Home Wonderdokter van de keizers

Wonderdokter van de keizers

  • Gepubliceerd op: 26 januari 2021
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Geertje Dekkers
  • 10 minuten leestijd
Wonderdokter van de keizers

Hij lapte gewonde gladiatoren op, genas wanhopige patiënten en maakte indruk aan het keizerlijk hof. Claudius Galenus was de beroemdste arts uit het Romeinse Rijk en bleef eeuwenlang dé geneeskundige autoriteit.

In het medische wereldje van Rome maakte een nieuwkomer furore, tot ergernis van zijn concurrenten. Het waren de jaren 160 n.Chr. en Claudius Galenus uit Pergamon showde zijn kennis van anatomie door aapjes, varkens en geiten open te snijden voor gefascineerde toeschouwers. Hij genas hopeloze gevallen waarmee andere artsen zich geen raad hadden geweten en verdiende daarmee zoveel dat hij een buitenverblijf aan de baai van Napels en slaven kon kopen. Hij schreef zijn successen op en verspreidde zijn teksten door het Romeinse Rijk, om geleerden in het hele imperium te doordringen van zijn talent en inzicht. Jaloerse concurrenten keken kniezend toe en na een zoveelste succesvolle genezing liep hun afgunst zo hoog op dat Rome voor Galenus gevaarlijk werd.

Zo staat het tenminste in een van de vele geschriften die Galenus naliet en die de belangrijkste bronnen vormen over zijn leven. Omdat zijn boeken onder meer dienden als pr-instrument, beschreef Galenus zichzelf op het irritante af als wonderdokter met ongeëvenaard medisch inzicht, en zijn concurrenten als kleinzielige prutsers. Gelukkig ligt er onder de laag van reclametaal veel interessante informatie verborgen over de arts, die tot anderhalf millennium na zijn dood de voornaamste medische autoriteit zou blijven.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De jaloezie van Galenus’ Romeinse concurrenten bereikte een piek – aldus Galenus zelf – nadat hij een vrouw had genezen van pijnlijke ‘vrouwelijke vloeiingen’. De patiënte was de niet bij naam genoemde echtgenote van een senator, Titus Flavius Boethus, die blijkbaar veel bloed verloor. Wat haar klachten verder precies inhielden liet Galenus in het vage, maar ze waren ernstig genoeg om een reeks vroedvrouwen en artsen om hulp te vragen. Terwijl de behandelaars hun remedies uitprobeerden, werd de toestand van de vrouw almaar slechter. Bovendien zwol haar buik alsof ze zwanger was. Galenus zag het aan, tot de vrouw vreselijke krampen kreeg en flauwviel. Dat was zijn moment om daadkrachtig, maar zachtzinnig op te treden en een op haar lichaam aangepaste behandeling te ontwikkelen, die onder meer bestond uit purgeringen en massages.

Gezondheid draait om het evenwicht tussen de lichaamssappen gele gal, zwarte gal, bloed en slijm

Zijn aanpak werkte en binnen een maand was de vrouw van Boethus hersteld. De dankbare echtgenoot stuurde Galenus vierhonderd goudstukken en beloofde hem aan te prijzen bij de keizer, Marcus Aurelius. Zoveel lof was riskant, vond Galenus, want die voedde de jaloezie van zijn tegenstrevers. Na de behandeling van Boethus’ vrouw werd de Romeinse grond hem zo heet onder de voeten dat hij vluchtte.

Let wel: dit is Galenus’ eigen versie van het verhaal. Mogelijk had zijn vertrek uit Rome minder te maken met jaloerse tegenstrevers en meer met een pandemie – van pokken, mazelen of een andere ernstige ziekte –, die veel van Galenus’ slaven dodelijk trof. Hoe dan ook, aan het succes van de wonderdokter in het centrum van de wereld leek vroegtijdig een einde gekomen. Maar zijn ambitie was nog steeds groot.

De humeurenleer

Vanuit Rome vluchtte Galenus naar Pergamon, aan de westkust van huidig Turkije, waar hij rond 129 was geboren als zoon van de welvarende architect Nicon. De stad was een bloeiend centrum van Griekse cultuur en geleerdheid, en vader Nicon had zijn zoon daar van jongs af aan in ondergedompeld. Galenus kreeg grondig onderwijs in de Griekse taal, literatuur, geschiedenis en filosofie, zoals gebruikelijk voor jongens uit de bovenlaag van het Romeinse Rijk, voor wie vaak een politieke carrière in het verschiet lag. Maar vanaf zijn zestiende volgde hij een ander pad, want toen kreeg zijn vader dromen die de zoon in de richting van de geneeskunde stuurden. Aldus Galenus zelf, en er is ook in dit geval reden om vraagtekens te zetten bij zijn verhaal, want dromen konden indertijd een zware, goddelijke lading hebben. Als Galenus dankzij bovennatuurlijke sturing arts was geworden, dan moest dat wel goed zijn in de ogen van tijdgenoten.

In Pergamon waren volop dokters bij wie Galenus onderwijs kon volgen. Een formeel traject was er niet, maar de arts in opleiding liep met zijn ervaren collega’s mee. Via hen leerde hij over Hippocrates van Kos, die rond 400 v.Chr. patiënten had behandeld en die in de Griekse wereld een haast mythische status had gekregen.

Aan hem werden ideeën toegeschreven die de basis zouden worden van Galenus’ geneeskunde. Kern was de ‘humeurenleer’, die stelde dat de geestelijke en lichamelijke gezondheid afhing van het evenwicht van de vier ‘humeuren’ of lichaamssappen gele gal, zwarte gal, bloed en slijm. Dit uitgangspunt was nauw verweven met Griekse natuurfilosofische ideeën over elementen – aarde, water, lucht en vuur –, die gezamenlijk of in hun eentje, afhankelijk van de filosoof, alle wereldse stoffen vormen. Elk van die elementen was koud of warm, en nat of droog, en kwam daardoor aan zijn unieke eigenschappen. Zo was lucht warm en nat, terwijl aarde koud en droog was, waardoor elk van de elementen zijn eigen aard had.

Hetzelfde principe gold voor de lichaamssappen: bloed was warm en nat, en maakte mensen met een overschot aan dit humeur warmbloedig of ‘sanguinisch’; gele gal was warm en droog – want in deze manier van denken konden ook sappen wezenlijk droog zijn – en leidde tot cholerische of driftige karaktertrekken; zwarte gal was koud en droog, en maakte een mens melancholisch; slijm was koud en nat, en veroorzaakte flegmatische karakters. En behalve tot psychische problemen leidde een teveel aan een van de sappen ook tot lichamelijke ziekten. Van een overschot aan koud en nat slijm sloeg een mens bijvoorbeeld aan het snotteren.

Arts van gladiatoren

In Pergamon was veel hippocratische kennis beschikbaar, maar in de rest van het Romeinse Rijk was nog meer te leren. Daarom trok Galenus toen hij tegen de twintig liep naar andere kenniscentra, om te eindigen in Egyptisch Alexandrië, beroemd om zijn bibliotheken en een magneet voor geleerden.

Een paar jaar lang zoog Galenus er meer hippocratische ideeën op en verdiepte hij zijn anatomische kennis, waarschijnlijk door ontledingen van lijken bij te wonen. Dat was in het grootste deel van het Romeinse Rijk taboe, maar Alexandrië vormde indertijd een uitzondering. Daarnaast sneed hij mogelijk daar al in aapjes, al dan niet levend, die dienden als model voor de mens.

Claudius Galenus (c.130-c.201 n.Chr.)

Als volwaardig arts keerde Galenus rond 157 terug naar Pergamon, waar hij zijn vaardigheid bewees toen hij meedong naar een vooraanstaande positie. Hij wilde arts worden van de gladiatoren van de Hoge Priester van de provincie Asia en om indruk te maken haalde hij de ingewanden uit een levend aapje, en daagde hij zijn concurrenten uit de schade te herstellen. Niemand wist hoe dat moest – aldus Galenus –, maar hijzelf natuurlijk wel. Hij plaatste de organen terug en hechtte het beestje netjes dicht. Vervolgens showde hij nog wat van zijn kunsten, zoals aderlaten.

Galenus kreeg de baan en lijkt een paar jaar lang zijn kostbare patiënten – gladiatoren waren duur – behoorlijk gezond te hebben gehouden. Bovendien leerde hij dankzij hun schaaf- en steekwonden en breuken het menselijke inwendige nog beter kennen.

Daar had het bij kunnen blijven, maar Galenus wilde meer. Of hij ontvluchtte de politieke onrust in Pergamon, dat kan ook. In elk geval trok hij rond 162 naar het centrum van zijn wereld, naar Rome, waar hij de successen boekte waarmee dit verhaal begon. Hij hanteerde er duidelijk de humeurenleer, ook bij de behandeling van de echtgenote van Boethus, die hij volgens zijn eigen notities probeerde te genezen in de geest van ‘Hippocrates en zijn beste medisch opvolgers’. Haar bloedverlies wees volgens Galenus en collega’s op een teveel aan vocht en daarom moest haar lichaam worden uitgedroogd met geneesmiddelen. En toen die niet werkten, zochten ze andere methoden, die beter bij haar lichaam pasten.

Want hippocratische geneeskunde was geen simpele invuloefening, waarbij klacht A vroeg om geneesmiddel B. De zaak was veel complexer, betoogde Galenus herhaaldelijk: de arts moest het persoonlijke natuurlijke sappenevenwicht van zijn patiënt leren kennen en de disbalans op een passende manier aanpakken. Dat vergde jaren aan oefening en nauwkeurige observatie, die Galenus tentoonspreidde toen de pijnen van Boethus’ vrouw ondraaglijk werden en de patiënt flauwviel. Hij voelde haar buik en bemerkte een vreemde zachtheid, ‘als melk die bezig is kaas te worden, maar nog niet hard is’. Daarop besloot hij dat de vrouw een plasmiddel nodig had en een niet nader genoemd drankje. Ook moest ze worden gemasseerd en ingesmeerd met honing die lang was gekookt en vervolgens afgekoeld tot de temperatuur van bronwater in de zomer.

Zo begon de genezing van Boethus’ vrouw, en in de weken die volgden bleef Galenus de behandeling aanpassen aan haar toestand, tot ze binnen een maand haar gezondheid terug had. Dat was volgens Galenus tegen het zere been van collega’s, omdat zij andere methodes hanteerden.

Jaloerse concurrenten

Behalve aanhangers van Hippocrates werkten er in het Romeinse Rijk namelijk ook artsen van allerlei andere stromingen, zoals de ‘empiristen’, die niet geïnteresseerd waren in problemen met humeuren of andere achterliggende oorzaken van ziekten. Zij inventariseerden simpelweg symptomen en de middelen die daartegen hielpen. Dus als een arts een zieke bezocht, hoefde hij alleen te weten welk geneesmiddel hielp tegen de klachten van deze patiënt.

In specifieke gevallen kon dat werken, gaf Galenus toe, maar een patiënt met onbekende symptomen had niets aan zo’n arts. In afwijkende gevallen stonden empirici met lege handen, verkondigde Galenus herhaaldelijk in zijn boeken, terwijl een waarlijk geleerde hippocratische arts veel flexibeler was, zoals de casus van de vrouw van Boethus illustreerde.

Naast de empiristen waren er onder meer de methodisten, die meer nadruk legden op gebruik van het verstand, en de pneumatisten. De laatsten geloofden dat de pneuma, een soort allesdoordringende geest, een cruciale rol speelde bij gezondheid en ziekte.

Galenus haalt de ingewanden uit een levend aapje en plaatst ze weer netjes terug

Galenus’ successen – ook als ze iets minder schitterend waren dan hij ze zelf beschreef – waren goed voor zijn aanzien en dat van de hippocratische geneeskunde. Dat concurrenten jaloers waren is dus alleszins logisch, maar of ze hem ook naar het leven stonden, zoals Galenus suggereerde, blijft de vraag. In elk geval achtte hij het in 169 alweer veilig genoeg om terug te keren in Rome, dit keer om aan het keizerlijk hof te dienen, onder Marcus Aurelius en diens opvolgers.

Meer dan twintig jaar behandelde hij keizers en hun naasten en genoot hij grote roem. Maar hoe het met hem afliep weet niemand. Stierf hij in 199, zoals vaak is geschreven, of pas rond 216, zoals Arabische bronnen beweren? Het bewijs is onduidelijk en ook naar zijn sterfplaats is het gissen.

Belangrijker voor de geschiedenis is dat veel van zijn geschriften de tijd overleefden en na de ondergang van het West-Romeinse Rijk in de Arabische wereld werden gekopieerd en vertaald door artsen die Galenus’ ideeën verder uitdiepten. Vanaf de tijd van de kruistochten maakten West-Europese artsen kennis met hun werk, en zij waren onder de indruk. Galenus werd ook hier een medische autoriteit en zijn ideeën werden vaste kost voor geneeskundestudenten. Zijn anatomische kennis werd een universiteiten onderwezen, net als zijn humeurenleer. En dat zou eeuwenlang zo blijven.

Geertje Dekkers is historicus en journalist.

 

Een mens is geen aap

Er zaten fouten in Galenus’ werk, zag Andreas Vesalius in de zestiende eeuw. Zo had Galenus beweerd dat de menselijke kaak uit twee botten bestond, maar het was er maar één. En ook had hij vijf lobben van de lever beschreven, terwijl de mens er twee heeft. Galenus zat ernaast omdat hij – behalve dan in Alexandrië – vooral apen en andere dieren had opengesneden en hun anatomie op mensen had geprojecteerd. Vesalius’ ontdekking van zijn fouten betekende een gevoelige klap voor Galenus’ leer.

Aderlaten: hardnekkige praktijk

Bloed werd gevormd in de lever en het hart, onderwees Galenus, om vervolgens in organen te worden opgebruikt. In de zeventiende eeuw bleek dat het anders zat: bloed werd voortdurend in het lichaam rondgepompt, zoals William Harvey in 1628 opschreef. Door dit inzicht werd het theoretisch moeilijk om aan Galenus’ humeurenleer vast te houden, maar in de praktijk deden artsen dat nog lang. Met zijn humeurenleer samenhangende ingrepen als aderlaten – gebaseerd op het idee dat een teveel aan bloed moest worden afgevoerd om het evenwicht te herstellen – werden tot in de negentiende eeuw uitgevoerd.

Meer weten

The Prince of Medicine: Galen in the Roman Empire (2013) door Susan P. Mattern is een uitgebreide biografie van Galenus.

Ancient Medicine (2013) door Vivian Nutton biedt een overzicht van de medische wetenschap in de Oudheid.

Ancient Medicine From Mesopotamia to Rome (2019) door Laura M. Zucconi focust niet alleen op Rome en Griekenland, maar ook op Egypte en het Midden-Oosten.

 

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 2 - 2021