De radicaal-rechtse partij Rassemblement National heeft terrein gewonnen bij de gemeenteraadsverkiezingen in Frankrijk. Sinds de tweede helft van de negentiende eeuw heeft het land veel radicaal-rechtse bewegingen gekend. Over de vraag hoe bepalend die zijn geweest voor de opkomst van het fascisme bestaat nog steeds discussie.
In de tweede helft van de negentiende eeuw droegen Franse denkers bij aan de eerste contouren van een fascistische ideologie. Zo bepleitte de aristocraat Arthur de Gobineau in zijn Essai sur l’inégalité des races humaines (1853-1855) de superioriteit van de ‘ariër’ ten opzichte van de gekleurde ‘rassen’, in het bijzonder van ‘de Jood’. Volgens Gobineau konden ‘ariërs’ andere volkeren overheersen, zolang ze bleven waken over de zuiverheid van hun ras. Hiermee legde hij de basis voor het ‘wetenschappelijke’ racisme, dat in de late negentiende eeuw steeds vaker gecombineerd werd met sociaal-darwinistische ideeën.
Twee decennia later ontstond een politieke voedingsbodem voor dergelijk gedachtegoed. In de zomer van 1870 verklaarde de Franse keizer Napoleon III de oorlog aan Pruisen. De spectaculaire nederlaag die daarop volgde betekende niet alleen het einde van het Franse keizerrijk, maar trok ook een zware wissel op de politiek en maatschappij. Frankrijk verloor Elzas en Lotharingen aan Duitsland en kreeg hoge herstelbetalingen opgelegd. En in de spiegelzaal van het paleis van Versailles werd het Duitse keizerrijk uitgeroepen. Dat zorgde voor een cultuur van vernedering, bitterheid en revanche.
De Franse Derde Republiek, die ontstond uit een ongemakkelijk compromis tussen conservatieven en liberalen, zou lange tijd gebukt gaan onder de associatie met de nederlaag waaruit ze geboren was. Ter linkerzijde werd de republiek bovendien gehaat vanwege de nietsontziende manier waarop haar leiders hadden afgerekend met de revolutionaire opstand van de Parijse Commune (1871). Frankrijk werd zo een gistend vat van radicaal nationalisme en politieke experimenten.
Dreigende staatsgreep
Uiteindelijk zou de Derde Republiek bijna zeventig jaar standhouden, maar daar zag het in het begin niet naar uit. De opkomst van generaal Georges Ernest Boulanger bracht het systeem serieus in gevaar. Als minister van oorlog was Boulanger zeer populair geworden en vanaf 1887 hing een staatsgreep in de lucht. Die zou moeten leiden tot oorlog met Duitsland, herziening van de grondwet en herstel van de monarchie. Pogingen van de regering om de generaal op een zijspoor te zetten maakten hem alleen maar populairder. De autoritair-populistische Boulanger werd bezongen in liedjes en de aanhangers van het boulangisme stemden massaal op hun voorman, ook bij verkiezingen waar hij helemaal niet aan meedeed.

Uiteindelijk aarzelde Boulanger te lang om te macht te kunnen grijpen. Gekweld door een opiumverslaving, zijn dreigende arrestatie en de snelle instorting van zijn politieke projecten, vluchtte hij naar Brussel, waar hij zelfmoord pleegde op het graf van zijn maîtresse.
Het eerste ‘nationaal socialisme’
De invloedrijke schrijver en politicus Maurice Barrès behoorde tot de aanhangers van Boulanger. Hij formuleerde een nieuw nationalisme, dat antisemitisch was en fel gekant tegen de republikeinse waarden van gelijkheid en universalisme. Barrès stelde daar afstamming en contact met de Franse bodem tegenover. Dit impliceerde dat een ‘vreemdeling’, of die nu een Jood was of een ander soort ‘buitenstaander’, niet kon voelen wat een Fransman voelde en dus ook nooit deel uit kon maken van het Franse volk. In 1898 stelde Barrès zich kandidaat voor een zetel in het parlement, op een kieslijst die hij de naam ‘nationaal socialisme’ gaf.
Barrès had politiek geen succes, maar zijn antisemitische geestverwanten waren zeer invloedrijk. Zo gold de journalist en politicus Édouard Drumont in de late negentiende eeuw als de ‘paus van het antisemitisme’. Via boeken, een eigen krant en de door hem geleide Ligue Nationale Anti-sémitique de France ventte hij zijn obsessies uit met de veronderstelde Joodse overheersing van Frankrijk. Vanaf 1894 stortte Drumont zich vol overtuiging in de Dreyfus-affaire.
Ontdekking van de massahysterie
Mede onder invloed van de Dreyfus-affaire, waarin feiten soms ver te zoeken waren, onderzochten Franse sociaalpsychologen als Georges Sorel en Gustave Le Bon de mechanismen achter de politisering van grote groepen mensen. Georges Sorel wees op de kracht van politieke ‘mythes’ als mobilisatie-instrument. Het maakte daarbij niet uit of deze mythes op waarheid berustten, zolang ze maar krachtig genoeg waren om mensen in beweging te krijgen. Sorel beschouwde zichzelf als socialist, maar dat weerhield hem er niet van om in de vroege twintigste eeuw samenwerking te zoeken met extreem-rechtse groepen in de hoop een politieke synthese te vinden van antiburgerlijke revolutie en radicaal nationalisme.
Le Bon analyseerde in Psychologie des foules (1895) het karakter en gedrag van mensenmassa’s. Zijn centrale observatie was dat de verstandigste en beschaafdste mensen een groot deel van hun kritische vermogens verloren op het moment dat ze deel uitmaakten van een massa. Deze massa was volgens Le Bon irrationeel, emotioneel tot op het hysterische af en vatbaar voor beïnvloeding door een volksmenner. Kortom: in essentie was ze ‘vrouwelijk’.
Zijn observaties zouden een lang leven gaan leiden. De Italiaanse leider Benito Mussolini, een enthousiast lezer van Le Bon, beschouwde zichzelf als een ultramannelijke volksmenner die de beïnvloedbare en wispelturige massa op een bijna seksuele manier domineerde. En Adolf Hitler schreef in Mein Kampf met dezelfde combinatie van fascinatie en dedain over de domheid, vergeetachtigheid en ‘vrouwelijke’ emotionaliteit van een mensenmassa.
Veel concurrentie op rechts
Fascisme als politieke ideologie ontstond aan het einde van de Eerste Wereldoorlog met de opkomst van Mussolini . Ook hierin speelde Frankrijk een rol. Subsidies van de Franse geheime dienst hadden Mussolini in 1914 in staat gesteld om zijn krant Il Popolo d’Italia op te richten, een belangrijk instrument in zijn politieke campagnes. Na de ‘Mars op Rome’ werd Mussolini in 1922 premier, en de buitenlandse uitstraling van het Italiaanse fascisme leidde tot de oprichting van fascistische partijen in verschillende landen.
Zo ook in Frankrijk. Maar dan wel binnen een speelveld dat al in de late negentiende eeuw was ontstaan. Er bestonden al verschillende radicaal-nationalistische ligues zoals de katholieke, monarchistische en antisemitische Action Française.
Journalist en politicus Georges Valois, die eerder samen met Sorel had getracht om tot een synthese te komen van nationalisme en revolutionair syndicalisme, maakte zich in 1925 daarvan los om Le Faisceau op te richten. Faisceau was een directe vertaling van het Italiaanse woord fascio. En net als de Duce richtte Valois richtte zich primair op oorlogsveteranen. Hij porde hen op tegen het liberalisme en communisme en verklaarde dat ze klaar moesten staan om de macht te grijpen. Le Faisceau groeide aanvankelijk zeer snel, maar stuitte op gewelddadige tegenstand van de rechts-nationalistische Action Française, die deze concurrent niet duldde.

Naast Action Française en Faisceau bestonden er nog andere met elkaar concurrerende extreem-rechtse partijen en ligues, zoals de Jeunesse Patriote van champagnemagnaat Pierre Taittinger, de veteranenmilitie Croix-de-Feu van kolonel François de la Rocque en de ‘Groenhemden’ van boerenleider Henri Dorgères. Leden groetten elkaar met geheven rechterarm en veel partijen ontwikkelden een uitgebreide liturgie van uniformen, parades en leiderschapsrituelen.
Vaak ontvingen ze ook geheime subsidies uit Italië en/of Duitsland. Hun relatie met centrum-rechtse conservatieven was ingewikkeld. Bezorgde conservatieven zochten graag de samenwerking met fascisten toen er een linkse regering zat, zoals in 1924 en 1932. En zeker na de overwinning van het Front Populaire in 1936. Maar als rechts zelf aan de macht was, dan waren de oproerkraaiers ineens een stuk minder gewenst.
‘Liever Hitler dan Blum!’
In de jaren dertig veranderde er iets. Onder invloed van de economische crisis en de opkomst van de nazi’s raakten steeds meer Fransen ervan overtuigd dat de democratie haar beste tijd had gehad. Terwijl de Franse politiek worstelde met schandalen en instabiliteit, leken de fascistische regimes van het ene succes naar het andere te marcheren.
Op 6 februari 1934 leidde een financieel schandaal tot een demonstratie van extreem-rechtse en fascistische organisaties, die uitliep op grootschalige rellen en een poging tot bestorming van het parlement waarbij 17 mensen om het leven kwamen. Geschrokken socialisten, communisten en liberalen sloten hierop een antifascistisch samenwerkingsverband dat onder de naam Front Populaire (Volksfront) twee jaar later de verkiezingen won.
Ook aan de rechterzijde was de impact van de rellen groot. Jonge intellectuelen zoals de romanschrijver Pierre Drieu la Rochelle en de journalist Bertrand de Jouvenel raakten ervan overtuigd dat een fascistische revolutie ook in Frankrijk mogelijk was. In 1936 sloten ze zich aan bij de Parti Populaire Français (PPF), opgericht door de voormalig communist Jacques Doriot. In Doriot meenden ze de dynamische fascistische volkstribuun te hebben gevonden die het ‘Joodse gevaar’ zou beteugelen, het parlementaire systeem zou wegvagen en een alliantie sluiten met Italië en Duitsland. Een ideaal haatobject werd gevormd door Léon Blum, de Joodse socialist die premier werd namens het Front Populaire. De kreet ‘Liever Hitler dan Blum!’ deed opgeld onder PPF-aanhangers en andere Franse fascisten.
Collaboratie met de Duitsers
In ledental werd de PPF overvleugeld door de Parti Social Français (PSF) van François de la Rocque. De PSF was ontstaan uit de organisatie Croix-de-Feu en bereikte in de late jaren dertig een ledental van 1 tot 1,5 miljoen. Daarmee was ze de grootste partij van het land. La Rocque sloeg een gematigder toon aan dan Doriot, maar zijn partij werd ook gekenmerkt door een paramilitaire stijl, absolute gehoorzaamheid aan de leider en codetaal over een ‘uur U’, waarop de macht moest worden gegrepen.
Via de stembus hadden Franse fascisten weinig succes, ook omdat de opkomst van PPF en PSF net te laat kwam voor de verkiezingen van 1936. Maar hoe groot de impact van het fascisme was, blijkt wel uit de reacties op de nederlaag in mei-juni 1940. Terwijl de Wehrmacht oprukte naar Parijs, werd het republikeinse regime door velen verantwoordelijk gehouden voor de nederlaag.
Het gevolg was een radicale omwenteling die voor veel fascisten voelde als de gedroomde staatsgreep. In juni schaften parlement en senaat zichzelf af en droegen ze de volledige macht over aan de bejaarde maarschalk Philippe Pétain. Deze sloot een wapenstilstand met Duitsland en stichtte een dictatoriale État Français, met selectief aan het fascisme ontleende elementen zoals antisemitische wetten, persoonsverheerlijking van Pétain en nadruk op de Franse etnische gemeenschap.

Dankzij Pétains Vichy-regime en zijn collaboratie konden Franse fascisten veel van hun plannen realiseren. Het stoorde weinigen dat dit gebeurde onder leiding van Duitsland, dat naar hartenlust verdeel-en-heers speelde met de verschillende Franse groepen. Een enkeling koos voor het verzet, zoals Georges Valois, die in 1945 omkwam in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Maar overal in Frankrijk vormden fascisten de harde kern van de collaboratie, de vrijwilligers voor het oostfront en de uitvoering van de Holocaust.
‘Allergisch’ voor fascisme?
Sommige Franse historici beweren dat het fascisme in Frankrijk weinig voorstelde. Volgens hen waren de overeenkomsten met het fascisme slechts oppervlakkig. Extreem-rechtse partijen waren eigenlijk boulangistisch, bonapartistisch of legitimistisch (gericht op restauratie van het ancien régime). Bovendien beschouwen ze Frankrijk op basis van zijn lange republikeinse traditie als ‘allergisch’ voor het fascisme, dat alleen succes zou hebben gehad in jonge democratieën als Italië en Weimar-Duitsland. Tegenstanders bekritiseren de nauwe blik op het eigen nationale verleden en benadrukken de stormachtige groei van de Parti Social Français en Parti Populaire Français in de jaren dertig.
Beeld boven: Extreem-rechtse groepering Action Francaise demonstreert bij een beeld van Jeanne d’Arc in Parijs, 2023.
