Home Dossiers Het verzet ‘Wij willen het verzet rehabiliteren’

‘Wij willen het verzet rehabiliteren’

  • Gepubliceerd op: 28 september 2022
  • Laatste update 23 nov 2022
  • Auteur:
    Bas Kromhout
  • 16 minuten leestijd
‘Wij willen het verzet rehabiliteren’
Cover van
Dossier Het verzet Bekijk dossier

In het Verzetsmuseum Amsterdam is vanaf 1 december een nieuwe vaste tentoonstelling te zien. ‘We willen laten zien dat verzet plegen tegen de Duitsers geen eenvoudige keuze was,’ zegt directeur Liesbeth van der Horst, die zich ergert aan gemakkelijke morele oordelen achteraf. ‘Ik hou niet van wijzen met de vinger.’

Waarom geeft u het Verzetsmuseum een nieuwe vaste opstelling?

Van der Horst: ‘De oude stond er al 24 jaar, dat is stokoud voor een museale tentoonstelling. We zagen een langzame teruggang in de waarderingen op TripAdvisor. Niet dramatisch, maar dat wil je vóór zijn. Tijd dus voor een nieuw museum en een nieuw verhaal. Het heeft er ook mee te maken dat volgend jaar het Holocaustmuseum wordt geopend, tegenover de Hollandsche Schouwburg, bij ons om de hoek. Het verhaal van de Joodse kinderen die het verzet vanuit de schouwburg via de crèche in veiligheid bracht, werd in onze oude tentoonstelling vrij uitgebreid verteld. Dat is niet meer nodig, want daarvoor ga je straks naar de plek zelf. Het komt nog wel aan bod in de nieuwe opstelling, maar minder uitgebreid. Natuurlijk behoudt de Holocaust als geheel substantiële ruimte.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,- Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Andere thema’s krijgen meer aandacht, zoals dwangarbeid en burgerslachtoffers. We laten ook meer verzetsmensen uit de koloniën zien dan in de oude opstelling, want daarin kwam alleen Anton de Kom voor. Nu gaan we ook in op andere voorbeelden, zoals een Antilliaanse verzetsman en Indonesische studenten die hier actief waren. Zij legden connecties met de illegale pers, om zo de Nederlandse publieke opinie te bewegen richting acceptatie van de onafhankelijkheid voor Indonesië na de oorlog. Ze waren optimistisch gestemd, maar kregen uiteindelijk geen voet aan de grond en raakten teleurgesteld. Dat is een verhaal dat we nadrukkelijk willen vertellen. Daarnaast gaan we volgend jaar een aparte afdeling maken over de koloniën, waar we inzoomen op de situatie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie vanaf 1945. In die afdeling zal de nadruk liggen op verzet tegen Nederland. Daar zijn we nog mee aan het werk. Dat is een nog veel gecompliceerder verhaal.’

Javaanse revolutionairen demonstreren voor onafhankelijkheid. Sommige Nederlandse verzetsmensen sluiten zich bij hen aan.

Zeg dat wel. Sommige Nederlandse oud-verzetsmensen gingen vrijwillig in Indonesië vechten tegen de onafhankelijkheidsbeweging.

‘Dat laten we ook zien. Het verhaal van één zo’n jonge verzetsman en oorlogsvrijwilliger komt aan bod. Wie “goed” was ín de oorlog was niet automatisch óók “goed” ná de oorlog. Het verzet was bovendien politiek verdeeld. Zo kwamen groepen uit het voormalig verzet in de Koude Oorlog lijnrecht tegenover elkaar te staan. De communisten vonden de strijd tegen het imperialisme de voortzetting van het verzet, maar rechtse verzetsmensen vonden dat juist van de strijd tegen het communisme. Dit conflict hebben we na lang nadenken uit de nieuwe tentoonstelling weggelaten, omdat het te ver voert. Het verhaal is al complex genoeg. Je moet ergens ophouden.’

Is kiezen de moeilijkste opdracht voor een museummaker?

‘Het is altijd een worsteling. De eerste reflex is zo volledig mogelijk te zijn, maar dan plamuur je het vol. Het Verzetsmuseum vertelt ongeveer honderd verschillende verhalen. Die zijn mede geselecteerd op de beschikbaarheid van een mooi collectieobject of primaire bron. Dat er prachtige verhalen moeten afvallen is logisch, maar ook lastig. De verhalen die overblijven, moeten we ook nog eens superkort vertellen. Elk verhaaltje brengen we terug tot ongeveer honderd woorden, en daar moeten ook nog gevoel en nuance in zitten. Het moet bovendien begrijpelijk zijn voor jongeren. Het woord “deportatie” gebruiken we bijvoorbeeld niet, omdat is gebleken dat 14-jarigen dat niet kennen. Als je de teksten leest, lijken ze heel gewoon, maar in het schrijfproces zit heel veel werk.’

’14-jarigen blijken het woord “deportatie” niet te kennen’

Vertelt het museum na de verbouwing een ander verhaal over de bezettingstijd? 

‘We brengen daders meer in beeld. In de oude opstelling zaten ze ook al, maar nu kruipen we ook in de huid van deze mensen. We introduceren “duo-verhalen” die dezelfde gebeurtenis vanuit twee perspectieven belichten. Bijvoorbeeld het perspectief van verzetsvrouw Hannie Schaft tegenover dat van Emil Rühl, de SD-agent die haar heeft verhoord na haar arrestatie.’

Laat u het aan de bezoekers zelf om te kiezen welk perspectief zij geloofwaardiger vinden?

‘In zekere zin wel. In de tentoonstelling zegt Rühl: “In onze ogen waren verzetsmensen terroristen.” Misschien denken bezoekers dan: verrek, zo kun je het ook bekijken. Ik heb niet het idee dat mensen de kant van Rühl zullen kiezen. Uiteindelijk is voor mij vrij duidelijk wat goed was en wat fout. Ik praat niets goed, maar ik wil de bezoeker inzicht geven. Ik denk dat dat educatief sterker is dan doen alsof daders een soort demonen zijn, waar wij normale mensen niks mee te maken hebben. Ieder mens kan in bepaalde omstandigheden een dader worden en zelfs extreme dingen doen.’

Niet iedereen is gediend van zo’n empathische benadering van daders. 

‘Dat klopt. Daar krijgen wij ook mee te maken. Sommige mensen vinden dat wij als Verzetsmuseum niet de kant van de daders mogen laten zien. Nou ja, we doen het wel. En ik heb het gevoel dat ik dat kan verdedigen. Er waren 20.000 Nederlandse SS’ers; ontzettend veel meisjes kregen een kind van een Duitse soldaat. Ze krijgen minder ruimte in ons museum dan het verzet, maar hun verhalen horen erbij. Mijn favoriete verhaal gaat over een politieagent die meehielp Joden uit hun huizen te halen. Hij vond het verschrikkelijk, maar durfde niet te weigeren uit angst voor de consequenties voor hem en zijn gezin. In een later stadium is hij toch bij het verzet gegaan. Hij heeft altijd spijt gehad van zijn gehoorzaamheid. Dat verhaal wilde ik vertellen, op zo’n manier dat mensen snappen waarom die agent deed wat hij deed. Ik wil het hokjesdenken doorbreken. Het was niet simpelweg zo dat 10 procent van de bevolking verzet pleegde en 90 procent niks deed; het liep veel meer door elkaar. Vaak waren verzet en collaboratie in één persoon vertegenwoordigd. Dat laat de nieuwe tentoonstelling ook zien.’

‘We kruipen ook in de huid van daders’

Een ‘grijs’ beeld van de oorlog, naar het voorbeeld van Chris van der Heijden?

‘Wat ik het vervelende vind van de benadering van Van der Heijden is dat hij erg veroordelend is ten opzichte van de passieve meerderheid. Ik heb niks tegen de term “grijs”, maar bij hem is grijs eigenlijk “zwart”. Dat vind ik niet terecht. Nederlanders stonden over het algemeen redelijk aan de “witte” kant, alleen staken ze niet volledig de nek uit. Begrijpelijk, als je weet dat je het met de dood zou moeten bekopen. We  willen laten zien dat verzet geen eenvoudige keuze was, en dat je niet van iedereen kon verwachten dat hij verzet pleegde. Wat me ook irriteert aan Van der Heijdens boek Grijs verleden is de denigrerende toon waarop hij over “verzetjes” schrijft. Ik wil het verzet rehabiliteren. Verzetsmensen deden wél iets en namen daarbij een risico. Daarbij moesten ze allemaal het wiel uitvinden. Natuurlijk laten we in het museum ook het geklooi zien. Expres besteden we aandacht aan de verzetsgroep die per ongeluk een aanslag op SS-chef Hanns Albin Rauter pleegde, met desastreuze gevolgen: de Duitsers schoten als represaille heel veel gevangenen dood. Dat laten we allemaal zien. Verzetsacties pakten niet altijd goed uit, maar de mensen die ze aandurfden hebben het niet verdiend dat wij daar achteraf lullig over doen.’

Wat vindt u van de klacht die een neef van verzetsvrouw Jacoba van Tongeren heeft ingediend naar aanleiding van de NTR-serie Het verhaal van Nederland? In de laatste aflevering wordt gesteld dat slechts een enkeling verzet pleegde en dat het verzet snel uitdoofde.

‘Ik heb me bij de klacht aangesloten. Die bewuste aflevering vond ik wel heel bar; er zitten rare en kromme ideeën in. De teneur is dat de Nederlanders de hele Jodenvervolging op hun geweten zouden hebben; de Duitsers komen er nauwelijks aan te pas. De aflevering geeft ook een verouderd beeld van verzet. Ik hoor al dertig mensen beweren: “Na de oorlog zaten zogenaamd alle Nederlanders in het verzet, maar eigenlijk stelde het niks voor.” Dat heet dan een hardnekkige mythe te zijn, die moet worden “ontmythologiseerd”. Maar de mythe is zelf een mythe. Tijdens de oorlog had niemand het idee dat iedereen in het verzet zat. Direct na de oorlog was er wel veel aandacht voor verzet, zodat het Nederlandse volk een beetje trots kon zijn op zichzelf. Het had zichzelf niet bevrijd, dus het moest zich ergens aan vastklampen.

Maar ook toen snapte men dat de kern van het verzet een kleine minderheid was geweest. Gesteund door de massa, dat wel.’

Maar klopt dat beeld van massale steun voor het verzet wel?

‘Ja, daar zit echt wel wat in. Vrijwel alle omwonenden van het Achterhuis wisten dat de familie Frank er zat ondergedoken. Jan Slomp, zoon van verzetsleider Frits Slomp, zei ook dat iedereen in zijn dorp wist dat er onderduikers zaten. Maar daar praatte je niet over. De NSB’ers werden ook echt uitgekotst, daar zijn voorbeelden genoeg van. Doordat vanaf midden jaren zestig de nadruk op de Jodenvervolging kwam te liggen, kwam ook het verzet een beetje in een negatief daglicht te staan. Kwam het niet te laat? Was het niet te weinig? Stelde het wel iets voor? Ik denk dat daarbij vaak uit het oog wordt verloren dat het bezette Nederland een dictatuur was, en dat je met je leven speelde als je je verzette. Er wordt gedaan alsof het een simpele keuze was: iedereen had maar even in het verzet moeten gaan. Maar het was niet simpel. Degenen die het hebben gedaan, lieten vaak getraumatiseerde kinderen achter omdat ze voor het verzet kozen en hun gezinnen lieten stikken. Je ziet het steeds vaker: degenen die een misdaad niet hebben kunnen voorkomen krijgen de schuld. Dat vind ik een vervelende tendens. Sowieso hou ik niet van met de vinger wijzen.’

De klungelige aanval van het verzet op SS-topman Hanns Albin Rauter heeft desastreuze gevolgen, zo laat het Verzetsmuseum zien. Op de foto de auto van Rauter na de aanslag bij Woeste Hoeve, 6 maart 1945.

Het museum bestaat nu ruim 35 jaar. Hoe kwam het tot stand?

‘Het begon allemaal in 1980 met een tijdelijke tentoonstelling in het Paleis op de Dam, Verzet en vervolging, 1933-19nu, georganiseerd door het Amsterdamse 4 en 5 mei-Comité. Zoals de titel aangaf, was er een duidelijk educatief doel aan verbonden.

Rond die tijd gingen de meeste voormalige verzetsmensen met pensioen, maar ze waren nog wel fit. Ze zagen in Nederland nieuwe extreem-rechtse partijtjes ontstaan en hadden het gevoel dat zij hun verhaal moesten vertellen om de jeugd te waarschuwen voor het fascisme. Na die eerste tentoonstelling gingen algauw stemmen op voor een permanent museum in Amsterdam. Er is toen een stichting opgericht en binnen heel korte tijd is het museum gerealiseerd, dankzij subsidie van de gemeente. Het opende in 1985 de deuren in de voormalige Lekstraat-synagoge. Uiteindelijk bleek dit een rotlocatie, veel te decentraal. Toeristen begonnen al wel te komen, maar daar was het museum nooit voor bedoeld – het ging om educatie. In 1999 zijn we verhuisd naar gebouw Plancius, tegenover de ingang van Artis.’

Door wie werd het museum gedragen?

‘Het initiatief lag bij communisten, maar die hebben er nadrukkelijk geen communistisch museum van willen maken. Ze hebben er meteen bestuursleden bij gehaald vanuit andere hoeken van het verzet. Ook hebben ze alle vrijheid gegeven aan de historicus die de eerste vaste opstelling maakte. Heel soms zei een bestuurslid wel dat een bepaald exemplaar van De Waarheid moest worden getoond, maar binnen de staf heeft het communisme nooit een rol gespeeld. Wel bij de achterban van het museum. Dat heeft ook weleens tot gedoe geleid. Bijvoorbeeld toen we in 2004 een tentoonstelling maakten over de Servische verzetsgroep Otpor, die heeft bijgedragen aan de val van Slobodan Milosevic. Otpor werd gesteund door de Verenigde Staten, en dat was voor een paar communisten aanleiding om uit onze vriendenstichting te stappen. Een van de medeoprichters, de kortgeleden overleden CPN’er Max van den Berg, was het soms ook niet eens met bepaalde keuzes die ik maakte. In 2017 hadden we een tentoonstelling over de Russische Goelag en daarin werd in een zinnetje vermeld dat er ook Nederlandse SS’ers slachtoffer van waren geworden. Een SS’er slachtoffer noemen was not done voor Van den Berg. Daar heb ik verwoede e-maildiscussies met hem over gevoerd. Maar dat wordt allemaal steeds minder. Er zijn nog maar weinig hardcore communisten.’

Er zijn ook nog maar een paar verzetsmensen uit de bezettingstijd in leven. Is dat een gemis voor u als museumdirecteur?

‘Het verzet vormde tot voor kort dé achterban van het museum. Ik heb het altijd een voorrecht gevonden om met die mensen te praten en hun verhalen te horen. Voordat ik hier in 1988 vrijwilliger werd, had ik eigenlijk niet zoveel met verzetsmensen. Ik dacht dat het misschien vervelende drammers waren die het altijd over de oorlog hadden. Maar het bleken heel leuke mensen te zijn. Ze klopten zichzelf niet op de borst en hadden een hekel aan de termen “verzetsheld” en “verzetsstrijder”. Velen van hen die ik hebben leren kennen waren ruimdenkend en hielden niet van hiërarchie. Ze namen je als jonge medewerker serieus en vonden het hartstikke fijn dat je hun verhaal wilde doorgeven. Voor de tentoonstellingsmakers was het een voordeel dat je altijd levende bronnen om je heen had. Als je een citaat nodig had over een wapendropping, dan belde je even iemand en binnen no-time had wat je zocht.

We hebben nu geen levende bronnen meer tot onze beschikking. De personen die we opvoeren in de nieuwe vaste opstelling zijn vrijwel allemaal overleden. Maar er zijn ontzettend veel interviews afgenomen en door internet zijn bronnen veel toegankelijker geworden. Dat maakt dat we de verhalen goed kunnen blijven vertellen en er ook nog een persoonlijke invalshoek aan kunnen geven.’

‘Ik vond verzetsmensen veel leuker dan ik had verwacht’

Waarom vindt u het van belang de verhalen te blijven doorgeven?

‘Ze zijn relevanter dan ooit. Sommige mensen doen alsof Nederland nu bijna een dictatuur aan het worden is. Dan weet je dus niet waar je het over hebt. Ik wil jongeren laten zien wat leven onder een dictatuur werkelijk is. Namelijk heel wat anders dan een paar coronamaatregelen die misschien je bewegingsvrijheid wat beperken, of het stikstofbeleid van een gekozen regering waar boeren mee moeten omgaan.’

Moet een verzetsmuseum aandacht besteden aan actuele kwesties?

‘Ik heb samen met de andere instellingen die zijn aangesloten bij de Stichting Musea en Herinneringscentra ’40-’45 stelling genomen tegen het vergelijken van coronamaatregelen met de Holocaust. Ik ben zelf benaderd door “coronawappies”, die het Verzetsmuseum aanvankelijk als een potentiële bondgenoot zagen. Wij waren volgens hen bij uitstek een instantie die zich tegen de maatregelen zou moeten verzetten. Daar gaan we dan één keer tegen in, maar daarna houden we wel op met discussiëren. Je overtuigt die mensen toch niet. In zo’n duidelijk geval vind ik het niet moeilijk een standpunt in te nemen. Maar soms wordt mijn mening gevraagd over iets actueels, waar ik eerst een heel onderzoek naar zou moeten doen om de voors en tegens af te wegen. Die tijd heb ik meestal niet, dus ik ga het een beetje uit de weg. Alhoewel er binnen de organisatie en achterban geluiden te horen zijn dat we een meer activistische houding zouden kunnen aannemen, bijvoorbeeld met betrekking tot de Black Lives Matter-beweging.’

Komt in de nieuwe vaste opstelling de actualiteit aan bod?

‘Daar staat de geschiedenis voorop. Vanaf de oprichting van het museum werd er vanuit de achterban en subsidieverstrekkers druk uitgeoefend om te actualiseren en de link naar het heden te leggen, maar de historici in de staf waren toch altijd geneigd tot een historische benadering. Het is en blijft een worsteling hoe je een museum actueel maakt. Ook omdat de actualiteit steeds verandert. We kunnen op dit moment bijvoorbeeld allerlei parallellen aanwijzen tussen Poetins oorlog in Oekraïne en bepaalde aspecten van de Tweede Wereldoorlog, maar over vijf of tien jaar is de situatie misschien anders. Dan moeten we dat onderdeel van de tentoonstelling vervangen.

We laten bezoekers wel lessen trekken uit de bezettingstijd. In de afdeling Verzetsmuseum Junior doen de hoofdpersonen dat zelf. Aan het einde van de route vertellen zij welke conclusies ze trekken uit hun oorlogservaringen. Het Joodse meisje Eva is pessimistisch en vraagt zich af: als mensen elkaar zulke verschrikkelijke dingen aandoen, kunnen ze er dan wel wat van leren? De zoon van een verzetsman is optimistisch en zegt dat hij van zijn vader heeft geleerd dat je iets teweeg kunt brengen. Het NSB-meisje is cynisch. Zij heeft van de oorlog geleerd dat ze nooit meer iets met politiek te maken wil hebben, en nooit meer achter een leider aan wil lopen. Het allerlaatste jongetje geeft een alledaags politiek correct antwoord: oorlog mag nooit meer voorkomen. Zo reflecteren de hoofdpersonen op thema’s die in educatief opzicht relevant zijn. De jonge bezoekers kunnen daar weer op reageren. Ze worden zelf aan het denken gezet, zonder dat wij als museum iets voorkauwen.’

Bent u bang dat een deel van het publiek wegblijft als u duidelijker stelling zou nemen in maatschappelijke vraagstukken?

‘We willen schoolgroepen van alle soorten en maten binnenhalen. Zowel christelijke scholen uit Amersfoort als islamitische scholen uit Amsterdam zijn vaste bezoekers. Als we enorm activistisch worden, krijgt het Verzetsmuseum een reputatie die daar misschien niet goed bij past. Dat speelt een rol, maar het heeft ook te maken met capaciteit en waar onze belangrijkste expertise ligt. Een historisch verhaal zo simpel mogelijk vertellen zonder dat de nuances verloren gaan, dat is waar wij goed in zijn.’

Bas Kromhout is hoofdredacteur van Historisch Nieuwsblad.

Liesbeth van der Horst

(1961) is sinds 2003 directeur van het Verzetsmuseum Amsterdam. Na haar studie geschiedenis ging ze in 1988 als vrijwilliger bij het museum werken. Ze voerde enkele betaalde opdrachten uit, voordat ze in 1992 een vast dienstverband kreeg als conservator. Zeven jaar later maakte ze de vaste opstelling in gebouw Plancius, waar het museum naartoe verhuisde. Die werd gewaardeerd met een 9 in de Grote Museumtest 2002 van Historisch Nieuwsblad. Op dit moment werkt Van der Horst met haar team aan een geheel nieuwe opstelling, die vanaf 1 december aanstaande te zien zal zijn.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 10 - 2022