• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 9/2020

    De ondergang van Soetan Sjahrir

    Een vergeten leider

    Door: Rob Hartmans
    Hij was gematigd, progressief en had niet gecollaboreerd met de Japanners. Soetan Sjahrir leek de ideale man om Indonesië na de onafhankelijkheid te leiden. Maar na een korte periode als premier en minister belandde hij op een zijspoor. Radicale tegenstanders namen het roer over. Toen op 17 augustus 1945, twee dagen na de capitulatie van Japan, de Indonesische nationalistenleider Soekarno in de voortuin van zijn huis in Jakarta de Republik Indonesia uitriep, viel dat in Nederland heel slecht. Conservatieven wilden onverkort vasthouden aan de koloniale overheersing van de Indonesische archipel. Terwijl progressieve Nederlanders die inzagen dat het streven naar autonomie gehonoreerd moest worden grote moeite hadden met de twee mannen die het gezicht van de nieuwe republiek vormden. Soekarno en Mohammed Hatta, die op 18 augustus werden benoemd tot respectievelijk president en vicepresident, hadden immers openlijk gecollaboreerd met de Japanners. Vandaar dat veel ogen gericht waren op een derde nationalistische leider, die niet alleen geweigerd had samen te werken met de Japanners, maar die bovendien gold als gematigd en progressief: Soetan Sjahrir. Hoewel hij korte tijd Soekarno en Hatta leek te overvleugelen en met Nederland tot een akkoord kwam, trok hij al spoedig aan het kortste eind en liep het conflict volledig uit de hand, zodat hij tegenwoordig vrijwel vergeten is.

    ‘Bruine Hollanders’

    Soetan Sjahrir (1909-1966) behoorde tot de Minangkabau, een Maleis volk dat in meerderheid op West-Sumatra leeft en waar Sjahrir werd geboren in het stadje Padang Panjang. De Minangkabau vormden een matrilineaire samenleving, waarbij de overerving langs de vrouwelijke lijn verloopt, die zich pas in de loop van de negentiende eeuw in meerderheid tot de sterk patriarchale islam bekeerde. De zeer specifieke cultuur leidde ertoe dat veel mannen van de Minangkabau openstonden voor de zogenoemde ‘ethische politiek’ die Nederland sinds het eind van de negentiende eeuw in de kolonie voerde, en waarbij ‘blank’ en ‘bruin’ in naam gelijkwaardig waren. Vandaar dat de Minangkabau de naam hadden ‘bruine Hollanders’ te zijn, die zich verregaand aanpasten aan de koloniale overheerser. In kleding en gedrag is Sjahrir Hollandser dan de Hollanders Dit gold zeker voor Sjahrirs vader, die officier van justitie en ridder in de Orde van Oranje-Nassau was. Sjharir kreeg een goede schoolopleiding, eerst in Medan en later in het op Java gelegen Bandoeng, en werd in 1929 naar Nederland gestuurd om rechten te studeren. Hoe ‘westers’ zijn opvoeding was geweest, bleek uit wat hij later schreef: ‘Niets was vreemd voor mij toen ik in Holland kwam; de eerste maanden waren een voortdurend mij herinneren.’ Volgens sommigen was hij een typische ‘sinjo’, een Indonesiër die zijn Indische wortels ontkende en in kleding en gedrag nog Hollandser wilde zijn dan de Hollanders. In 1935 zou Sjahrir schrijven dat Indonesië al eeuwenlang geen levende cultuur meer kende en dat de veelgeroemde oosterse kunstuitingen niet meer waren dan rudimenten van een feodale samenleving, die moderne mensen niets te bieden had. ‘Wat wij in het Westen bewonderen en liefhebben is die onverwoestbare vitaliteit, die liefde tot en begeerte naar het leven, naar de vervolmaking van het leven. Iedere levenskrachtige jongeman en jonge vrouw hier in het Oosten moest zich dáárom richten naar het Westen, want alleen van het Westen kan hij of zij leren om zich een krachtcentrum te voelen, in staat en bereid om deze wereld te veranderen, te beheersen.’ Zijn oriëntatie op ‘het Westen’ wilde niet zeggen dat Sjahrir het koloniale bewind accepteerde, want reeds in Bandoeng raakte hij betrokken bij de nationalistische jeugdorganisatie Jong Indonesië. Uit bovenstaand citaat blijkt ook dat hij de wereld wilde veranderen, er greep op wilde krijgen. Net als zoveel jonge nationalisten in door westerse mogendheden gekoloniseerde gebieden dacht hij dat marxisme daarvoor een bruikbaar instrument was. Hij raakte onder de indruk van de marxistische dichteres Henriette Roland Holst en tijdens zijn studie in Amsterdam en Leiden – waar hij naar het schijnt nooit colleges bijwoonde – werd hij lid van de sociaal-democratische studentenbond.

    Bigamie

    Hier raakte Sjahrir bevriend met Sal Tas, die actief was in de linkse oppositie binnen de SDAP. Sjahrir trok in bij Tas en diens eerste vrouw, Maria Duchâteau, en kreeg al spoedig een relatie met haar. Eind 1931 keerde hij terug naar Indonesië, enkele maanden later gevolgd door Maria en de twee kinderen die zij samen met Tas had. In april 1932 sloten ze in Medan een islamitisch huwelijk, maar nadat in de pers was onthuld dat Maria nog altijd getrouwd was met Tas, zetten de autoriteiten de bigamiste samen met haar kinderen op de boot naar Nederland. Inmiddels was ze zwanger van Sjahrir, maar kort na aankomst in Nederland zou ze een miskraam krijgen. Ondanks deze affaire bleef Sjahrir contact onderhouden met Tas en diens kring van linkse sociaal-democraten, onder wie de later bekende essayist en politicus Jacques de Kadt. Jhr.Mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen, Nederlandse ambassadeur in Londen, Soetan Sjahrir en premier Willem Drees, tijdens hun gesprekken over onafhankelijkheid. In Nederland was Sjahrir actief geweest in de Perhimpoenan Indonesia, een studentenorganisatie die volledige onafhankelijkheid bepleitte, waar hij bevriend was geraakt met de eveneens tot de Minangkabau behorende Mohammed Hatta (1902-1980). Niet lang na Sjahrir keerde ook Hatta terug naar Indonesië, waar beiden zich volop in de nationalistische strijd stortten. Ze waren van mening dat de inheemse bevolking politiek geschoold diende te worden en speelden daarom een leidende rol in de Pendidikan Nasional Indonesia, die werd afgekort als PNI-baroe. Baroe betekent ‘nieuw’, wat bedoeld was om deze partij te onderscheiden van de oude PNI (Partai Nasional Indonesia), die in 1927 door Soekarno was opgericht. Terwijl Soekarno van 1929 tot eind 1931 gevangenzat was de oude PNI onder druk van de koloniale autoriteiten ontbonden, waarna de Partindo (Partai Indonesia) was opgericht.

    Verbannen

    Terwijl de sterk intellectueel gerichte Sjahrir en Hatta de bevolking eerst politiek wilden opvoeden, probeerde de charismatische populist Soekarno de massa’s te mobiliseren. Beide strategieën bezorgden de Nederlandse autoriteiten nachtmerries, zodat de nationalisten weinig speelruimte hadden. Soekarno, wiens organisatie veel meer aanhangers had dan de elitaire PNI-baroe, werd in 1933 gearresteerd, om vervolgens te worden verbannen naar het eiland Flores. In 1934 was het de beurt aan Hatta en Sjahrir, die het jaar erop werden overgebracht naar het kamp Boven-Digoel op Nieuw-Guinea. Het regime binnen dit kamp was relatief licht, maar de gevangenen werden geteisterd door malaria en buiten het kamp strekten zich honderden kilometers ondoordringbaar oerwoud uit. In 1936 werden Sjahrir en Hatta verbannen naar Banda Neira, het belangrijkste eiland van de Banda-eilanden, waar ze aanvankelijk samen een huis huurden. Het verzoek van de inmiddels van Sal Tas gescheiden Maria Duchâteau om hem hier gezelschap te houden, werd door de autoriteiten afgewezen, waarna ze ‘met de handschoen’ trouwden. Vanuit zijn ballingsoord schreef Sjahrir vele brieven, die door haar werden bewerkt tot het boek Indonesische overpeinzingen, dat in 1945 zou worden gepubliceerd. Nieuwe kansen kwamen er voor de verbannen Indonesische nationalisten pas toen de Japanners de Nederlandse kolonie onder de voet liepen. Soekarno, Hatta en Sjahrir konden terugkeren uit ballingschap en in juli 1942 bespraken de drie leiders wat hun te doen stond. Soekarno was ervan overtuigd dat Japan, samen met Duitsland en Italië, de Tweede Wereldoorlog zou winnen en geloofde dat het mogelijk was om door samenwerking met de Japanse bezettingsautoriteiten uiteindelijk de onafhankelijkheid van Indonesië te bewerkstelligen. Hoewel Hatta niet geloofde in een Japanse overwinning, besloot hij toch tot samenwerking met de nieuwe overheersers. Later zou hij tegen Sjahrir zeggen dat hij had gehoopt dat ‘er mogelijkheden waren om aan de toekomst van Indonesië te werken en het lot van de bevolking te verzachten als men meedeed aan het schimmenspel dat de jappen opvoerden’. Soekarno en Hatta werden door de Japanse autoriteiten ingeschakeld als ‘adviseurs’, maar hun invloed was zeer gering. Wel waren ze betrokken bij het ronselen van de zogenoemde romoesja’s, zeer slecht betaalde contractarbeiders die onder erbarmelijke omstandigheden werden ingezet bij de aanleg van vliegvelden, wegen en spoorlijnen en de exploitatie van mijnen. Honderdduizenden van hen bezweken aan ondervoeding, ziekte of uitputting. Soetan Sjahrir nadat hij een campagne speech heeft gegeven op Bali. Sjahrir was ervan overtuigd dat de geallieerden de oorlog zouden winnen en weigerde samen te werken met de Japanners. Hij ging de illegaliteit in, al moet je je van zijn verzetsactiviteiten geen overdreven voorstelling maken. Onder valse naam reisde hij onvermoeibaar over Java, waarbij hij vooral contact zocht met jongeren die eveneens streefden naar onafhankelijkheid. Deze groepjes jongeren, ofwel pemoeda’s, bracht hij anti-imperialistische en socialistische scholing bij, en ze zouden na de Japanse nederlaag een belangrijke drijvende kracht binnen de Indonesische revolutie vormen. De Japanse autoriteiten zagen Sjahrirs activiteiten niet als bijzonder gevaarlijk en lieten hem met rust.

    Machtigste man

    Eind 1944 hadden de Japanners Indonesië onafhankelijkheid beloofd en waren Soekarno en Hatta toegetreden tot een comité dat een dergelijke machtsoverdracht, ergens in de toekomst, moest voorbereiden. Toen op 15 augustus 1945 bekend werd dat Japan gecapituleerd had, was Soekarno in paniek, aangezien al zijn plannen in duigen lagen. De dag ervoor had Sjahrir er al op aangedrongen onmiddellijk de onafhankelijkheid uit te roepen, maar Soekarno en Hatta besloten eerst te overleggen met het Japanse bestuur op Java, en de onafhankelijkheidsverklaring werd opgesteld onder toeziend oog van viceadmiraal Maeda Tadashi. Sjahrir wilde hier niets mee te maken hebben, en was dan ook niet aanwezig toen Soekarno deze verklaring op 17 augustus voorlas. Nadat Soekarno en Hatta de dag erop tot president en vicepresident waren benoemd, en er een grondwet was afgekondigd die een sterk presidentieel karakter had, leek Sjahrir buitenspel te staan. Maar veel van zijn jonge volgelingen hadden belangrijke posities in de jonge republiek, en bovendien was het feit dat hij geweigerd had te collaboreren met de Japanners nu een groot voordeel. Het zag ernaar uit dat Nederland zou proberen Soekarno en Hatta te berechten wegens collaboratie, en uiteindelijk zagen beiden in dat de republiek een duidelijk niet-Japans en een meer democratisch karakter moest krijgen. Om die reden werd in oktober 1945 het presidentiële stelsel vervangen door een parlementair bestel, en kort daarop werd Sjahrir premier en tevens minister van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken.

    De meeste pemoeda’s willen niet onderhandelen, maar vechten

    Formeel was Sjahrir nu de machtigste man in Jakarta, het voormalige Batavia. Soekarno en Hatta verplaatsten hierop het presidentiële hof naar het 500 kilometer verderop gelegen Jogjakarta, waar tevens het hoofdkwartier van het republikeinse leger gevestigd was. Terwijl Sjahrir met Nederland overlegde, wat in november 1946 resulteerde in het Akkoord van Linggadjati (zie kader op p. XX), bouwden Soekarno en Hatta hun leger uit. De meeste pemoeda’s, die niet wilden onderhandelen maar vechten, keerden zich tegen Sjahrir. Ze zagen niets in het Akkoord van Linggadjati, omdat ze volledige onafhankelijkheid van Nederland wilden. In Nederland verzetten vooral de confessionele partijen zich tegen dit akkoord, terwijl ondertussen in Indonesië de guerrillaoorlog voortwoedde. Op 3 juli 1947 zag Sjahrir zich gedwongen af te treden als premier en ruim twee weken later begon Nederland de eerste zogenoemde ‘politionele actie’.

    Verboden

    Hoewel Sjahrir hierna nog geruime tijd als diplomaat actief bleef, was zijn politieke rol feitelijk uitgespeeld. Zo was het toeval dat hij zich in december 1948 in Jogjakarta bevond, toen bij het begin van de ‘tweede politionele actie’ de hele republikeinse top gevangengenomen werd. Na de soevereiniteitsoverdracht, in december 1949, bleef Sjahrir politiek actief. Hij werd de leider van de in 1948 opgerichte Partai Sosialis Indonesia (PSI), maar terwijl enkele partijgenoten van hem soms enige tijd minister werden, bleef hij zelf aan de zijlijn staan. Hij nam geen zitting in het parlement en uitte vooral kritiek. Bij de eerste verkiezingen in Indonesië, in 1955, behaalde de PSI slechts 2 procent van de stemmen en vier jaar later kon Sjahrir niet verhinderen dat Soekarno alsnog een presidentieel bestel invoerde en de zogenoemde ‘geleide democratie’ afkondigde. De PSI werd verboden en in 1962 werd Sjahrir zelfs enige tijd gevangengezet. Hij kampte met een slechte gezondheid en overleed op 9 april 1966 in Zwitserland – een halfjaar nadat de staatsgreep van generaal Soeharto feitelijk een einde had gemaakt aan de macht van zijn rivaal Soekarno, die officieel nog tot maart 1967 president bleef. Rob Hartmans is historicus, journalist en vertaler. Onenigheid over de interpretatie Akkoord van Linggadjati In het bergdorpje Linggadjati op West-Java onderhandelde premier Soetan Sjahrir in november 1946 met de luitenant-gouverneur-generaal Huib van Mook, de hoogste Nederlandse gezagsdrager. Ze kwamen overeen dat Nederland het gezag van de Republiek Indonesië over Java, Sumatra en Madoera erkende. Samen met Borneo en de Grote Oost (alle eilanden ten oosten van Java plus het westen van Nieuw-Guinea) zou de Republiek de Verenigde Staten van Indonesië vormen. En deze federatie zou weer samen met het Koninkrijk der Nederlanden een Nederlands-Indonesische Unie vormen, met aan het hoofd de Nederlandse vorstin. In Nederland was het vooral de Katholieke Volkspartij (KVP), die in het kabinet-Beel samenwerkte met de PvdA, die zich verzette tegen het oorspronkelijke akkoord. Het zou veel te veel concessies aan de Republiek bevatten en gevreesd werd dat die Nederlands-Indonesische Unie een wassen neus zou zijn en feitelijk het einde van de koninkrijksband met de voormalige kolonie zou betekenen. Om het kabinet niet te laten vallen werd het akkoord ‘aangekleed’ met allerlei voorwaarden en voorbehouden, waarna de Tweede Kamer instemde met dit compromis. Maar de Republiek hield vast aan de oorspronkelijke tekst, zodat er bij de officiële ondertekening op 25 maart 1947 in het verdrag wordt vermeld dat Nederland er ‘goede nota’ van neemt dat de Republiek zich niet gebonden achtte aan de ‘aankleding’. Er waren dus feitelijk twee akkoorden, wat uiteraard een recept voor conflicten was. Op 20 juli zegde Nederland het akkoord officieel op, waarna het de dag erop de Republiek aanviel. PvdA’ers Tas en De Kadt steunden Sjahrir Nederlandse vrienden Hoewel Sjahrir er de oorzaak van was dat het eerste huwelijk van Sal Tas (1905-1976) op de klippen liepen, bleven beide mannen bevriend. Als sociaal-democraat was Tas een gedreven pleitbezorger van de onafhankelijkheid van Indonesië, wat ook gold voor diens vriend en mentor Jacques de Kadt (1897-1988). Nadat beide mannen in 1934 het tijdschrift De Nieuwe Kern hadden opgericht, publiceerden ze regelmatig artikelen van Sjahrir. Als journalist van Het Parool maakte Tas na de bevrijding gebruik van zijn contacten met Sjahrir. Hij voerde in Indonesië gesprekken met De Kadt, die daar tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was geweest. Binnen de nieuwe PvdA behoorden Tas en De Kadt tot de critici van het Indonesië-beleid van de Nederlandse regeringscoalitie, waar de sociaal-democraten deel van uit maakten. Zij schoven Sjahrir naar voren als sterk op het Westen gerichte sociaal-democratische Indonesische politicus die niet met de Japanners had gecollaboreerd. In tegenstelling tot Soekarno, die bovendien samenwerkte met de communisten, wat in de beginnende Koude Oorlog als hoogst dubieus werd gezien, was Sjahrir in hun ogen wel te vertrouwen. Meer weten: Sjahrir. Politics and Exile in Indonesia (1994) door Rudolf Mrázek. Indonesische overpeinzingen (1945) door Soetan Sjahrir. Afscheid van Indië. De val van het Nederlandse imperium in Azië (2000) door H.W. van den Doel.          

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen