In 1530 schilderde Maarten van Heemskerck de Haarlemse koopman en schepen Pieter Jan Foppesz en zijn gezin. Het is een van de oudste gezinsportretten uit de Lage Landen. Pieter Jan poseert als een voorname man met een beurs aan zijn gordel, zijn vrouw zit erbij als de maagd Maria met een naakte baby op schoot – al zou dit Jezusachtige figuurtje ook kunnen verwijzen naar een gestorven of pasgeboren kind. De echte sterren van het portret zijn de kleuters Jan en Cornelia in het midden. Ze kijken niet braaf voor zich uit, maar hebben vooral lol met elkaar. Hun vader legt zijn hand op de schouder van Cornelia. Dat kan beschermend zijn bedoeld, maar misschien was het ook een poging haar rustig te houden en te voorkomen dat de schildersessie in totale anarchie zou eindigen.
De levendigheid waarmee de kinderen zijn weergegeven is opvallend. Mogelijk had het ermee te maken dat de schilder inwoonde bij het gezin en de kinderen goed kende. Veel tijdgenoten zal het gedrag van Jan en Cornelia niet hebben verbaasd. Nederlandse kinderen stonden bij buitenlanders bekend om hun gebrek aan discipline en ouders om hun vergoelijkende gedrag.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Dertien jaar voor de familie Foppesz werd vastgelegd, had Maarten Luther de aanval geopend op de katholieke kerk. Sindsdien was een nieuw, protestants elan aan het ontstaan, waarmee Pieter Jan Foppesz sympathiseerde. Het gezin was in deze visie een zelfstandige geloofsgemeenschap met een strenge vader aan het hoofd. Niet lang daarvoor, toen iedereen nog katholiek was, hadden moeders nog een grote rol gehad, naar het voorbeeld van Maria. Op het gezinsportret van de familie Foppesz zie je beide opvattingen tegelijk. En zo bestaan er altijd ontwikkelingen naast en door elkaar. Dat geldt ook voor de opvoeding van kinderen. De idealen daarover weerspiegelen de maatschappelijke opvattingen van het moment, met alle inconsequenties van dien.
Een harde hand was onvermijdelijk
Tot in de zestiende eeuw speelden en werkten kinderen en volwassenen grotendeels samen. Er was geen strikt onderscheid naar leeftijd. Sommige historici meenden daarom dat er in de Middeleeuwen geen echte kindertijd bestond. Gezinnen zouden kille, juridische eenheden zijn geweest, waarin ouders nauwelijks aan hun kroost hechtten omdat de helft van de kinderen toch doodging. Daartegenover staan aanwijzingen dat middeleeuwers kinderen wel degelijk als kwetsbare wezens met eigen behoeften behandelden. En ook dat ouders van hen hielden en goed voor hen probeerden te zorgen.
Liefdeloze Middeleeuwen?
De Franse historicus Philippe Ariès wees er in De ontdekking van het kind (1960) op dat in de Middeleeuwen nauwelijks gezinsportretten werden geschilderd. Als kinderen al op schilderijen voorkwamen, dan stonden ze afgebeeld aan de rand, gekleed als volwassenen. In het dagelijks leven bemoeiden ouders zich volgens hem weinig met hun kroost. Tot een jaar of zeven werden kinderen geknuffeld als een soort huisdieren en daarna opgenomen in de wereld van de volwassenen. Ariès concludeerde dat er niet zoiets als een echte kindertijd bestond, dat zou pas vanaf 1600 het geval zijn geweest. Zijn boek leidde tot een decennialang debat. De voornaamste kritiekpunten waren dat hij een erg beperkt aantal bronnen had gebruikt, dat kinderen juridisch wél werden beschermd (en dus als waardevolle wezens werden gezien) en dat ouders heus voor hun kinderen zorgden. Bovendien was de middeleeuwse kunst vergeven van voorstellingen van Jozef, Maria en Jezus: er was dus wel degelijk aandacht voor het gezin.
Duidelijk is in ieder geval wel dat vanaf 1500 een gescheiden kinderwereld vorm kreeg. Met de opkomst van het protestantisme werd de samenleving strenger en serieuzer. Volwassenen hoorden zich niet meer ongeremd aan spel over te geven, dat werd iets voor de jeugd, zoals bijvoorbeeld is te zien op een zoekplaat van Pieter Brueghel de Oude van tachtig populaire kinderspelen.

Het nieuwe wereldbeeld was somber. Volgens protestantse theologen was de mens van nature slecht en belast met de erfzonde, kinderen ook. Die werden altijd al geslagen, maar de protestanten maakten het nog erger. Ze wilden tot elke prijs voorkomen dat kinderen afdwaalden van het ware geloof en een harde hand was dan onvermijdelijk. Ook op de scholen en schooltjes die overal verrezen. Dirck Adriaensz Valcooch schreef in 1591 in een handboek voor schoolmeesters dat de belangrijkste gereedschappen van een onderwijzer ‘een fraeye handtplacke’ en een ‘roede van wilghen tacke’ waren. Een plak en een roede dus, al adviseerde hij de inzet ervan op te bouwen en geen verwondingen te veroorzaken. Het idee dat kinderen het ‘leuk’ moesten hebben op school, kwam in niemand op. Ze moesten er vooral Gods woord leren kennen, wat elementaire omgangsvormen opdoen en enigszins leren lezen, schrijven en rekenen. De lesstof bestond uit dorre, vaak onbegrijpelijke teksten die er met eindeloze herhalingen werden ingestampt. Het sprak vanzelf dat kinderen een hekel aan school hadden.

Overigens was niet iedereen zo streng. De humanisten, en vooral Erasmus, pleitten voor een liefdevolle relatie tussen leraar en leerling. Juist dan zouden kinderen beter leren. Ze behoefden enige sturing en moesten niet worden verwend, maar lijfstraffen waren uit den boze.
‘Onbeschreven blad’
Het zeventiende-eeuwse Verlichtingsdenken betekende weer een omslag. Filosofen wezen op het belang van onderzoek en rede om de schepping te begrijpen. Een van hen was de Engelsman John Locke, die met optimistische, pedagogische inzichten kwam. Volgens Locke was ieder mens bij zijn geboorte een ‘onbeschreven blad’ en kon hij door opvoeding worden gevormd. Zo’n opvoeding moest ongedwongen en niet gewelddadig zijn. Kinderen moesten naar hun leeftijd worden behandeld en veel kunnen buitenspelen. Ze hoefden geen knellende kleding te dragen en dienden eenvoudig voedsel te eten. Ook moesten ouders en leraren rekening houden met het karakter van een kind.
Overigens ging het Locke, zoals vrijwel alle pedadogen, vooral om de jongens uit de betere standen. Meisjes mochten leren, en kregen daartoe vaak wel enige kans, maar omdat ze toch trouwden werd er weinig in hen geïnvesteerd.

De Nederlandse Republiek was in deze jaren een pedagogische voorloper. De huishoudens waren klein: ze telden meestal maar twee generaties, een ouderpaar en enkele kinderen. De grootouders leefden vaak niet meer en personeel woonde elders. In deze gezinnen was veel aandacht voor de kinderen en werd rekening gehouden met hun individuele behoeften. Nederlanders hechtten erg aan dit clubje huisgenoten. Opvallend genoeg is daar in onze taal ook een apart woord voor: ‘gezin’. In veel andere talen vallen alle verwanten onder de term ‘familie’.
Er werden gezinsportretten gemaakt waarop ouders en kroost samen poseerden en uitdroegen hoe het hoorde. In een goed gezin heersten orde en rust. Op de schilderijen van Jan Steen is te zien hoe het juist niet moet: de ouders laten de kinderen aan hun lot over, er heerst chaos. Ook de populaire dichter Jacob Cats pleitte voor discipline, al kostte dat opvoeders nog zoveel moeite. Maar nageslacht vergde nu eenmaal offers: ‘Kinderen zijn hinderen.’

Zelf had Cats drie van zijn vijf kinderen verloren, en dat was geen uitzondering. Veel gezinnen waren klein doordat een deel van de nakomelingen was doodgegaan. Zeventiende-eeuwers reageerden daar gelaten op. Ze waren verdrietig, maar aanvaardden het als de wil van God. Er verschenen boekjes waarin stervende kinderen werden verheerlijkt die hun lot accepteerden en vol vertrouwen naar de Schepper gingen.
Ideale gezin zat zingend rond de piano
Eind achttiende eeuw kreeg de Franse denker Jean-Jacques Rousseau veel invloed. Volgens hem was de mens van nature goed en moest de opvoeding in dienst staan van het natuurlijke groeiproces. De aanleg van een kind moest richtinggevend zijn, opvoeders dienden het vooral niet te veel in de weg te leggen. Romantici als hij vonden niet alleen kennis, maar ook intuïtie en het onbewuste belangrijk. Terwijl de Verlichting uitging van het maakbare kind, zag de Romantiek het kind als ‘de vader van de mens’ – alles begon met de jeugd. Er kwam meer ruimte voor spelend leren en ook voor sport.
Romantici zagen de moeder als de spil van een hecht, burgerlijk gezin, waarin iedereen zich eendrachtig zingend rond de piano schaarde. Die moeder diende zelf voor haar kinderen te zorgen. Ook voor de baby, die ze zelf de borst gaf en niet meer uitbesteedde aan een voedster, zoals lang gebruikelijk was.
In deze tijd werden de eerste contouren zichtbaar van kinderen als consumenten. Uitgevers begonnen in te spelen op hun leergierigheid door speciale atlassen, encyclopedieën en almanakken voor hen uit te brengen. Wel was alles doordrenkt van een belerende moraal. Zo verschenen in 1810 De brave Hendrik en een jaar later De brave Maria van Nicolaas Anslijn. Vooral het eerste boek, over een jongetje dat zich precies gedraagt zoals volwassenen willen, sloeg aan. Het werd gebruikt als leesboek in het lager onderwijs en beleefde zestig herdrukken.
De nadruk op de puurheid en de onschuld van kinderen veroorzaakte een angst voor seksualiteit. Ze mochten absoluut niet masturberen, want daarmee zouden ze niet alleen zichzelf maar de samenleving als geheel te gronde richten. Daarom werden ze voortdurend gecontroleerd en soms moesten ze zelfs kuisheidsgordels dragen. Volgens psychiater Sigmund Freud werden middenklassekinderen neurotisch van alle eisen die aan hen werden gesteld.
De eeuw van het kind
Tegen het eind van de eeuw begon de sfeer te veranderen. Johan Kieviet publiceerde in 1891 het begin van een reeks over het leven van Dik Trom, een ondeugend, grappig, mollig jongetje met een hart van goud. Diks streken werden steevast goedgepraat door zijn vader met de woorden: ‘’t Is een bijzonder kind – en dat is-ie.’ Kinderliteratuur hoefde niet langer stichtelijk te zijn, maar mocht nu ook amuseren.
Idealen uit verschillende periodes kwamen bij elkaar. Nog steeds werd groot belang gehecht aan een zuiver geweten, zoals al gold voor de calvinisten in de periode van de Republiek. Maar een kind hoefde niet meer klakkeloos braaf te zijn. Het moest het goede doen uit eigen overtuiging en als individuele keuze, zoals de Verlichtingsdenkers vonden. En er zat ook een scheutje Romantiek bij: kinderen waren ongerept en dienden daarom met mededogen te worden behandeld. Voor ouders kwam er meer ruimte om van hun kroost te genieten, zeker nu de kindersterfte fors was afgenomen door betere hygiënische omstandigheden.

Het probleem was alleen dat het onderwijs niet met de tijd was meegegaan. Volgens reformpedagogen, zoals Maria Montessori, werden kinderen er blootgesteld aan een star, gereglementeerd systeem dat hun eigenheid onderdrukte. Deze wetenschappers vonden dat het ‘leuk’ moest zijn op school en bedachten nieuwe schooltypen die het individu centraal stelden. Een vooraanstaand pedagoge orakelde dat ‘de eeuw van het kind’ op aanbreken stond. Ze kreeg gelijk. Kinderen gingen helemaal in een eigen wereld leven, waarin ze steeds langer onderwijs kregen en hun ouders niet meer hoefden te helpen met de kost verdienen.
Nederlandse kinderen zijn volgens UNICEF inmiddels de gelukkigste ter wereld. Tegelijkertijd is op scholen sprake van een gezagscrisis, zo klagen docenten. Leerlingen luisteren niet en doen waar ze zelf zin in hebben. Wat dat betreft is er in 500 jaar weinig veranderd. De ondeugende Jan en Cornelia Foppesz hadden zich hier vast helemaal thuis gevoeld.
Meer weten
- Vijf eeuwen opvoeden in Nederland (2006) door Nelleke Bakker e.a. biedt een goed overzicht.
- Een geschiedenis van het onderwijs in Nederland (2018) door Piet de Rooy gaat in op pedagogische idealen.
- Childhood in World History (2006) door Peter Stearns beschrijft internationale ontwikkelingen.
