• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 4/2019

    Elzas-Lotharingen: grensland in het hart van Europa

    Speelbal van Frankrijk en Duitsland

    Door: Angela Dekker

    Eeuwenlang was Elzas-Lotharingen een speelbal tussen Frankrijk en Duitsland. Beide landen eisten het vruchtbare, rijke Rijngebied op. Na de Eerste Wereldoorlog wees het Verdrag van Versailles de regio aan Frankrijk toe. Tot groot ongenoegen van Duitsland.

    Na de geallieerde overwinning werd Elzas-Lotharingen volgens het Verdrag van Versailles in 1919 Frans grondgebied. Tot hun onvrede moesten de Duitsers het gebied opgeven. Sinds de opdeling van het rijk van Karel de Grote in 843 had de streek deel uitgemaakt van het Duitse Rijk, met het Duitstalige Straatsburg als regionale hoofdstad. De Vogezen vormden van oudsher de natuurlijke grens met Frankrijk. Tot de Franse koning Lodewijk XV de regio in 1671 annexeerde. Twee eeuwen lang lieten de Fransen hun invloed gelden in de vruchtbare landbouwgebieden van Elzas-Lotharingen met de Rijn als grensrivier.

    Echt verzet laaide pas op in het begin van de negentiende eeuw, toen Napoleon de Franse taal verplicht stelde in het onderwijs. Het Duits bleef echter de tweede taal. Naar verluidt sprak in 1869 – een jaar voor de Frans-Duitse Oorlog – niet meer dan één op de tien rekruten uit de Elzas voldoende Frans om tot het Franse leger te worden toegelaten. De Frans-Duitse Oorlog van 1870 eindigde in een overwinning voor het Duitse Keizerrijk, dat met de Vrede van Frankfurt in 1871 de Elzas en de Moezel, het gebied in het noorden van Lotharingen, weer kon innemen. Franse ambtenaren moesten het land verlaten en bedrijven die voor de Franse markt produceerden, verplaatsten hun fabrieken naar Frankrijk.


    De drager van deze pas met opdruk ‘A’ is erkend als ‘echt’ Frans en mag blijven.

    De Fransen accepteerden de beschamende nederlaag van 1870 niet. Het ‘onrecht’, de vernedering, moest ongedaan worden gemaakt. Dat lukte vooralsnog niet. Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, kregen de Elzassers een oproep voor het Duitse leger en werden ze – uit angst voor collaboratie met de Fransen – ver weg van Frankrijk naar het oostfront gestuurd. Het Franse leger deelde Elzassers die aan Franse zijde besloten te vechten – uit angst voor collaboratie met de Duitsers – niet in bij een Franse eenheid, maar bij de buitenlanders van het Vreemdelingenlegioen. Vier jaar lang liep de frontlijn dwars door Elzas-Lotharingen.                             
     
    Aan het eind van de oorlog eisten socialisten in de Elzas het recht op onafhankelijkheid op. Terugkerende Elzasser soldaten richtten vol enthousiasme soldatenraden op, naar het voorbeeld van de Russische revolutionairen. Had Vladimir Lenin niet royaal verkondigd dat elk volk het recht had op onafhankelijkheid? Ze hadden genoeg van het gesol met hun land en de Republiek Elzas-Lotharingen werd uitgeroepen. Ondanks hun aanvankelijk enthousiasme hadden de sociaal-democraten en ook de politieke partij het ‘blok Lotharingen’ te weinig vertrouwen in de onderlinge samenwerking bij een mogelijke onafhankelijkheid. Ze kozen voor hereniging met Frankrijk, waardoor de revolutionairen het nakijken hadden.

    Onder luid gejuich van de bevolking marcheerden op 22 november 1918 Franse troepen de straten van Straatsburg binnen. Het betekende het einde van de twaalf dagen jonge Republiek Elzas-Lotharingen. Duitse soldaten dienden de Elzas onmiddellijk te verlaten en Elzassers die voor de Duitsers hadden gevochten werden geïnterneerd. Hun vrouwen en kinderen kregen de Franse nationaliteit.                                                                                      


    De Franse generaal Henri Gouraud trekt met zijn leger Straatsburg binnen, 22 november 1918.

    De Fransen vroegen zich af hoe loyaal de Elzassers waren. Uit angst voor oplaaiende Duitse sympathieën werd een passensysteem bedacht. Alle inwoners ontvingen een identiteitskaart met daarop hun Elzasser etniciteit vermeld in vier gradaties: van categorie A tot en met D. Degenen met ouders die al voor de Frans-Duitse Oorlog in 1871 in de Elzas waren geboren, konden als ‘echte’ Fransen rekenen op categorie A.

     

    Harde grens

    Maar degenen die na de Duitse overwinning in 1871 waren binnengekomen, de zogenoemde vieux Allemands (‘oude Duitsers’), werden ingedeeld in categorie D. Daartussenin zaten de B- en C-categorieën van gemengde huwelijken met mensen uit geallieerde of neutrale landen.
     

    Door het verlies van de Duitse afzetmarkt moet de Elzas zich op Frankrijk richten

    Op grond hiervan werd het gebied net als in 1871 opnieuw etnisch gezuiverd: dit keer moesten 120.000 Elzassers van Duitse origine, les Boches (‘de moffen’), en 20.000 niet geheel zuiver geachte Elzassers binnen enkele weken gedwongen het land verlaten. Hun huizen en bezittingen, zoals land, bedrijven en fabrieken, werden geconfisqueerd. De datum en het uur van uitzetting werden publiekelijk via aanplakbiljetten bekendgemaakt. Met maximaal 30 kilo bagage moesten de etnisch onzuiveren en mogelijke vijanden van Frankrijk in vrachtwagens stappen. Ze werden de Rijn overgezet. In Duitsland kwamen ze in opvangcentra terecht en moesten ze een nieuw leven beginnen.

    De vieux Allemands werden daar allesbehalve met open armen verwelkomd. Het Duitse Keizerrijk had de oorlog verloren, de jonge Weimarrepubliek verkeerde in een diepe sociale en economische crisis. Ook de bezetting van dertig Duitse steden door Frankrijk, zoals was bepaald in het Verdrag van Versailles, droeg niet bij tot een betere verhouding tussen de twee aartsvijanden. Toen Duitsland er door de devaluatie van de Duitse mark en de daaropvolgende inflatie niet in slaagde op tijd aan zijn herstelbetalingen te voldoen, bezetten de Franse troepen in januari 1923 ook nog eens het Ruhrgebied. Massale demonstraties van de werkloze, verarmde bevolking noopten Frankrijk ertoe de troepen een jaar later terug te trekken.    


    Vrouw in Elzasser kledij veegt de Duitsers eruit. Spotprent door Henri Zislin, 1918.
     
    De Rijn was tot de Eerste Wereldoorlog een spil in de economie van de regio. Er waren open grenzen, geen handelsbarrières en vrij verkeer van personen. Maar na de wapenstilstand van 11 november 1918 bleef de rivier een harde grens. De Elzas had tot dan toe met haar zout- en kalimijnen, olie-industrie, textielbedrijven, hellingen vol Riesling- en Tokay-wijnen en het Kronenbourg-bier een hoog welvaartspeil gekend. Veel producten werden verkocht in Duitsland. Conform het Verdrag van Versailles moest dat land 132 miljard mark schadevergoeding voor het oorlogsgeweld betalen, waarna het wegzonk in een diepe economische crisis. Na het verlies van deze afzetmarkt moest de Elzas zich voortaan op Frankrijk richten.

     

    Verplicht Frans spreken

    Maar de regio lag in puin, de infrastructuur was verwoest door de oorlog en de economie stagneerde. De economische crisis leidde tot tientallen wilde stakingen, niet in de laatste plaats uit protest tegen de Fransen die betere posities kregen toebedeeld, omdat Elzassers ‘immers’ aan Duitse zijde hadden gevochten. Oorlogsslachtoffers uit de Elzas kregen niet dezelfde heldenstatus en hetzelfde eerbetoon op monumenten als hun Franse lotgenoten. Een Elzasser was ‘gestorven voor het vaderland’, waarbij het onduidelijk was voor welk vaderland. Een Fransman daarentegen was ‘gestorven voor Frankrijk’.


    Franse kinderen krijgen les over de in 1870 verloren gebieden. Schilderij door Albert Bettannier, 1887.
    De onvrede onder de bevolking bereikte een dieptepunt met de algemene staking van april 1920, die door het Franse leger met grof geweld werd gebroken. Het nationalisme diende eens en voor altijd de kop te worden ingedrukt. Opnieuw moest de nog altijd Duitstalige bevolking in de Elzas verplicht Frans spreken. Namen van plaatsen, straten en scholen werden verfranst: ‘Schettstadt’ werd ‘Sélestat’, de ‘Ritterstrasse’ heette voortaan ‘Rue du Chevalier’ en ‘Luzian’ werd aangesproken met ‘Lucien’. In elke openbare ruimte in Elzas-Lotharingen hing voortaan verplicht een afbeelding van de ondertekening van de Duitse overgave in een treinwagon in Compiègne op 11 november 1918.

    Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Uit onvrede over de assimilatiepolitiek ontstond een nieuwe beweging, die onder de noemer Heimatrechte streed voor autonomie van de Elzas, het regionale Duitse dialect en de cultuur. Dit Bloc National werd al snel de grootste politieke partij en maakte zich sterk voor de rechten van de Elzassers. Het manifest van de Heimatbund leidde op 22 augustus 1926 in Colmar tot een ‘bloedige zondag’ toen autonomen en pro-Fransen met elkaar op de vuist gingen. Zware straffen voor de autonomen en huiszoekingen bij hun sympathisanten waren het gevolg.
     


    Naast de autonomiegedachte ontstonden er in de Elzas ook ideeën over een Verenigd Europa waarin Duitsers en Fransen vreedzaam konden samenleven, al zou er nog een wereldoorlog overheen gaan voor deze concreet vorm kregen.
     

    Duurzame oplossing

    De algehele crisis legde de kiem voor de populariteit van Adolf Hitler. Ook in de Elzas, die in juni 1940 opnieuw, onder stilzwijgende goedkeuring van het Vichy-bewind, door de Duitsers werd geannexeerd. De Elzassers kregen de Duitse nationaliteit; mannen en vrouwen tussen de 17 en 25 jaar werden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz, de jeugd werd verplicht zich aan te sluiten bij de Hitlerjugend en vanaf 1942 moesten 132.000 Elzassers en Lotharingers de Duitse Wehrmacht in. Ze vochten aan het oostfront of in het westen tegen de Fransen.

    Na de invasie van Normandië op 6 juni 1944 werden de Duitse legers teruggedrongen. Daarom daagde Obersturmführer Heinz Lammerding de dertien Elzassers in zijn tweehonderd man tellende SS-divisie ‘Das Reich’ uit: ‘Elzassers, ik wil weleens zien wat jullie waard zijn.’ Uit wraak voor verzetsacties in het gebied vermoordde de divisie op 10 juni 1944 nagenoeg de hele bevolking van het dorpje Oradour-sur-Glane, niet ver van Limoges in Midden-Frankrijk.


    Elzassers begroeten het Duitse invasieleger met de Hitlergroet, 1940.

    De deelname van de Elzassers aan dit bloedbad leidde in 1953 tot hun terdoodveroordeling. Het vonnis werd beantwoord met een algemene proteststaking in de Elzas. Alle vlaggen inclusief die van de gemeentehuizen gingen halfstok, krantenverslagen werden voorzien van een rouwrand. De Elzas voelde zich opnieuw verraden door Frankrijk – waar zich verhoudingsgewijs veel meer vrijwilligers (20.000) hadden gemeld bij de Duitse strijdkrachten. De eenheid van het land was in het geding. De regering onder leiding van president Charles de Gaulle besloot tot amnestie.         

    Uiteindelijk zorgde de Fransman Jean Monnet voor een duurzame oplossing. Hij besloot landen economisch zo met elkaar te verweven dat ze geen oorlog meer zouden voeren. De organisatie van de kolen- en staalproductie werd aan een hogere autoriteit gegeven die boven de nationale staten stond. In Straatsburg, hoofdstad van de Elzas, werd begin jaren vijftig de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal gevestigd, de voorloper van de Europese Unie. Bevordering van vrede is nog steeds het eerste doel van de EU.
                                                                                                      
    Angela Dekker publiceert over de Eerste Wereldoorlog en schreef samen met Jessica Voeten Moed en overmoed. Leven en tijd van Mata-Hari (2018).