• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 2/2006

    Wat er terechtkwam van politieke vernieuwing sinds de jaren zestig

    Door: Bas Kromhout

    ‘Wij zijn geen politici,’ verklaarden de oprichters van D’66. Toch zouden ze op den duur tot het politieke establishment gaan behoren, net als de rebellen van Nieuw Links. Een overzicht van politieke vernieuwing: van de oproerkraaiers in de jaren zestig tot het Paasakkoord van 2005.

    ‘Een verzameling van vreemdsoortige antiquiteiten, die zich als hoogste doel hebben gesteld zich zo lang mogelijk te laven op het spreekgestoelte.’ Zo typeert het 27-jarige PvdA-partijbestuurslid Jan Nagel de Tweede Kamer der Staten-Generaal in 1966. Nagels uitspraak is tekenend voor het ongeduld van een jonge generatie, die op dat moment staat te rammelen aan de poorten van de macht.  Zoals vaak wanneer een nieuwe heerserskaste de vorige komt aflossen, wordt de aanspraak op de macht verpakt in idealisme.

    Twee zaken staan voor dergelijke nieuwkomers bij voorbaat vast. Eén: de zittende elite is ingeslapen, verkalkt en doof voor de stem van ‘het volk’, dat zij niet langer meer vertegenwoordigt. Zij moet verdwijnen. Twee: de troonpretendenten zelf zijn jeugdig en vitaal, verstaan de behoeftes en de uitdagingen van de moderne tijd wel en hebben daar een passend antwoord op. Deze pretentie wordt steevast samengevat in het woordje ‘nieuw’, uiteraard in directe tegenstelling tot alles wat ‘oud’ is: de Nieuwe Orde, Nieuwe Politiek.

    Ook de protestgeneratie van de jaren zestig voert haar gevecht om de macht onder de vlag van vernieuwing. De ingrediënten staan ongeveer vast: democratisering, ‘inspraak op alle niveaus’, verjonging en verlevendiging van de politiek. Maar in de praktijk worden de belangrijkste vernieuwingsclubs het nooit eens over de juiste mix. Dat blijkt wanneer zij samen de kans krijgen om hun idealen gestalte te geven.  
     

    Marktonderzoek

    Op 20 mei 1966 komen elf mensen bijeen in de Amsterdamse woning van de 34-jarige Hans van Mierlo, redacteur van het Algemeen Handelsblad. Het zijn voornamelijk dertigers die werken in de journalistiek en het bedrijfsleven; alleen het Amsterdamse VVD-raadslid Hans Gruijters heeft politieke ervaring. De reden van hun samenkomst is wat zij ervaren als een crisis in de Nederlandse politiek. 
               
    Meer welvaart en mobiliteit hebben de Nederlanders mondiger gemaakt. De verzuilde partijen hebben bijgedragen aan de emancipatie van arbeiders, gereformeerden en katholieken, maar zijn nu overbodig geworden en staan op instorten. Dat bewijst onder meer de opkomst van de populistische Boerenpartij, die (protest)stemmen wegtrekt bij alle zuilen. Protest klinkt er ook van de kant van de studerende jeugd, met name in de hoofdstad. De hevige rellen rond het huwelijk van Beatrix en Claus op 10 maart hebben de elf in hun overtuiging gesterkt dat het gezag zijn legitimiteit heeft verloren. ‘Ik kreeg het idee dat er gevaarlijke dingen aan het gebeuren waren,’ zal Van Mierlo zich later herinneren. 
            
    Om de kloof tussen overheid en burgers te dichten, zo vinden de elf, moeten de Nederlanders rechtstreeks kunnen kiezen door wie zij willen worden bestuurd. Bovendien moeten politici heldere standpunten innemen en zich daaraan houden, zodat de kiezer weet waar hij aan toe is. Het links-rechtsschema is achterhaald en schept niet langer de gewenste duidelijkheid. Liever zien de elf vernieuwers dat politici discussiëren over praktische oplossingen voor de problemen in het land, in plaats van elkaar te bestoken met ideologische dogma’s. 
        

    Over de wenselijkheid van referenda worden de Democraten het niet eens; dit punt ‘dient nader te worden bestudeerd’

    Deze opvatting heeft veel weg van de doorbraakgedachte zoals die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geformuleerd in het gijzelaarskamp in St.-Michielsgestel. Niet toevallig was het toverwoord ook toen ‘vernieuwing’. Deze vernieuwingsbeweging werd na 1945 echter in de kiem gesmoord doordat de oude verzuilde partijen zich hergroepeerden. Nu twintig jaar later de ontzuiling eindelijk in gang is gezet, lijkt de tijd rijp voor een nieuwe poging. 

    De elf dopen zichzelf de Initiatiefgroep D’66 – de D staat voor Democraten – en kiezen Van Mierlo tot hun leider. Voordat de groep het aandurft zich te ontpoppen tot partij, wil deze eerst een marktonderzoek houden om te zien of die op voldoende aanhang kan rekenen. Reclamemakers ontwerpen een vlotte brochure waarin de ideeën van de Democraten staan uitgelegd. ‘Er gebeuren treurige dingen in dit land,’ stellen zij die ‘geen politici’ willen zijn. Het Appèl is voor één gulden te koop bij de boekhandel en bevat een antwoordkaart die mensen kunnen terugsturen om hun steun te betuigen. Zo’n 2500 Nederlanders geven aan de oproep gehoor. 
             
    Hierop besluiten Van Mierlo en de zijnen de sprong te wagen. De Amsterdamse RAI is uitgekozen als decor voor de oprichtingsvergadering van de nieuwe partij op 17 en 18 december 1966. Maar omdat – getrouw aan de eigen democratische beginselen – elke bezoeker zijn zegje mag doen, blijken twee dagen te kort en verzandt de bijeenkomst in chaos. Als veel mensen teleurgesteld richting garderobe lopen, klimt Van Mierlo in een kunstwerk en smeekt hun om de vergadering tussen Kerst en Oudjaar voort te zetten. De mythe wil dat hij de nieuwe partij zo redt van de prenatale dood. Op 27 december ziet D’66 in hotel Krasnapolsky alsnog het levenslicht. 
            

       
    In haar partijprogramma pleit D’66 voor rechtstreekse verkiezing van de minister-president en de burgemeester en het afschaffen van de Eerste Kamer. Over de wenselijkheid van referenda worden de Democraten het niet eens; dit punt ‘dient nader te worden bestudeerd’. Verder wenst D’66 een districtenstelsel waarin de Nederlandse partijen zullen opgaan in een conservatief en een progressief blok, wat de duidelijkheid in de politiek ten goede komt. 
               
    In de campagne voor de verkiezingen van 15 februari 1967 valt D’66 op met vernieuwende tv-spots en posters. Het optimisme is groot: lijsttrekker Van Mierlo verklaart dat D’66 zichzelf zal opheffen als de partij niet minimaal zes zetels behaalt, en voorspelt dat de oude partijen spoedig zullen ‘ontploffen’. Het resultaat valt niet tegen: D’66 komt op zeven zetels – evenveel als de Boerenpartij. De beloofde ‘ontploffing’ blijft echter uit. 
     

    Verjongingskuur

    Een van de verliezers van de verkiezingen van 1967 is de Partij van de Arbeid. Zij krijgt de steun van slechts een kwart van het electoraat en lijkt veroordeeld tot een lange periode in de oppositiebanken. Tegen deze achtergrond steekt binnen de partij een groep jongeren de kop op die zich afficheert als ‘Nieuw Links’. Hun opvattingen over vernieuwing stemmen op veel punten overeen met die van de ‘Boerenpartij voor intellectuelen’, zoals D’66 soms spottend wordt genoemd. 
               
    Zo pleit de eerder genoemde Jan Nagel in zijn op 6 september 1966 verschenen boekje Ha, die PvdA! voor democratisering op alle niveaus. Studenten en werknemers moeten medezeggenschap krijgen in universiteit en bedrijf; burgemeesters horen te worden gekozen in plaats van benoemd, de monarchie moet worden afgeschaft. Verder heeft de PvdA volgens Nagel een verjongingskuur nodig. De boodschap wordt in november herhaald in de brochure Tien over Rood, met bijdragen van de econoom Hans van den Doel, De Groene-redacteur Han Lammers en VARA-perschef André van der Louw. 
               
    Toch is bestuurlijke hervorming niet de voornaamste eis van Nieuw Links. Veel meer dan D’66 is de groep geïnteresseerd in sociaal-economische vraagstukken; zo pleiten de jongelingen in de PvdA voor verregaande nivellering van de inkomensverschillen. Nieuw Links wil het socialistische gedachtegoed nieuw leven inblazen en niet, zoals D’66, de politiek van zijn ideologische veren ontdoen. Als de Nieuw Linksers het districtenstelsel omarmen, dan vooral omdat zij verwachten dat zo’n stelsel meer mogelijkheden zal scheppen voor een groot progressief blok, gedomineerd door de eigen PvdA. De tegenstrijdige belangen van Nieuw Links en D’66 zullen dan ook vol aan het licht treden als zij de kans krijgen om samen hun vernieuwingsboodschap gestalte te geven. 
         

    Tijdens een bewogen partijcongres van D’66 keurt 49 procent van de leden de linkse samenwerking af: net niet genoeg om de koers om te buigen, maar voldoende om de partij in een identiteitscrisis te storten

    In 1971 gaat een belangrijke wens van veel vernieuwingsaanhangers in vervulling: bij de verkiezingen trekken PvdA en D’66 gezamenlijk op, aangevuld met de links-christelijke PPR. Het stembusakkoord wordt gezien als een eerste stap in de richting van één grote Progressieve Volkspartij. De samenwerking pakt goed uit: het blok wint acht zetels. Niettemin slagen de confessionelen en liberalen erin de progressieve partijen uit de regering te houden. Zij worden daarbij geholpen door DS70, een afsplitsing van oud-PvdA’ers die vinden dat de moederpartij onder invloed van Nieuw Links te radicaal is geworden. 
               
    Ondertussen klinken binnen D’66 steeds krachtiger stemmen tegen de samenwerking. Medeoprichter Gruijters moet niets hebben van de flirt met de PvdA en vindt dat de partij haar positie als alternatief voor rechts én links moet behouden. Tijdens een bewogen partijcongres in Biddinghuizen keurt 49 procent van de leden de linkse samenwerking af: net niet genoeg om de koers om te buigen, maar voldoende om D’66 in een identiteitscrisis te storten. Van Mierlo overweegt in deze dagen serieus om op te stappen.  
     

    Verraad

    Als het nieuwe kabinet na een jaar al valt, gaan D’66, PvdA en PPR toch weer met een gezamenlijk program de nieuwe verkiezingen in. Het stuk krijgt de titel Keerpunt 1972 en de inhoud is bij vlagen al even ronkend: ‘De laatste regeringscrisis betekent meer dan de ineenstorting van een slecht beleid. Het is een signaal dat het getij van de opkomende democratisering, de doorbreking van de bestaande machtsverhoudingen, niet meer kan worden gekeerd.’ Toch is bestuurlijke vernieuwing niet het voornaamste programmapunt, en daar loopt de Nederlandse kiezer ook niet erg warm voor. Werkloosheid en woningnood staan beduidend hoger op de agenda. 
               
    Opnieuw wint het progressieve blok zetels, maar dit keer eerder ondanks dan dankzij de kampioenen van de bestuurlijke hervorming, want D’66 levert er vijf in. De linkse winst komt voor rekening van de christen-radicalen en de sociaal-democraten, die campagne voeren onder het motto ‘een nieuwe PvdA’. Op de verkiezingsposters prijkt behalve lijsttrekker Joop den Uyl ook de Nieuw Linkse partijvoorzitter Van der Louw – volgens vakbondsleider André Kloos in een perfecte gelijkenis met Lenin en Stalin. 
               

    Wanneer in maart 1974 slechts 1 procent van de bevolking op D’66 stemt, twijfelt fractievoorzitter Jan Terlouw openlijk aan het voortbestaan van zijn partij

    Na een moeizame formatie mag Den Uyl op 11 mei 1973 een kabinet presenteren dat de steun heeft van PvdA, D’66 en PPR, aangevuld met ARP en KVP. Al snel blijkt dat de voorstellen voor bestuurlijke vernieuwing weinig prioriteit krijgen. Als in september bovendien duidelijk wordt dat de PvdA – en met name Nieuw Links – het idee van één Progressieve Volkspartij laat vallen, spreekt D’66 van ‘verraad’. 
               
    De onvrede richt zich op de man die D’66 volgens eigen woorden in ‘dit krankzinnige avontuur’ heeft gestort: Van Mierlo. Deze geeft het roer over aan Jan Terlouw. De nieuwe fractievoorzitter twijfelt openlijk aan het voortbestaan van D’66, zeker als bij de Provinciale-Statenverkiezingen van maart 1974 nog slechts 1 procent van de bevolking op deze partij stemt. Met de gemeenteraadsverkiezingen voor de deur raadt Terlouw de afdelingen zelfs aan om ‘het maar te laten’. 
               
    Op 21 september stemt in Amsterdam een meerderheid van de leden voor opheffing van D’66. Alleen een ondemocratisch besluit van het partijbestuur kan D’66 van de definitieve ondergang redden. De partij blijft in naam bestaan, maar telt landelijk nog maar 350 leden en moet het doen zonder secretariaat. ‘De droom is voorbij,’ zo duidt partijhistoricus Menno van der Land dertig jaar later dit moment.  
     

    Operatie Lazarus

    Ondertussen hebben de voormalige rebellen van Nieuw Links een stevige voet tussen de poorten van de macht weten te zetten. Drie Nieuw Linksers bekleden in het kabinet-Den Uyl de functie van staatssecretaris (Marcel van Dam, Gerrit Klein en Wim Meijer) en één die van minister (Irene Vorrink). Lammers wordt wethouder in Amsterdam; Van der Louw schopt het tot burgemeester van Rotterdam. Hun coup is geslaagd, hun jeugdige protesten lijken verstomd. 
               
    Ook hun oude strijdmakkers besluiten het over een andere boeg te gooien. Onder leiding van Terlouw verandert D’66 van een rebellenclub in ‘het redelijke alternatief’, voor de kiezer die niet wil kiezen tussen links of rechts. Binnen D’66 spreekt men trots van een ‘vierde stroming’ in de Nederlandse politiek, naast de socialistische, de liberale en de confessionele. Het is een stroming zonder ideologische basis, en volgens critici binnen en buiten de partij ook zonder eigen gezicht. 
               
    Ondanks, of misschien wel dankzij dit gebrek aan profiel, lukt het D’66 na de val van het kabinet-Den Uyl in 1977 met acht man terug te komen in de Tweede Kamer. Bij de verkiezingen drie jaar later komen er nog negen bij. ‘Operatie Lazarus’ is geslaagd. D’66 durft het zelfs weer aan om te regeren en neemt samen met CDA en PvdA zitting in het tweede kabinet-Van Agt. Gezien de eerste ervaring met het pluche is dit een heikele stap, die dan ook algauw tot nieuwe averij leidt. D’66 bezet ministersposten waarmee de partij slecht kan scoren bij de achterban: Verkeer en Waterstaat, Defensie en Economische Zaken. Van het onderwerp milieu – een belangrijk nieuw speerpunt van de partij – wordt weinig meer vernomen. Hetzelfde geldt voor bestuurlijk vernieuwing. Het leidt na de snelle val van Van Agt II tot een volgende electorale afstraffing: van zeventien naar zes zetels. 
          

    Onder Van Mierlo’s hernieuwde leiding stoft D66, voortaan zonder apostrof, zijn oude idealen af

    De redding moet komen van Van Mierlo. ‘Hebben we nog een raison d’être, en welke is dat dan?’ vraagt hij de leden op 14 juni in 1985. ‘Of zijn we – ook voor onszelf – alleen maar het speeltje uit de zestiger jaren, dat door het electoraat van de tachtigers verveeld terzijde wordt gelegd?’ ‘Mister D’66’, inmiddels 54 jaar oud, heeft er nog wel vertrouwen in. Onder zijn hernieuwde leiding stoft D66, voortaan zonder apostrof, zijn oude idealen af. Dit keer krijgt ook het referendum een plek in het partijprogramma. Dankzij het vertrouwde charisma van Van Mierlo begint de partij weer aan een gestage electorale opmars. Het hoogtepunt vormen de verkiezingen van 1994. D66 haalt een record van 24 zetels en ziet een oude droom in vervulling gaan: een kabinet zonder confessionelen, waarin ideologische tegenstellingen lijken opgeheven en dat regeert op basis van redelijkheid en haalbaarheid.  

    Toch loopt ook Paars uit op een teleurstelling. De eerste vier jaren geniet het kabinet onder leiding van PvdA’er Wim Kok brede steun van de bevolking, niet in de laatste plaats vanwege de florerende economie. Maar D66, dat zichzelf beschouwt als het cement en het hart van Paars, weet daar niet van te profiteren. Bij de verkiezingen van 1998, die de partij in gaat onder aanvoering van Els Borst, wordt het bijna gehalveerd. 
               
    De hoop van D66 is gevestigd op de afspraak met de coalitiepartners om in de wet de mogelijkheid van een referendum te scheppen, waarmee burgers een regeringsbesluit kunnen blokkeren. Op 18 mei 1999 buigt de Senaat zich over het corrigerend referendum. Senator Hans Wiegel van de VVD stemt tegen en daarmee is het voorstel van de baan. De Democraten concluderen dat zij nu niets meer in het kabinet te zoeken hebben en sturen Kok naar de koningin. 
               
    Twee weken later echter komen zij schoorvoetend op hun beslissing terug. Kok II vervolgt zijn weg mét D66, dat als pleister op de wonde een tijdelijke wet krijgt die voorziet in een raadgevend – dus niet bindend – referendum. De kiezer schudt zijn hoofd over zoveel halfslachtigheid. Het valt niet mee de vernieuwers van weleer nog te onderscheiden van de andere beroepspolitici aan het Binnenhof, even opportunistisch en verliefd op het pluche.  
     

    Taboe-onderwerp

    Als er sprake is van een nieuwe wind in de Nederlandse politiek, dan waait die uit een andere hoek dan de beschaafde redelijkheid van Gerrit-Jan Wolffensperger of het vaderlijk-regenteske van Laurens-Jan Brinkhorst. In een aantal gemeenten zijn onafhankelijke partijen opgericht, die openlijk de confrontatie zoeken met het politieke establishment. De bekendste zijn Leefbaar Utrecht, onder leiding van popmuzikant en dj Henk Westbroek, en Leefbaar Hilversum. Bij deze laatste club duikt een vernieuwer van het eerste uur weer op: Jan Nagel. 
               
    Nagel lijkt de politiek in 1983 vaarwel te hebben gezegd, toen hij afscheid nam van de Eerste Kamer. Alleen is hij in 1991 nog losjes betrokken bij een zogenoemde brainstormgroep rond André van der Louw, die – hoe kan het ook anders? – de PvdA wil ‘vernieuwen’. Van der Louws ‘coup’ blijkt echter een storm in een glas water, en Nagel concentreert zich weer op zijn redacteurschap bij de VARA. Totdat hij zich twee jaar later in zijn woonplaats Hilversum laat strikken voor een nieuwe lokale partij, die de verkeersproblematiek in de mediastad wil aanpakken. Leefbaar Hilversum wordt onmiddellijk de grootste partij, net als de club van Westbroek in Utrecht. 
               
    Journalisten spreken van een burgeropstand tegen de gevestigde politiek. Nagel en Westbroek krijgen de smaak te pakken en lanceren in 1999 de landelijke partij Leefbaar Nederland. Vernieuwingsleuzen uit de jaren zestig worden gerecycled: LN streeft naar een ‘Nieuwe Politiek’, waarin politici zich aan hun woord houden, verantwoording afleggen voor hun daden en niet stiekem deals sluiten met hun opponenten. Ook pleit de nieuwe partij voor uitbreiding van de referendumwet en een gekozen premier en burgemeester. 
         

    Anders dan in de jaren zestig zijn de politieke vernieuwers nu merendeels rechts voelende en voorheen apolitieke Nederlanders die het recht opeisen om ‘te zeggen waar het op staat’

    Leefbaar Nederland boort een enorm electoraat aan. Anders dan in de jaren zestig zijn het geen jonge linkse academici die inspraak voor ‘het volk’ willen, maar merendeels rechts voelende en voorheen apolitieke Nederlanders uit alle lagen van de bevolking, die het recht opeisen om ‘te zeggen waar het op staat’. Daarbij wordt vooral gedacht aan het taboe-onderwerp immigratie, zo blijkt uit de populariteit van de lijsttrekker van Leefbaar Nederland, Pim Fortuyn, die op dit terrein de ene controversiële uitspraak na de andere doet. 
               
    Hoezeer het succes van de partij afhankelijk is van deze man blijkt als Fortuyn – juist vanwege zijn uitspraken over immigratie – door Nagel en de zijnen wordt afgeserveerd. Leefbaar Nederland valt ver weg in de peilingen, terwijl Fortuyn aan een solo-opmars begint. Na eind 2001 de PvdA in Rotterdam te hebben weggevaagd, kan slechts een milieuactivist met een pistool verhinderen dat Fortuyn die stunt bij de landelijke verkiezingen in het voorjaar van 2002 herhaalt.  
     

    Paasakkoord

    Na de moord op Pim Fortuyn lijkt de vernieuwingsbeweging in een impasse te verkeren. Ironisch genoeg komt de partij waar traditioneel gezien de minste vernieuwing van te verwachten valt, het CDA, weer aan de macht. De partij die Fortuyn heeft achtergelaten mag in 2002 proberen mee te regeren, maar bezorgt de Nieuwe Politiek alleen maar een slecht imago. Na een regeerperiode van slechts tien maanden, waarvan zeven demissionair, wordt de LPF ingewisseld voor D66. Die partij krijgt in ruil voor het in het zadel houden van het kabinet-Balkenende een minister voor Bestuurlijke Vernieuwing in de persoon van Thom de Graaf. Zijn twee speerpunten zijn: hervorming van het kiesstelsel en de invoering van de gekozen burgemeester. 

    Op 22 maart 2005 komt het voorstel om de burgemeestersbenoeming af te schaffen in de Eerste Kamer. In navolging van haar achterban, die de hoogste burger door de gemeenteraad willen laten kiezen, stemt de PvdA-fractie tegen. Daardoor wordt de vereiste tweederde meerderheid niet gehaald. De woede van D66 richt zich vooral op de PvdA-fractievoorzitter Ed van Thijn, nota bene zelf sinds de jaren zestig pleitbezorger van bestuurlijke vernieuwing. Omdat De Graaf van de coalitiepartners bovendien weinig steun krijgt voor zijn kiesstelselhervorming, besluit hij af te treden.

    Maar de partijtop wil een kabinetscrisis voorkomen en sluit met VVD en CDA het zogeheten Paasakkoord. Dit akkoord betekent wat bestuurlijke vernieuwing betreft slechts nog verder uitstel. Volgens partijleider Boris Dittrich staan andere politieke issues inmiddels hoger op het prioriteitenlijstje van D66.

    Dittrich ontpopt zich tot een ware machtspoliticus, die echter een jaar later in het Afghanistan-debat zijn hand overspeelt en als fractievoorzitter het veld moet ruimen. Ondanks het door D66 verafschuwde besluit om troepen naar Afghanistan te sturen kiest de partij er opnieuw voor om in de regering te blijven, in plaats van haar eerdere dreigement om eruit te stappen gestand te doen. Het is het zoveelste teken dat de radicale vernieuwers van weleer definitief zijn toegetreden tot het Haagse establishment.

    Dat geldt al veel langer voor de gewezen rebellen van Nieuw Links met uitzondering wellicht van Jan Nagel, die er nog altijd plezier in heeft ‘het zaakje in Den Haag eens flink op te stoken’ door nieuwe charismatische outsiders op het politieke podium te helpen.

    Meer informatie 
    Boeken
    Een overzichtelijke geschiedenis van de verschillende vernieuwingsbewegingen in de Nederlandse politiek sinds de jaren zestig is nog niet geschreven. Over de voornaamste exponent D66 echter verscheen in 2003 een dik proefschrift van Menno van der Land, politicoloog en partijbestuurslid in Leiden. Ondanks de persoonlijke band met zijn onderzoeksonderwerp gaf Van der Land zijn werk de omineuze titel Tussen ideaal en illusie. De geschiedenis van D66, 1966-2003
               
    Verder moet het verhaal van de vernieuwing brokstuksgewijs uit meer algemene studies naar de Nederlandse politiek worden opgediept. Aan te bevelen zijn de redes en essays van Hans Daalder, gebundeld in Van oude en nieuwe regenten (1995).

    Verder verdient Wil Klaassens De progressieve samenwerking van PvdA, D’66, PPR en PSP, 1966-1977 (2000) in dit verband vermelding, al was het maar omdat de auteur dit werk in eigen beheer heeft uitgegeven. De opkomst en ondergang van de vernieuwingsbeweging komt ook uitgebreid aan bod in Het tweede kabinet-Den Uyl. Linkse idealen en mislukkingen 1966-1994, geschreven door Jan Joost Lindner. 
               
    Twee prominente Nieuw-Linksers hebben hun politieke memoires geschreven, Jan Nagel in Boven het maaiveld (2001) en André van der Louw in Op de huid van de tijd (2001). Beide boeken geven echter teleurstellend weinig inzicht in de motieven en achtergronden van Nieuw Links. Ze lezen als uitgebreide cv’s, die vooral de eigen belangrijkheid van de auteurs moeten onderstrepen. Pikant is dat Nagel en Van der Louw beide een heel hoofdstuk wijden aan het bezoek dat zij in 1972 namens de PvdA brachten aan Nicolae Ceaușescu, zonder dat zij daar achteraf kanttekeningen bij plaatsen. Bij die gelegenheid spraken zij de Roemeense dictator zelfs aan met ‘kameraad’.

    Afbeelding: Jan Pronk en Hans van Mierlo tijdens de beëdiging van (nieuwe) Kamerleden in 1986 (Nationaal Archief)