Het was bijna twee jaar na de ‘Glorieuze Februari’ van 1948, zoals de communisten in Tsjechoslowakije hun staatsgreep noemden. De stalinistische terreur had om zich heen gegrepen, en de katholieke kerk was een voor de hand liggend doelwit. De atheïstische, materialistische ideologie van de communisten stond diametraal tegenover het metafysische gedachtegoed van het rooms-katholicisme. Geestelijken werden bij het minste of geringste ‘ontmaskerd’ als spionnen van het Vaticaan of de CIA en veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraf of dwangarbeid in de uraniummijnen van Jáchymov. In het hele land werden kloosters gesloten, bisschoppen gevangengezet en religieuze orden afgeschaft.
Zo werd aartsbisschop Josef Beran, overlevende van het concentratiekamp Dachau, in 1949 in Praag geïnterneerd in zijn Aartsbisschoppelijk Paleis en daarna zestien jaar lang op andere geheime plekken in het land. De communistische president Klement Gottwald had aanvankelijk beloofd dat de kerk en haar priesters niet zouden worden vervolgd. Ter ere van de inauguratie van de atheïstische Gottwald was Beran zelfs in diens aanwezigheid voorgegaan in een Te Deum in de Praagse Sint-Vituskathedraal. Die belofte bleek niets waard.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Kompromat tegen kerkleiders
Onder de groeiende communistische terreur begon Josef Toufar, een eenvoudige boerenzoon, in 1948 aan zijn werk als priester in Číhošť. Dat was een plattelandsparochie in het midden van Tsjechië, met aangrenzende dorpen goed voor circa 1200 katholieke gelovigen. Toufar werd in 1902 geboren in een dorpje in de buurt, ging naar het gymnasium in de grote stad en kreeg rond zijn 26ste een priesterroeping. Op 29 juni 1940 werd hij tot priester gewijd in bisschopsstad Hradec Králové.
Na afloop van deTweede Wereldoorlog kon pater Toufar zich volledig toeleggen op zijn pastorale activiteiten. In zijn parochie organiseerde hij gebedsbijeenkomsten, lezingen, dansfeesten, sportevenementen en theatervoorstellingen. Hij hielp ouderen bij het innen van pensioenen en nam het initiatief voor de opening van een postkantoor. Inspiratiebron voor Toufar was het sociaal-pastorale werk van de Italiaanse priester en pedagoog Don Bosco.

In de archieven van de Tsjechoslowaakse Staatsveiligheidsdienst (StB) was Toufar intussen al gebrandmerkt als ‘gehoorzame dienaar van de paus’. ‘Het Vaticaan en de bisschoppen […] zijn de gangmakers van de contrarevolutie,’ aldus Gottwald. ‘Om de kerkelijke hiërarchie te isoleren moeten we ze definitief en verpletterend verslaan.’
Volgens vertrouwd KGB-recept vroeg Gottwald zijn agenten om kompromat (compromitterend materiaal) over kerkleiders te leveren. De StB had al eens tevergeefs geprobeerd een afrodisiacum in de thee van aartsbisschop Beran en zijn huishoudster te mengen, in de hoop dat ze hen in flagranti konden betrappen. In deze moeilijke politieke situatie probeerde Josef Toufar zoveel mogelijk de confrontatie met communistische functionarissen te vermijden en zaken in der minne te schikken.
Bewegende crucifix
Aanvankelijk leek er op 11 december 1949, de derde zondag van de advent, niets bijzonders aan de hand in de wat boerse en kleine Maria Hemelvaartkerk in Číhošť. Tijdens de mis in de koude kerk klom Toufar op de kansel voor zijn preek. Tegen het einde daarvan en op het moment dat hij met zijn linkerhand in de richting van het tabernakel wees (zijn rechterhand rustte op dat moment op zijn borst), begon het houten, vijftig centimeter grote altaarkruis bij het tabernakel te bewegen, van links naar rechts en van voren naar achteren. Het onverklaarbare verschijnsel werd waargenomen door negentien gelovigen in het kerkje, maar niet door Toufar zelf, want die stond er met de rug naar toe. Een maand later zou Toufar verklaren:
‘[…] en daar, tegen het einde van de preek, zei ik: “In het midden van jullie, die velen niet kennen, hier in het heiligdom, is onze Verlosser.” En terwijl ik dit zei, wees ik naar het altaar. En daar zagen allen die keken naar waar ik met mijn hand wees dat het kruis bij het tabernakel begon te bewegen. […]. Negentien mensen zagen het […]. Zij beschreven het onder ede in een rapport, en de mensen die werden ondervraagd door de politie, bevestigden dat het geen suggestie of visuele illusie was.’
Nieuws over het ‘Mirakel van Číhošť’ trok honderden nieuwsgierigen naar het dorp. Die aandacht voor een wonder paste geenszins in het antireligieuze programma van de Communistische Partij. Die besloot van de nood een deugd te maken en te demonstreren dat religie wel degelijk ‘opium van het volk’ is en een gevaar vormt voor de hele ‘progressieve mensheid’. De autoriteiten dwongen Toufar valselijk te bekennen dat hij het kruis zelf had laten bewegen met behulp van een door hem in elkaar geknutseld mechaniek. Hij moest publiekelijk beschuldigd worden, ten overstaan van de hele natie, in een groots geënsceneerd politiek proces.
Marteling en gedwongen bekentenis
Op 28 januari 1950 werd Toufar door de StB gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis Valdice in Noord-Bohemen, honderd kilometer ten noorden van Číhošť. In dit voormalig kartuizerklooster werd hij onderworpen aan verhoor en met een knuppel bewerkt door Ladislav Mácha. Deze oud-misdienaar (!) en automonteur had in de Tweede Wereldoorlog in het verzet gezeten en was ooit door de Gestapo opgepakt. Hij wist te ontsnappen uit een gevangenis en werd na de oorlog lid van Communistische Partij en de Staatsveiligheidsdienst.
Tijdens het verhoor ontkende Toufar de beschuldiging dat hij het kruis had doen bewegen met behulp van wat touwtjes en katrolletjes. In de weken daarna gingen de martelingen door. Murw gebeukt ondertekende Toufar eind februari onder dwang een valse bekentenis over het ensceneren van het ‘wonder’.
Maar daarmee was de kous niet af. In de nacht van 23 op 24 februari werd Toufar – meer dood dan levend – terug naar Číhošť gebracht om deel te nemen aan een filmische ‘reconstructie’ van het zogenaamde wonder. Het aldus verkregen materiaal werd kort daarop gebruikt in de propagandafilm Wee de mens door wie de ergernis komt (een cynische verwijzing naar een Bijbeltekst: Mattheüs 18:7). De propagandafilm liet zien dat de voorganger het kruis tijdens de preek liet bewegen met behulp van een draadje dat van de preekstoel naar het kruis liep. Het werd gemaskeerd met bossen bloemen, maar dat was een blunder van de filmmakers, want in de adventstijd zijn uitbundige bloemdecoraties in de kerk niet wenselijk.
Op weg naar de preekstoel moest de bijna doodgeknuppelde Toufar ondersteund worden. De film gebruikte een opname van hem op de preekstoel, terwijl in andere opnamen een stand-in zijn rol speelde. Van de film waarin Toufar zijns ondanks een hoofdrol speelde, werden 376 kopieën gemaakt – een aantal dat geen andere film in Tsjechoslowakije ooit haalde –, zodat die overal in het land in bioscopen kon worden vertoond.
‘Een duidelijk geval van moord’
Nog diezelfde nacht werd een uitgeputte Toufar teruggebracht naar Valdice. Zijn toestand verslechterde snel en op 25 februari werd hij naar een staatssanatorium in Praag gebracht; weer een tocht van honderd kilometer. Daar werd hij ’s avonds nog geopereerd aan buikvliesontsteking als gevolg van een gescheurde maagzweer. Een paar uur na de operatie, om 20.30 uur, blies hij zijn laatste adem uit.
Toufars stoffelijk overschot werd onder de naam Josef Zouhar gedumpt in een massagraf op de begraafplaats in Praag-Ďáblice (Duivelsoord). Naar verluidt naast het graf van een dode olifant uit de Praagse dierentuin of van een bezoekend circus. In een autopsierapport schreef een van de artsen: ‘Ik assisteerde bij de operatie van Josef Toufar. We deden al wat menselijk mogelijk was, maar de man kon niet worden gered. Hij werd op een ongewoon brute manier doodgeslagen. Ik zou zeggen: een duidelijk geval van moord!’
Pas vier jaar na het overlijden van Toufar kreeg zijn nichtje te horen dat haar oom in 1950 was geopereerd, dat de ingreep was mislukt en dat de patiënt was overleden. De StB gaf haar alleen de portefeuille en het horloge van pater Toufar terug.
In zekere zin was de dood van Toufar een tegenvaller voor het regime, omdat een groots opgezet showproces nu geen doorgang kon vinden. Daarin had men gedacht Toufar te kunnen afschilderen als een naïeve dorpspastoor die zijn nog niet tot het heilzame communisme bekeerde kudde met in elkaar geknutselde wonderen op het katholieke pad probeerde te houden.
Onderzoek naar Mácha
Jarenlang bleef de zaak-Toufar in het verborgene en werden Mácha en zijn beulsknechten met rust gelaten. In 1963 – er was in Tsjechoslowakije sprake van een lichte politieke dooi – kreeg Mácha een reprimande van de partij en werd hij ontslagen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Serieuzer onderzoek volgde in de lente van 1968, toen Alexander Dubček een ‘menselijker’ wind door het land liet waaien en onder andere de persvrijheid herstelde. De zaak-Josef Toufar kwam weer vol in de belangstelling te staan door twee artikelen in het dagblad Lidová demokracie door journalist en schrijver Jiří Brabenec. Daarin werd onder andere Ladislav Mácha ontmaskerd. De gewelddadige dood van Toufar werd nu onderwerp van justitieel onderzoek door de hogere militaire aanklager, maar die achtte niet bewezen dat Mácha verantwoordelijk was voor Toufars dood.

Toen maakten op 21 augustus 1968 de troepen van het Warschaupact een einde aan de Praagse Lente en werd een begin gemaakt met de zogenaamde normalisatie. De zaak tegen Mácha werd geseponeerd. Het Openbaar Ministerie concludeerde dat hij Toufar weliswaar met een knuppel had geslagen, maar dat dit niet de dood tot gevolg had gehad.
Het duurde nog tot november 1998, lang na de Fluwelen Revolutie die een einde maakte aan de communistische dictatuur, tot Ladislav Mácha door de Praagse rechter veroordeeld werd tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Mácha ging tegen dit vonnis in beroep, maar in 1999 bevestigde het hof de uitspraak van de lagere rechtbank. Mácha’s gevangenisstraf werd teruggebracht tot twee jaar onvoorwaardelijk. Hij begon zijn straf uit te zitten op 16 januari 2002, maar om gezondheidsredenen werd hij een jaar later al voorwaardelijk vrijgelaten. Hij overleed op 30 september 2018, zonder ooit spijt te betuigen voor zijn daden.
Zaligverklaring
In 2012 verscheen een uitgebreide biografie over Toufar, waardoor de zaak weer onder de publieke aandacht kwam. Een jaar later stemde de Tsjechische Bisschoppenconferentie in met het begin van het zaligverklaringsproces van de pater.
Dat is een lange weg. In de herfst van 2014 werden op de Praagse begraafplaats Ďáblice de stoffelijke resten van Toufar opgegraven, die belangrijk zijn voor een zaligverklaring. Na DNA-onderzoek en vergelijking met DNA van nog levende familieleden werden onomstotelijk resten van Toufars stoffelijk overschot geïdentificeerd. Die werden in een metalen kist geplaatst, verzegeld en op de ochtend van 10 juli 2015 naar Číhošť vervoerd. Daar, in de kerk van Maria Hemelvaart, werden ze twee dagen later eerbiedig in het graf gelegd. Toufar is weer thuis in het kerkje waar het voor hem fatale wonder plaatsvond.
Meer weten
- Alsof we vandaag zouden sterven. Het drama van het leven, priesterschap en martelaarschap van pater Josef Toufar (2012) door Miloš Doležal is de biografie die de zaak-Toufar weer onder de aandacht bracht en de aanzet gaf tot het zaligverklaringsproces.
