoord: het hoofd van de archiefdienst, André Scharf, liet schriftelijk weten dat hij niet kon bevestigen dat Willem Wilbrink gevangene was geweest in Dachau of een van de zogenaamde buitenkampen.
Normaal gesproken is afwezigheid van bewijs geen bewijs van afwezigheid. Maar hier gaat dat argument niet op. De SS-kampadministratie van Dachau noteerde namelijk elke nieuwe gevangene die aankwam en gaf deze een nummer. Het was een sluitend administratief systeem. Het Nummernbuch van 1941 en 1942, toen Wilbrink gevangene zou zijn geweest, is compleet en doorlopend genummerd, zonder hiaten. Toch ontbreekt zijn naam.
Om absolute zekerheid te krijgen, heb ik Wilbrink zelf schriftelijk gevraagd wat zijn kampnummer was. Verificatie daarvan zou eenvoudig zijn geweest en onmiddellijk uitsluitsel hebben gegeven. Maar hij heeft zijn kampnummer niet willen geven. Kortom, er is geen enkel bewijs dat Wilbrink gevangene in Dachau is geweest.
Waarom vind ik het belangrijk om dit alles wereldkundig te maken? Waarom zou ik iemand die op 27 oktober 2026 honderd jaar wordt, willen ontmaskeren? Het raakt in mijn opvatting aan iets fundamentelers in de omgang met de oorlogsgeschiedenis.
Allereerst gaat het om de integriteit van de geschiedschrijving. Biografieën en andere publicaties vormen het materiaal waarop latere generaties, docenten, musea en onderzoekers voortbouwen. Eenmaal in boekvorm gepubliceerde, ongecontroleerde en onbewezen claims zoals die van Wilbrink kunnen als bron blijven circuleren. Achteraf is dat moeilijk terug te draaien.
Toegeëigend trauma
In dat opzicht staat Wilbrinks geval niet op zichzelf. In de Holocaust- en kampliteratuur zijn diverse gevallen bekend van persoonlijke getuigenissen die voor authentiek werden aangezien, maar bij nader onderzoek geheel of gedeeltelijk verzonnen bleken. Het bekendste voorbeeld is misschien wel Binjamin Wilkomirski, die zich in zijn veelgeprezen boek Bruchstücke (1995) voordeed als een kind-overlevende van Majdanek en Auschwitz, maar die na journalistiek en historisch onderzoek werd ontmaskerd als een Zwitserse auteur zonder enige kampervaring. Ook het verhaal van Misha Defonseca, die beweerde als Joods kind door Europa te hebben gezworven en door wolven te zijn opgevangen, bleek na jaren van succesvolle publicaties en verfilming volledig verzonnen. Zij bekende dit uiteindelijk zelf, na een slepende juridische strijd met haar uitgever.
Deze twee zaken zijn uiteindelijk sluitend bewezen en erkend door de betrokkenen zelf. Alyson Miller noemt dit soort biografieën misery memoirs. In een cultuur die het publiekelijk belijden van slachtofferschap waardeert, kan echt of voorgewend trauma fungeren als cultureel kapitaal dat morele autoriteit en zichtbaarheid oplevert. Een treffend voorbeeld leverde de Duitse historica Marie Sophie Hingst, die op haar blog Read on, my dear, read on een volledig verzonnen Joodse familiegeschiedenis presenteerde, compleet met tientallen fictieve familieleden die zogenaamd tijdens de Holocaust waren vermoord. Haar verhalen werden voor waar aangenomen en leverden haar zelfs een journalistieke prijs op. Ze werden pas in 2019 door journalist Martin Doerry ontmaskerd als verzinsels.
In al deze gevallen wist iemand toegang te krijgen tot gezaghebbende platforms – kranten, tijdschriften, gedenkboeken, onderwijsinstellingen, musea, herdenkingen – door in te spelen op de collectieve behoefte aan authentieke en aangrijpende oorlogsverhalen. Wat voor Hingst gold, geldt ook voor Willem Wilbrink: hoe emotioneler en aangrijpender het verhaal, hoe minder kritische toetsing plaatsvindt. Instituties en personen (inclusief de biograaf van Wilbrink) lieten hun waakzaamheid varen omdat zijn verhaal te indrukwekkend leek om niet waar te zijn. Wantrouwen jegens oorlogsgetuigenissen ligt maatschappelijk en emotioneel gevoelig. Dat maakt onze herdenkingscultuur kwetsbaar voor bedrog. Die kwetsbaarheid is alleen te ondervangen met structurele, onafhankelijke en afdoende verificatie, hoe ongemakkelijk dat ook mag voelen bij een ontroerend verhaal.
Het kwetst de nabestaanden van Dachau-gevangenen wanneer een onbewezen verhaal naast, of zelfs verweven met de echte geschiedenis van hun dierbaren wordt gepresenteerd. Elke keer dat een ongefundeerd verhaal klakkeloos wordt overgenomen, vervaagt het onderscheid tussen wat mensen als Overduin, Brandsma en duizenden anderen daadwerkelijk in Dachau hebben doorstaan en wat iemand, om welke reden dan ook, zich toe-eigent.
Maar de grootste en meest zorgwekkende impact is voelbaar in het onderwijs: jongeren die de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust moeten doorgeven, nemen Wilbrinks onbevestigde getuigenissen over zijn verzetsdaden, gevangenschap en reddingsacties aan als historische feiten. Op termijn ondermijnen zijn verhalen ook het vertrouwen in ooggetuigen die wél de gruwelijke waarheid vertellen.
Wederhoor Willem Wilbrink
Willem Wilbrink is door de redactie van Historisch Nieuwsblad schriftelijk gevraagd om een weerwoord. Daarop ontvingen wij een aan zijn zoon gedicteerde mail, waarin Wilbrink de conclusies in het artikel ‘smaad en laster’ noemt. Hij verklaart: ‘Ik heb in dezen de pech dat ik niet voorkom in het overigens incomplete archief van Dachau. Heb daar natuurlijk ook mijn onderzoek naar gedaan. Daar word ik op afgerekend, maar daar zit wel een heel verhaal achter.’ Wat dat verhaal is, wil Wilbrink niet schriftelijk en niet aan Historisch Nieuwsblad mededelen. Ook de kwestie van de onderscheidingen en de constatering van Hans Vogelzang en Jos Sinnema, dat zijn gepubliceerde kampbelevenissen op cruciale punten strijdig zijn met de historische bronnen, negeert Wilbrink in zijn antwoord. Hij schrijft dat het ‘momenteel onmogelijk en ongewenst’ is om aan ons verzoek om een weerwoord te voldoen.
Reactie Wimar Jaeger, voorzitter Nederlands Dachau Comité
‘Wij zijn het eens met de inhoud van dit artikel. Het NDC wil uiteraard een empathische houding aannemen ten aanzien van eenieder die mogelijk door oorlogstrauma een werkelijkheid voor ogen heeft, die niet overeenkomt met de feiten. Belangrijker vinden wij het echter dat de geschiedschrijving op harde feiten gebaseerd blijft. Daarom moeten feitelijke en/of niet verifieerbare onjuistheden worden weersproken, ook als zulke verhalen de dramatiek van de gebeurtenissen op zichzelf niet weerspreken. Het NDC probeert te waken over de betrouwbaarheid van de verhalen uit het kamp Dachau. Als het NDC daarin geen rechte lijn aanhoudt, komt de betrouwbaarheid van de Dachau-geschiedenis in het geding. En dat is schadelijk voor het gedachtegoed van “dat nooit weer.”’
