Net als het Oekraïense leger nu, had Groot-Brittannië aan het begin van de Eerste Wereldoorlog een nijpend tekort aan ammunitie. Door het gebrek aan granaten verloor het Britse leger op 9 mei 1915 bij een aanval op Duitse loopgraven bij Aubers in één dag meer dan 10.000 soldaten, terwijl aan Duitse kant nog geen duizend man sneuvelden.
De verantwoordelijke minister van Oorlog, Herbert Kitchener, kreeg de schuld van het munitietekort. Volgens zijn collega-minister van Financiën, David Lloyd George, was Kitchener ongeschikt voor zijn functie. De regering wees Lloyd George aan als minister voor Munitie, die de shell crisis moest oplossen. Lloyd George pleitte voor een echte oorlogseconomie, waarin alles ondergeschikt werd gemaakt aan de militaire overwinning. De staat moest daarbij de controle hebben. Toen hij 1916 premier werd van Groot-Brittannië, versoepelde hij de begrotingsregels om grote sommen overheidsgeld in de wapenproductie te steken.
Het lukte Groot-Brittannië de granatencrisis te boven te komen. In korte tijd werd een omvangrijke wapenindustrie uit de grond gestampt. Lloyd George schreef dit succes helemaal op zijn eigen conto. Maar dat was niet terecht.
