Nog geen twee weken nadat een wapenstilstand een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog, liep de 14-jarige Elfriede von Jan in Straatsburg naar school. Franse militairen trokken die dag de stad binnen, maar Elfriede merkte er weinig van. Ze kwam wel een jongetje tegen dat dreigend met een mes op haar af kwam. ‘Hij zei tegen me: “Nu zijn jullie moffen aan de beurt om gedood te worden.”’ Elfriede tekende het incident op in haar dagboek. Het bleek de voorbode voor wat er nog meer aankwam. Elzas-Lotharingen was – na bijna vijftig jaar Duits bestuur – weer in Franse handen en dat beloofde weinig goeds voor de van oorsprong Duitse inwoners. Twee dagen nadat de jongen haar bedreigde, zag Elfriede complete chaos om zich heen in Straatsburg. ‘Duitse winkels zijn leeggeroofd. Bij vechtpartijen vielen doden. Op Brant-Platz werden bij een huis de ruiten ingeslagen. Het Duitse gezin dat er woonde is met de dood bedreigd. De daders gooiden alles op straat wat ze pakken konden: kasten, bedden, servies,’ schreef ze op 24 november 1918.
In de dagen erna veranderden de straten overal van naam. De Kaiser Wilhelmstrasse werd de Avenue de la République. Duitse winkels sloten de deuren. ‘En als ze openbleven, werden ze geplunderd.’ Elfriede zag affiches op straat hangen: ‘Gooi ze eruit, die moffenspionnen!’ en ‘Elzassers, neem nu wraak op de moffen!’

Dit artikel is exclusief voor abonnees
Op 1 december kwam haar tante Gertrud langs. ‘Ze zei dat we werden uitgezet. We kregen 24 uur om de stad te verlaten. We mochten alleen meenemen wat we zelf konden dragen.’ Haar tante had gelijk. Elfriedes vader Fritz von Jan was die dag gesommeerd op het Franse politiebureau te verschijnen. ‘Daar werd een verklaring voorgelezen. De Franse regering ging me het land uitzetten,’ schreef vader in zijn dagboek. ‘We moesten ons de volgende dag om 15.00 uur melden bij de brug over de Rijn. We mochten twintig kilo bagage meenemen.’
De familie Von Jan was van oorsprong Duits. Van Elfriedes opa is bekend dat hij al in Frankrijk woonde; hij werkte in Parijs. Elfriedes vader werd leraar in Straatsburg en daar werd ook Elfriede geboren. Maar die Duitse wortels van haar verre voorouders waren genoeg reden om te worden uitgezet. Dus vertrok ze, samen met haar vader en broertje, op last van de Fransen naar de brug over de Rijn. Aan de andere kant van het water lag Duitsland.

‘We liepen samen met zo’n driehonderd mensen,’ schreef ze. ‘Onderweg werden we door bewoners op straat uitgejouwd: “Stelletje varkens, ga terug naar je keizer, die bloedhond! We hebben de brug met vet ingesmeerd zodat jullie snel aan de overkant zijn.”’ Vrienden en bekenden gaven haar brieven mee, voor familie in Duitsland. ‘Die hadden we in mijn kleren genaaid. Want onderweg fouilleerden ze ons. Als ze brieven zagen werden die in beslag genomen.’ Het gezin stak op 2 december 1918 de Rijn over. Daar gingen ze naar Duitse vrienden voor onderdak. Helaas. ‘Er was geen plaats,’ schreef Elfriede in haar dagboek. Ze gingen naar andere bekenden, hopend op een slaaplek, hun koffers achter zich aan slepend. ‘Die konden ons er ook niet bij hebben.’ Pas op de derde plek waar ze kwamen bleek opvang te kunnen worden geregeld.
Te veel moffen
De meer dan honderd jaar oude dagboeken van het meisje en van haar vader zijn gevonden door de Franse amateurhistoricus Jean-Louis Spieser. Hij heeft een lijvig boek geschreven over de Duitsers die tussen 1918 en 1922 uit Elzas-Lotharingen werden uitgezet. Althans: hij heeft vooral vertaald. Spieser wilde de mensen aan het woord laten die destijds het slachtoffer waren, die door de Fransen de grens over werden gezet. Dus dook hij in archieven, speurde hij naar nabestaanden en las hij alles wat los en vast zat – vooral niet gepubliceerde privédocumenten en geschriften. Zolang het maar getuigenissen uit de eerste hand waren. Want dát verhaal wordt in Frankrijk nauwelijks verteld en wordt op Franse scholen nauwelijks onderwezen.
In Frankrijk zijn vooral de propaganda-affiches van kunstenaar Hansi (Jean-Jacques Waltz) bekend. Hij tekende juichende inwoners van Straatsburg die in 1918 met Franse vlaggen ‘onze heroïsche soldaten’ verwelkomden. Op een andere tekening staat: ‘Het vertrek van de moffen uit Colmar’. Je ziet er Duitsers – sullig getekend, met brilletjes en malle hoedjes – in een militaire truck stappen, onder toezicht van gewapende Franse militairen terwijl vrolijke Franse kinderen ze uitjoelen en met Franse vlaggen zwaaien. Diezelfde Franse kunstenaar omschreef de Duitse inwoners van Elzas-Lotharingen in 1919 als ‘Parasieten die zich jarenlang ongestoord hebben kunnen voortplanten.’ ‘Het enige verwijt dat de inwoners de Fransen kunnen maken is dat er nog te veel moffen zijn.’

Dat de Franse vlaggen inderdaad overal in de straten hingen, blijkt uit de brieven, dagboeken en documenten die Jean-Louis Spieser verzamelde. ‘Vanaf zondag 17 november hing heel de stad Metz vol met blauw-wit-rode vlaggen,’ schreef inwoner en onderwijzer Konrad Fischer in die tijd. ‘Auto’s vol Franse soldaten rijden door de straten. Ze worden door massa’s mensen toegejuicht. Het lijkt wel carnaval. Er is muziek en er wordt met confetti gegooid. Jonge vrouwen springen in de auto’s om op schoot te zitten bij de nieuwe bezetter.’
Amateurhistoricus
Jean-Louis Spieser is een gepensioneerde leraar Frans die zelf uit Elzas-Lotharingen komt. Hij schreef zijn boek Nous les expulsés D’Alsace-Lorraine, 1918-1922 (Wij de ontheemden uit Elzas-Lotharingen, 1918-1922) om een leegte te vullen. ‘Je hoort in Frankrijk nauwelijks wat er écht is gebeurd,’ zegt hij. Daarom zocht hij – vloeiend Duits sprekend, dankzij zijn Duitse opa – getuigenissen van mensen die destijds door Frankrijk het land werden uitgezet. Spieser draagt zijn boek op aan jongetje in het dorp Kiffis, wiens vader in 1918 werd gearresteerd omdat hij Duits was. ‘We hebben geen geld, we zijn van school gestuurd en we worden op straat bekogeld met stenen,’ schreef de jongen in een brief aan zijn vader in de cel. Spiesers eerste baan als leraar was op een school in datzelfde Kiffis. ‘Misschien heb ik er destijds wel mensen ontmoet die dat jongetje nog met stenen hadden bekogeld.’ Heel soms waren er ook lichtpuntjes. Een vrouw uit Straatsburg die in 1918 van de ene op de andere dag het land was uitgezet, keerde decennia later terug naar haar oude huis, ontdekte Spieser. Haar buren bleken al die tijd haar spullen op zolder voor haar te hebben bewaard.
Maar de Duitse stadsbewoner Fischer zag al snel de keerzijde. ‘De sfeer wordt met het uur grimmiger. Jongens en meisjes lopen arm in arm achter de Franse soldaten aan en schreeuwen steeds over moffen. ’s Avonds krijgt een groep fanatici het idee om standbeelden omver te halen. Het grote standbeeld van Kaiser Wilhelm I en het monument voor Kaiser Friedrich worden van hun sokkel getrokken.’
Het taalgebruik veranderde. ‘Niemand gebruikt meer het woord ‘Duitser’. Iedereen zegt ‘mof’. Niet alleen als je het over iemand hebt, maar ook gewoon om een Duitser aan te spreken,’ aldus Fischer. Hij beschrijft hoe beslag werd gelegd op bankrekeningen van Duitsers en hoe de pensioenen voor Duitse senioren werden stopgezet. ‘Een paar mensen hadden in café Windsor in het Duits zitten praten. Ze werden verraden en kregen acht dagen celstraf.’ En meer mensen eindigden achter de tralies. Fischer beschrijft hoe in Metz een Duitse uitgever en een Duitse ondernemer werden gearresteerd. ‘Het waren wraakacties om de Duitsers bang te maken. Zelfs Polizeikommissar Klingelhage werd midden op straat zonder uitleg opgepakt en het land uitgezet.’
Complete verrassing
Die treurige dagen in 1918 waren een logisch vervolg op de vele treurige episodes die Elzas-Lotharingen al achter zich had. Frankrijk en Duitsland voerden al eeuwen strijd om het gebied. Aanvankelijk maakte de regio deel uit van het Duitse Rijk. Maar in de zeventiende eeuw lijfden de Franse koningen het gebied in. Zo bleef het ongeveer tweehonderd jaar. Na de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) moesten de Fransen het gebied weer afstaan aan het Duitse keizerrijk. En na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werd dat weer teruggedraaid. De Fransen kregen Elzas-Lotharingen weer in handen. Tussen 1918 en 1922 werden meer dan 130.000 van oorsprong Duitse inwoners de grens overgezet. De Fransen wekten destijds graag de indruk dat de Duitsers uit eigen beweging vertrokken. Maar daar was bij de meesten geen sprake van. Op 18 januari schreef Hugo Molitor een boze brief omdat hij thuis in Colmar post had gekregen van de Fransen. Het was een officiële verklaring waarin stond dat hij ‘toestemming had om te vertrekken naar Duitsland’. ‘Dat wekte de indruk dat ik zelf wilde weggaan. Maar het tegendeel was waar. Ik wilde in Colmar blijven.’

Molitor vroeg om opheldering en kreeg een nieuwe brief. Of hij dan maar schriftelijk een ‘aanvraag voor evacuatie’ kon indienen. Nog voor hij daarop kon antwoorden, lag er alweer een nieuwe brief in de bus. Dat hij zich moest melden voor de feitelijke uitzetting, om 7.00 uur ’s morgens. ‘We werden met zo’n vijftig mensen op smerige vrachtwagens geladen. We konden er niet eens gewoon instappen. Er werd een olievat neergezet dat als trap diende. Anderen werden op de vrachtwagen geduwd.’
Ingenieur en gemeenteambtenaar Heinrich Kleemann werd op 8 december 1918 zonder enige uitleg gearresteerd in Straatsburg. Hij zat drie weken achter de tralies. Niemand zei hem waarom. ‘Op 27 december werd me om 13.00 uur meegedeeld dat ik de volgende ochtend om 7.00 uur het land zou worden uitgezet.’ Hij moest zijn huis en al zijn bezittingen achterlaten en werd door militairen de grens overgezet. ‘Ik had 23 jaar bij de gemeente gewerkt, ik had me nooit politiek geuit. Dus er kon maar één reden zijn dat ik moest vertrekken: mijn vader was Duits.’

Een apotheker uit Mulhouse kreeg op 15 december te horen dat hij zich de zeventiende moest melden met zijn vrouw, om de grens over te worden gezet. Dat deden ze. Ze werden streng gecontroleerd. ‘Onze koffers werden binnenstebuiten gekeerd. Ik moest zelfs een conservenblikje openmaken. De vrouwen moesten zich uitkleden. Het was vernederend.’ Ze werden op vrachtwagens geladen die daarna werden belaagd door bewoners. ‘Ze bekogelden ons met stenen en uitwerpselen. Ze spuugden en scholden ons uit. De kleren werden ons van het lijf getrokken. Kinderen waren in paniek en begonnen te huilen. Bij mannen liep het bloed over hun gezicht.’
Voor velen kwamen de dwang en het geweld als een complete verrassing. Want vele Duitsers woonden vaak al hun leven lang of soms zelfs generaties lang in Elzas-Lotharingen. En officieel mochten ze er na de Franse machtsovername in 1918 ook blijven. In het akkoord dat een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog maakten de Fransen en Duitsers duidelijke afspraken. ‘Het evacueren van bewoners is verboden. Er zal geen schade worden toegebracht aan personen of hun bezittingen,’ stond in de tekst. Maar al snel na de komst van de Fransen werd de bevolking officieel opgedeeld in categorieën. Er verschenen vier soorten identiteitskaarten. De A-kaart was voor Fransen met Franse ouders geboren in de regio. Kaart D was voor Duitsers en in mindere mate ook Oostenrijkers, Hongaren, Turken en Bulgaren. ‘De mensen met een D-kaart mochten hun huis niet meer uit zonder toestemming van de politie. Hun post werd gecontroleerd en ze werden in de gaten gehouden door buren,’ schreef Hans-Otto Meisner over zijn jaren als kind in Straatsburg. In die tijd moest iedereen zijn geld wisselen. De Reichsmark maakte plaats voor de Franse frank. De Duitsers met een D-kaart kregen 60 centimes voor 1 mark, de Fransen kregen 1,25 franc voor 1 mark. Duitse tegoeden werden daarmee van de ene op de andere dag gehalveerd in waarde. De Duitse Hans-Otto Meisner was in die tijd tien jaar oud. ‘Op een dag zat ik op school, we kregen aardrijkskunde. Plotseling ging de deur open. Een man in militair uniform kwam binnen. Hij fluisterde wat tegen onze leraar. Die zei toen: “Auf wiedersehen.’’’ De Duitse leraar liep het klaslokaal uit. De Franse officier ging zitten en was vanaf dat moment de nieuwe leraar. Hij zette zijn spullen neer en keek de 10-jarige Meisner en de andere kinderen in de klas aan. ‘Hij zei: “Vanaf nu is dit een Franse school en daarom krijgen jullie vanaf nu in het Frans les.”’
Stuivertje wisselen
Toen de Fransen het na de Eerste Wereldoorlog weer voor het zeggen kregen in Elzas-Lotharingen, waren de spanningen niet voorbij. In tegendeel. Na 1918 kampten de bewoners met de verwoestingen door de oorlog en een economische crisis. De ‘assimilatiepolitiek’ van de Fransen stuitte op weerstand, vooral bij Duitssprekenden. Er ontstond een regionalistische beweging die soms pleitte voor autonomie en soms voor separatisme. De Fransen traden daartegen met harde hand op, wat ervoor zorgde dat autonomen en separatisten steeds meer naar de andere kant van de grens keken: naar Duitsland, waar Adolf Hitler met zijn opmars bezig was. En veel Duitse nationalisten keken juist naar het Westen: het Verdrag van Versailles uit 1919 en de Franse overname van Elzas-Lotharingen werden gezien als een vernedering.
In 1936 bezetten Duitse militairen het Rijnland, langs de westelijke grens van Duitsland en naast Elzas-Lotharingen. Er was nauwelijks internationaal protest. Hitler zag het als een teken dat hij verder kon gaan met het vestigen van het Groot- Duitse Rijk. In 1940 werd Elzas-Lotharingen door Hitlers troepen bezet en daarna geannexeerd. Veel Franse Elzassers vluchtten, hun boerderijen en huizen werden ingenomen door Duitsers die de nazi’s uit andere gebieden haalden. In 1944 en ’45 werd het gebied bevrijd door de geallieerden en kwam het weer in Franse handen.
Na de Tweede Wereldoorlog werd door politici alles op alles gezet om nieuwe oorlogen in Europa te voorkomen – en dat moest ook voor Elzas-Lotharingen gelden. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die in de jaren vijftig werd opgericht, was expliciet ook bedoeld om aartsvijanden Frankrijk en Duitsland economisch samen te laten werken. De Raad van Europa vestigde zich in 1949 in Straatsburg om de verzoening van de twee landen te symboliseren.

Meer weten:
- Nous les expulsés d’Alsace-Lorraine, 1918-1922 (2025) door Jean-Louis Spieser.
- Alsace to the Alsatians? Visions and Divisions of Alsatian Regionalism, 1870-1939 (2010) door Christopher J. Fischer is Engelstalig en deels online te lezen.
- Elzas-Lotharingen, geplet tussen twee grootmachten (2019) door Freddy Vandenbroucke.