Home Dossiers Nederlandse politiek In 1921 stond er een malle zwerver op de kieslijst

In 1921 stond er een malle zwerver op de kieslijst

  • Gepubliceerd op: 28 feb 2026
  • Update 27 feb 2026
  • Auteur:
    Robin te Slaa
Hadjememaar wordt aangekleed als een echte heer, 1921.
Cover van
Dossier Nederlandse politiek Bekijk dossier

In 1921 veroverde de drankzuchtige ‘straatartiest’ Had-je-me-maar een zetel in de Amsterdamse gemeenteraad. Hij was naar voren geschoven door een groep anarchisten en plaatste de overheid voor een lastig vraagstuk: hoe moet je in een democratie omgaan met schertskandidaten?

‘Een politiek schandaal,’ kopte De Telegraaf in de vroege ochtend van 28 april 1921. De opwinding nam in de loop van de dag alleen maar toe. Toen alle stemmen waren geteld bleek dat de alcoholistische zwerver Had-je-me-maar (Cornelis de Gelder) met de steun van maar liefst 14.246 kiezers in de Amsterdamse gemeenteraad was gekozen. Hij stond bovenaan op de lijst van de Vrije Socialistische Groep. In zijn electorale kielzog verwierf ook nummer twee, de anarchistische colporteur en agitator Bertus Zuurbier een raadszetel.

Dat Had-je-me-maar van hen de meeste stemmen trok was weinig verwonderlijk. Hij was in de hoofdstad een bekendheid. De drankzuchtige ‘straatartiest’ was doorgaans te vinden in de cafés rond het Rembrandtplein of bedelend langs terrassen. Hij was herkenbaar aan zijn baardje, zijn wandelstok en het sigarenkistje dat hij onder zijn arm klemde. Om de aandacht van het publiek te trekken begon hij dikwijls zijn strijdkreet ‘Hap’ of ‘Hapseitie’ te roepen. Vervolgens voerde hij een wilde dans uit die de populaire charleston moest verbeelden. Ondertussen bracht hij zijn lijflied ‘Had-je-me-maar’ ten gehore, dat afkomstig was uit een gelijknamige revue van Louis Davids. Achter de façade van opgewekte zwerver ging veel misère schuil: zijn vrouw was in het kraambed overleden, zijn tweede huwelijk was mislukt en hij kon niet voor zijn vijf kinderen zorgen.

Een terras aan het Rembrandtplein met Had-je-me-maar
Een terras aan het Rembrandtplein met Had-je-me-maar. Aquarel, circa 1920.

Wie zaten er achter de opzienbarende verkiezingsstunt met Had-je-me-maar? Het idee kwam uit het milieu van hoofdstedelijke anarchisten. Een groepje vrij-socialistische bootwerkers wilde deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen met een kolderiek programma. Het bevatte onder andere de punten vrij vissen in het Vondelpark, de algehele afschaffing van klompen en een bedrag van 700 gulden ‘ineens’ voor elke werkloze. De groep, die zich spoedig tooide met de spottende naam ‘De Veelbelovers’, presenteerde enkele schertskandidaten die eenmaal in de gemeenteraad gekozen de vergaderingen tot ‘een aanfluiting’ moesten maken. De laatste woorden waren afkomstig van de redacteur van De Vrije Socialist Gerhard Rijnders. Na de dood van oprichter Ferdinand Domela Nieuwenhuis in 1919 had hij zich diens blad weten toe te eigenen.

Meer historische context bij het nieuws van vandaag?

Meld u aan voor de gratis nieuwsbrief van Historisch Nieuwsblad.
Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Weldra diende zich een nog driester plan aan. Een ander groepje anarchisten opperde het idee om Had-je-me-maar kandidaat te stellen. Rijnders beschouwde dit als een buitenkans om de gehate ‘stemplicht’ en de politiek belachelijk te maken. Als gekozen raadslid kon de potsierlijke zwerver immers het woord niet worden geweigerd. ‘Ook hem moet men laten zwetsen, grollen, schreeuwen desnoods,’ zo verkneukelde Rijnders zich in De Vrije Socialist. Had-je-me-maar kon elke zitting tot ‘een reuzen-paskwil maken’. 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel lees je historische achtergronden bij het nieuws van vandaag. Je hebt al een abonnement voor €4,99 per maand.

Democratie was fout

Het geruchtmakende initiatief kreeg spoedig de steun van een groepje kunstenaars en bohemiens onder aanvoering van aartsprovocateur Erich Wichman en zijn anarchistische boezemvriend Anton Bakels. Wichman was een veelzijdig en oorspronkelijk kunstenaar, een geharnast polemist en notoire rokkenjager. Hij noemde zich niet alleen ‘principieel alcoholist’, maar toonde zich daarin ook buitengewoon beginselvast.

Deze flamboyante persoonlijkheid werd bij de verkiezingsstunt door heel andere motieven gedreven dan de anarchisten met wie hij nauw samenwerkte. Wichman was diepgaand beïnvloed door de anti-verlichtingsdenkbeelden van de filosoof Friedrich Nietzsche, de hegeliaanse wijsgeer Gerard Bolland en de grondlegger van het futurisme Filippo Tommaso Marinetti. Hij verkondigde vanaf 1918 de noodzaak van een ‘Aristocratische Revolutie’.

Kunstenaar Erich Wichman
Kunstenaar Erich Wichman.

Met de beoogde verkiezing van Had-je-me-maar wilde de kunstenaar aantonen dat de massa incompetent was om haar eigen vertegenwoordigers te kiezen. Ergo: democratie was in beginsel fout. Het van oorsprong anarchistische initiatief kreeg door zijn toedoen een antidemocratische aanvulling. Verschillende tijdgenoten ontging dit niet.

Voor de verkiezingscampagne van Had-je-me-maar en de tweede kandidaat Zuurbier werd een comité van actie gevormd. Wichman trad toe namens Kunstenaarsgenootschap De Anderen, terwijl Bakels plaatsnam voor de niet-bestaande ‘Club Dada in Amsterdam’. Het Dadaïstisch Manifest, dat op 12 april 1918 in Berlijn werd gepubliceerd, verkondigde dat ‘Club Dada’ in alle delen van de wereld leden kende en je ‘zonder de minste verplichting’ lid kon worden. Hierdoor geïnspireerd verzon Bakels ‘Club Dada in Amsterdam’. Zijn verdichtsel over deze fictieve organisatie paste volkomen in de traditie van de absurdistische kunststroming dada, waarvan de woordvoerders zich bedienden van raadsels, paradoxen en mystificaties. De jonge anarchist en dichter Henk Eikeboom nam als derde lid plaats in het comité van actie. Hij vertegenwoordigde de anarchistische groepen rondom De Vrije Socialist.

Spotprent in De Vrije Socialist
Spotprent in De Vrije Socialist: de leiders van de verschillende politieke richtingen drijven hun volgzame aanhangers als vee naar de stembus, 29 juni 1918.

Mediahype

Op dinsdag 15 maart 1921 konden kandidaten zich op het stadhuis officieel inschrijven voor de gemeenteraadsverkiezingen. Er bestond twijfel of Had-je-me-maar werkelijk zou komen opdagen. Hij arriveerde in de loop van de ochtend per auto en in gezelschap van enkele vrije socialisten, onder wie Bakels en Zuurbier, bij het raadshuis. Dat een fotograaf van het sensatieblad Het Leven het voertuig bestuurde was een veeg teken. Met redelijk vaste hand – het was nog vroeg aldus het snedige commentaar in de pers – zette Had-je-me-maar binnen driemaal zijn handtekening. Die was de analfabete zwerver kort ervoor door zijn politieke chaperonnes aangeleerd.

Bij zijn vertrek maakte hij staande op de trap van het stadhuis de hoofdlijnen van zijn programma bekend, waarover verscheidene landelijke kranten berichtten. Allereerst diende de prijs van jenever te worden verlaagd tot vijf cent per borrel, want, zo verduidelijkte Had-je-me-maar, ‘wie geen jajem drinkt is een snoeper’. Ook brood en vet moesten minder gaan kosten. Ten slotte sprak hij zich uit voor de verwijdering van ‘die inrichting voor algemeen nut op het Rembrandtsplein’, oftewel het urinoir aldaar. ‘Daar stoot elk fesoendelijk mensch zijn neus ân,’ lichtte de zwerver toe. Zijn toehoorders juichten hem toe. Had-je-me-maar ‘zwom in vreugde’, aldus de sobere observatie in De Telegraaf.

Had-je-me-maar leert redevoeringen houden
Had-je-me-maar leert redevoeringen houden.

Zijn officiële inschrijving als kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen ontketende een mediahype nog voordat dit woord bestond. Niet alleen serieuze kranten, maar ook boulevardbladen publiceerden over deze buitenissige lijsttrekker. ‘Van alle kiosken, op alle leestafels, grijnst u de gedemoraliseerde kop van Had-je-me-maar tegen,’ constateerde journalist en chroniqueur van het hoofdstedelijke leven Wagenaar jr. Volgens Rijnders gingen de dagbladen van ‘aarts-reactionair tot bolsjewistisch’ als razenden tekeer tegen de schertskandidatuur. De redacteur van De Vrije Socialist stelde tevreden vast dat meer dan ooit de aandacht was gevestigd op ‘die leelijke, beleedigende en brutale stemdwang’. Hier wrong het.

Terecht betoogden verscheidene commentatoren dat er feitelijk geen ‘stemplicht’ bestond, maar een opkomstplicht. Kiezers waren verplicht om zich op verkiezingsdag op het stembureau te melden, maar hoefden niet daadwerkelijk hun stem uit te brengen. Wettelijk gezien was iets anders ook niet mogelijk. Een stemplicht en het beginsel van geheime stemming waren immers onverenigbaar. Het verkiesbaar stellen van een dakloze en vervuilde alcoholist riep in de pers ook morele bezwaren op. Ontdaan verklaarde zijn zoon: ‘Met zijn door drank vergiftigde hersens weet de man niet wat hij doet.’

Verkiezingsposter met Had-je-me-maar
Verkiezingsposter met Had-je-me-maar, 1921.

Felle kritiek kwam er eveneens uit anarchistische hoek. Een aantal organisaties hekelde het misbruik dat er volgens hen werd gemaakt van een ongelukkig slachtoffer van de kapitalistische maatschappij. Zij spraken zich hiernaast om principiële redenen uit tegen verkiezingsdeelname met schertskandidaten en beschouwden dit als een verloochening van de eigen anti-parlementaire beginselen. De verkiezingsstunt met de zwerver veroorzaakte zo nog meer tweespalt in de hopeloos verdeelde anarchistische beweging.

Er was geen enkele andere kandidaat die in de pers zo veel aandacht kreeg als Had-je-me-maar. De uitkomst liet zich raden. Zijn verkiezing tot raadslid in de hoofdstad veroorzaakte nationale beroering. In brede kring overheersten ontzetting en verontwaardiging over deze beschimping van het algemeen kiesrecht en het aanzien van de politiek. Hoe moest deze electorale ontsporing worden geduid? In de pers vielen termen als ‘politiek dadaïsme’ en ‘gedegenereerden’.

De prijs van jenever moest omlaag tot 5 cent per borrel

Slechts één dag na de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen berichtten de dagbladen over een ‘noodwetje’ dat het kabinet van Charles Ruijs de Beerenbrouck onverwijld bij de Tweede Kamer had ingediend. Met deze legalistische noodgreep wilde de ministerraad beletten dat Had-je-me-maar zijn raadszetel innam.

De Tweede Kamer bleek echter weinig ontvankelijk voor deze ‘gelegenheidswetgeving’. Een arrestatie van Had-je-me-maar wegens openbare dronkenschap – het was niet uitzonderlijk – bracht uitkomst. Terwijl hij een nog uitstaande vrijheidsstraf uitzat, deed hij begin juni plotseling afstand van zijn raadszetel. Het is twijfelachtig of dit gebeurde onder druk van de autoriteiten, zoals later werd verkondigd. Had-je-me-maar was ondertussen geconfronteerd met de schaduwzijden van zijn ‘roem’. Op straat werd hij hinderlijk gevolgd door sensatiebeluste meutes en ook wel bespot. In de pers verscheen op 17 augustus het nieuws dat Had-je-me-maar – aangeduid als ‘het slachtoffer van de Rapaillepartij’ – na het uitzitten van verschillende gevangenisstraffen was overgebracht naar een sanatorium voor alcoholisten in Beekbergen. Aansluitend verdween hij voor een jaar naar een rijkswerkinrichting.

Het leven van Zuurbier zag er na de verkiezingen een stuk aangenamer uit. De anarchistische colporteur woonde vanwege het presentiegeld trouw elke raadszitting bij, zoals hijzelf en Rijnders grif benadrukten. Zuurbier onthield zich steevast van stemmen, veroorloofd zich zo nu en dan een kwinkslag of warrige interruptie, maar leverde vrijwel nooit een inhoudelijke bijdrage aan de beraadslagingen. Als onaangepaste paljas haalde hij regelmatig de kranten. Hem serieus nemen deed bijna niemand.

Voorlopers fascisten?

Tijdens zijn verblijf in Italië tussen augustus 1923 en september 1924 raakte Erich Wichman volledig in de ban van Benito Mussolini’s fascisme. Bij het fascistische blad De Bezem, dat vanaf december 1927 verscheen, beleefde hij zijn laatste Sturm und Drang-periode. Vooral zijn provocerende bijdragen bepaalden de antiburgerlijke uitstraling van het blad.

Een verwaarloosde longontsteking werd Wichmans door alcoholmisbruik geteisterde gestel op 1 januari 1929 fataal. Op een deel van het Nederlandse fascisme wist hij met zijn geruchtmakende optreden en publicaties een ‘rapaljaans’ stempel te drukken. Niet lang na de dood van hun bejubelde held Wichman begonnen fascisten ‘zijn’ Rapaille Partij en verkiezingsstunt met Had-je-me-maar te verheerlijken als directe voorlopers.

De Rapaille Partij wordt aangewezen als bakermat van de NSB
De Rapaille Partij wordt aangewezen als bakermat van de NSB, 1934.

De Rapaille Partij

Nu Had-je-me-maar was teruggetreden, was voor de autoriteiten het schrikbeeld dat volstrekt onhandelbare schertskandidaten in vertegenwoordigende lichamen werden gekozen allerminst verdwenen. Het tegendeel was zelfs het geval. Al op 30 april maakten Erich Wichman, Anton Bakels en Henk Eikeboom in de pers de oprichting van een ‘anti-stemplicht-partij’ bekend waarvan zij het voorlopig bestuur vormden. De als belediging bedoelde suggestie ‘Rapaille Partij’ van het dagblad De Nederlander namen zij dankbaar over als geuzennaam.

Voor de Kamerverkiezingen in juli 1922 hoopte de nieuwe partij kandidaten te rekruteren onder bekende prostituees. Vergeleken met de kandidaatstelling van Had-je-me-maar was dit een provocatie in de overtreffende trap. Er was meer reden voor bezorgdheid. In verscheidene plaatsen richtten groepjes anarchisten een lokale Rapaille Partij op. Begeesterd door het Amsterdamse voorbeeld wilden zij schertskandidaten verkiesbaar stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen in 1923.

De nieuwe partij wilde kandidaten rekruteren onder bekende prostituees

Tijdens de debatten eind 1921 in de Tweede Kamer over de aanstaande grondwetswijziging kwamen ‘de zaak Had-je-me-maar’ en de mogelijke verkiezing van andere protestkandidaten herhaaldelijk ter sprake. De meerderheid van de parlementariërs zag de zaak in perspectief en wilde geen al te ingrijpende maatregelen nemen om de verkiesbaarheid van burgers te beperken. Wel verdween de opkomstplicht uit de grondwet. Afschaffing ervan werd daarmee aan de regering en het parlement overgelaten. Uiteindelijk gebeurde dit pas in 1971.

Haat tegen democratie

De ‘rapeljanen’ Leen Coremans en George Oversteegen toonden als raadsleden onverwachte sympathieën. Zo onderhield Coremans in 1924 contacten met het Verbond van Actualisten, de eerste fascistische partij in Nederland. Tijdens de Rotterdamse raadszitting van 16 juli verklaarde hij te snakken naar ‘een vent als in Italië, die de boel in elkaar heeft getrapt en het parlement en de gemeenteraden heeft weggejaagd’. Hij publiceerde ook bijdragen in De Bezem. Oversteegen prees in zijn eigen satirische blaadje Het Raadsheertje geestdriftig De Bezem aan en nam er anti-parlementaire stukken uit over. Dat er fundamentele tegenstellingen bestonden tussen anarchisme en fascisme leek Coremans en Oversteegen nauwelijks te interesseren. Hun onverzoenlijke haat tegen de parlementaire democratie was sterker.

George Oversteegen voert zingend campagne
Als lijsttrekker voor de Anti-Stemdwang Partij voert George Oversteegen (midden) zingend campagne voor de Haarlemse gemeenteraadsverkiezingen, 1927.

Kort na de ‘oprichting’ van de Rapaille Partij – feitelijk een fantoom-organisatie – vertrokken Wichman en Bakels samen naar het buitenland. Ook Eikeboom bekommerde zich er niet meer om. Rijnders en zijn volgelingen gebruikten in 1922 de naam Rapaille Partij om campagne te voeren voor de Tweede Kamerverkiezingen. Als lijsttrekker trad de in het anarchistische milieu populaire cabaretier en zanger Klaas Driehuis op, die zingend campagne voerde.

Rijnders’ ronkende voorspelling dat er vier zetels konden worden gewonnen werd pijnlijk gelogenstraft. De Rapaille Partij kreeg over het hele land slechts de steun van 11.160 kiezers, oftewel 0,39 procent van het totale aantal uitgebrachte stemmen. Na dit ontluisterende resultaat werden in de daaropvolgende jaren slechts enkele schertskandidaten eenmalig gekozen bij gemeenteraadsverkiezingen. De bekendste waren de Rotterdammer Leen Coremans in 1923 en de Haarlemmer George Oversteegen in 1927.

De verkiezingsstunt met Had-je-me-maar wordt tegenwoordig vaak beschouwd als een geslaagde grap. De schreeuwerige actie om een protestkandidaat verkiesbaar te stellen tegen een niet-bestaande ‘stemplicht’ was welbeschouwd eerder stompzinnig. Het getuigde bovendien van weinig empathie om hiervoor een warrige, alcoholistische zwerver te gebruiken. Ten slotte kunnen de antidemocratische motieven van Wichman niet worden genegeerd. Sterker nog, het was ook de samenwerking tussen deze extreemrechtse kunstenaar en de betrokken anarchisten die de verkiezingsactie rond Had-je-me-maar uniek maakte.

Meer weten

  • De Rapaille Partijen. Antipolitieke sentimenten 1918-1931 (2024) door Robin te Slaa plaatst dit verschijnsel in een breder historisch perspectief.
  • Erich Wichman (2019) door Frans van Burkom is een gedetailleerde biografie.
  • Vrij vissen in het Vondelpark (2003) door Koen Vossen, over kleine politieke partijen in Nederland tussen 1918-1940.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 3 - 2026

Dossier Nederlandse politiek

Kabinet Den Uyl op het bordes
Kabinet Den Uyl op het bordes
Artikel

Minderheidskabinet of met gedoogsteun: creatieve kabinetsvormen waren soms een oplossing

D66, CDA en VVD willen samen een minderheidskabinet vormen. Afwijkende kabinetsvormen hadden in het verleden wisselend succes. De allereerste Nederlandse kabinetten waren volledige zakenkabinetten, omdat pas in 1888 de eerste politieke partijen werden gevormd. In 1883 trad het laatste pure zakenkabinet aan onder leiding van de advocaat Jan Heemskerk, die een waterstaatkundig ingenieur als minister...

Lees meer
Kabinetsformatie besprekingen met Bolkestein van Mierlo en Kok in het gebouw van de eerste kamer
Kabinetsformatie besprekingen met Bolkestein van Mierlo en Kok in het gebouw van de eerste kamer
Interview

Links en rechts hadden weinig zin in een paars kabinet, maar ze moesten wel

D66 staat het liefst met een paars kabinet op het bordes, maar de VVD ziet een samenwerking met sociaal-democraten niet zitten. Hoogleraar Klaartje Peters schreef in haar boek Een doodgewoon kabinet over eerdere paarse kabinetten. ‘Politici gaan zo’n samenwerking alleen aan als het echt moet.’ De eerste paarse coalitie tussen het liberale blauw van de...

Lees meer
Coalitievoorkeuren in verkiezingstijd leidden vaak tot spanningen aan de formatietafel
Coalitievoorkeuren in verkiezingstijd leidden vaak tot spanningen aan de formatietafel
Interview

Coalitievoorkeuren in verkiezingstijd leidden vaak tot spanningen aan de formatietafel

Vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen geven politieke partijen hun voorkeur aan voor toekomstige coalities. Volgens historicus Alexander van Kessel leidde dit in het verleden vaak tot spanningen als er geformeerd moest worden. ‘Het grote nadeel van het innemen van ferme posities, is dat je daar later misschien op moet terugkomen.’ Veel lijsttrekkers maken in aanloop...

Lees meer
Verkiezingsborden langs Lange de Hofvijver voor de verkiezingen van de Tweede Kamer
Verkiezingsborden langs Lange de Hofvijver voor de verkiezingen van de Tweede Kamer
Nieuws

Verkiezingsprogramma’s tonen verdeeldheid tussen trots en schaamte over de Nederlandse geschiedenis

In de verkiezingsprogramma’s voor 29 oktober staan niet alleen plannen voor de toekomst, maar ook visies op het verleden. Sommige partijen benadrukken vooral nationale trots terwijl andere partijen juist pleiten voor kritische bewustwording. Maar die tegenstelling loopt niet precies langs de traditionele links-rechtsverdeling. Het CDA is behoorlijk opgeschoven. Wat direct opvalt is dat de VVD zich...

Lees meer
Loginmenu afsluiten