Home ABN: Nederlands voor nette mensen

ABN: Nederlands voor nette mensen

  • Gepubliceerd op: 2 januari 2024
  • Laatste update 08 feb 2024
  • Auteur:
    Philip Dröge
  • 10 minuten leestijd
ABN: Nederlands voor nette mensen

Eeuwenlang zijn de grammatica en het vocabulaire van het Nederlands een zootje. Pas rond 1900 ontstaat het Algemeen Beschaafd Nederlands. Dankzij de nieuwe massamedia en het onderwijs dringt deze standaardtaal door tot in elke Nederlandse woonkamer.

In 1625 komt bij boekverkoper Daniël Roels aan de Leidse Nieuwstraat een interessant werkje uit, geschreven door wiskundige Christiaen van Heule. De titel, Nederduytsche Grammatica ofte Spraec-konst, laat er geen misverstand over bestaan, dit is een uitgave voor fijnproevers van taal. Ze zullen de deur niet hebben platgelopen daar tegenover de Hooglandse Kerk: ongeveer de helft van de Leidenaren kan op dat moment lezen en schrijven. Een veel kleiner percentage heeft geld voor een luxegoed als boeken. Nog geringer is het aantal mensen dat zich interesseert voor zoiets triviaals als hoe je woorden uitspreekt.

Meer historische context bij het nieuws? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Hoeveel of hoe weinig exemplaren er ook over de toonbank gaan, de publicatie van het boekje is toch een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de Nederlandse taal: voor het eerst doet iemand een poging de vaderlandse grammatica in regels te vangen. Van Heule vindt dat het Nederlands zes naamvallen heeft en hij introduceert de redekundige ontleding. Hij bedenkt het verschijnsel lijdend voorwerp, dat hij gront noemt. De wiskundige schrijft ook dat de woorden hen en hun wat hem betreft een andere functie in een zin hebben, een verschil waar Nederlandstaligen sindsdien vaak mee worstelen.

Titelblad van Spraec-konst, 1625.
Titelblad van Spraec-konst, 1625.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Veel indruk maakt Spraec-konst niet, laat staan dat deze grammatica een officiële status krijgt. De overheid houdt zich niet actief bezig met ontleding. Maar er is met deze uitgave wel degelijk iets in gang gezet: in de drie decennia daarna pakken allerlei andere schrijvers de draad op. Drie jaar na Van Heule publiceert de Haarlemse predikant Samuel Ampzing een boekje over de correcte spelling, er komen nog een paar grammaticaboekjes uit en zelfs woordkunstenaar Pieter Corneliszoon Hooft schrijft verschillende publicaties over hoe een mens beschaafd Nederlands voortbrengt.

Dankzij al die boeken is er ineens een correcte en een platte manier van spreken en schrijven in ons land. Het is een voorzichtige aanzet tot een standaardtaal.

Ham, skinke en hesp

Alleen luisteren veel landgenoten niet naar de geleerde heren. Taal is in de zeventiende en achttiende eeuw nog vooral een regionale of zelfs lokale aangelegenheid. Hoe je een woord uitspreekt, verschilt enorm tussen Groningen en Middelburg. Spelling is een zootje, Daniel Roels noemt zichzelf boeck-vercooper, maar collega’s in Amsterdam en Deventer zijn in diezelfde tijd boekverkoopers. Het grote verschil in vocabulaire leidt zelfs op relatief korte reizen vaak tot spraakverwarring. Zo bestel je in Haarlem een broodje met ham, stoppen ze in Zwolle skinke tussen je boterhammen, terwijl een echte Tilburger het gepekelde varkensvlees hesp noemt.

Toch begint er heel langzaam iets van een eenheid te ontstaan. Dat komt doordat Nederlanders steeds mobieler worden en dus vaker te maken krijgen met mensen uit andere streken. Een andere belangrijke factor is de kerk. Welke dictie gebruik je om het woord van God op te schrijven? Hoewel de Statenbijbel van 1637 niet dient als basis voor het Standaardnederlands – zoals weleens wordt gesuggereerd – dwingt het schrijven ervan geleerde Nederlanders wel tot dieper nadenken en discussiëren over de taal. Dat doen de schrijvers in opdracht van de Staten-Generaal, waarmee de spelling van de Bijbel wel degelijk een officieel tintje krijgt.

Op dit stukje zilver staat oeroud Nederlands uit de vijfde eeuw. Collectie Valkhof Museum.

Hebban olla vogala

Wat is de oudste voorvader van het Nederlands? In de Lage Landen spraken mensen rond het jaar 1000 drie hoofdtalen: Oudfries, Oudsaksisch en Oudnederlands. Die laatste taal zou uitgroeien tot de standaard in zowel Nederland als Vlaanderen, maar ook het Oudfries en Oudsaksisch hebben woorden en verbuigingen nagelaten.

De beroemdste zin in het Oudnederlands is zonder twijfel: ‘Hebban olla vogala nestas’. Lang is aangenomen dat deze in West-Vlaanderen opgetekende regel de oudste voorvader van het huidige Nederlands is. Maar recentelijk zijn taalkundigen tot de conclusie gekomen dat het gaat om een mengsel van Oudengels en Oudnederlands.

Bovendien zijn er oudere zinnen die behoren tot de stamboom van onze taal. ‘Gelobistu in got alamehtigan fadaer,’ luidt een Oudsaksische doopgelofte uit Utrecht van eind achtste eeuw. ‘Geloof je in God, de almachtige vader,’ in modern Nederlands. Het kan nog ouder, maar ook obscuurder: ‘Haþuþȳwas ann kusjam logūns.’ Deze spreuk, gegraveerd in runentekens in een stuk zilver uit de buurt van Tiel, komt waarschijnlijk uit de vijfde eeuw. ‘Ik gun een zwaard aan de uitverkorenen,’ staat er in een Frankische oerversie van het Oudnederlands.

De makers van deze vertaling komen uit alle gewesten en nemen allemaal hun eigen uitspraak en vocabulaire mee. Is het peerd of paerd? Over dat soort vragen kunnen ze dagenlang debatteren, waarbij noord het opneemt tegen zuid, en oost tegen west. Dat leidt tot compromissen en inconsequenties. Zo wordt het uiteindelijk peerd, maar wel weer aerde in plaats van eerd(e). Het zeer Duits klinkende voornaamwoord du verdwijnt, golt wordt goud. Onze taal wordt prachtige termen als zondebok en de mantel der liefde rijker. God spreekt pardoes Nederlands. Dat pardoes is overigens een zeventiende-eeuws leenwoord uit het huidige Duitsland. Het komt in de Statenbijbel nog niet voor.

Is het peerd of paerd?

Nationale taal

Na al die vroege pogingen, duurt het nog meer dan een eeuw voor de standaardisatie van het Nederlands echt doorzet. Uitgerekend in het linguïstisch afwijkende Friesland slaan ze een volgende mijlpaal. Dat gebeurt door Everwinus Wassenbergh, die in 1797 aan de universiteit van Franeker de eerste leerstoel Nederlandse taal gaat bekleden. Zijn benoeming past in het tijdsbeeld. Er is behoefte aan eenheid, Nederland wordt dankzij de ideeën van de Franse Revolutie een echte natie. Daar hoort een officiële taal bij, en uiteraard geleerden die zich bezighouden met de exacte uitspraak en spelling.

Nieuwslezer Philip Bloemendal van het Polygoonjournaal spreekt Standaardnederlands.
Nieuwslezer Philip Bloemendal van het Polygoonjournaal spreekt Standaardnederlands. Foto: Spaarnestad Photo.

De echte standaardtaal ontstaat aan het begin van de negentiende eeuw. Dan krijgt de Leidse theoloog en taalkundige Matthijs Siegenbeek van de Bataafse overheid de opdracht om de Nederlandse spelling te vangen in regels. Hij publiceert in 1804 het boek Verhandeling over de Nederduitsche spelling en enkele jaren later schrijft hij ook nog een boek over de grammatica. Siegenbeek introduceert bijvoorbeeld de lange ij, zodat we ijzer gaan schrijven in plaats van yzer. Peerd wordt weer paard, want de West-Nederlandse wijze van spreken wordt dominant, ten koste van de Vlamingen, Tukkers, Groningers en Limburgers. Scholen gaan deze nieuwe spelling in de jaren daarna onderwijzen. Nederlandse wetboeken worden in deze nieuwe taal opgesteld, waarmee de staat aangeeft dat dit nu de maatstaf is.

Met dit woordenboek klinkt ook het startschot van een andere traditie: klagen over de spellingshervorming. Er is veel kritiek op Siegenbeek, mensen vinden hem te consequent, of juist niet consequent genoeg. Vooral historicus en auteur Willem Bilderdijk verzet zich met hand en tand tegen de regels van de Leidenaar en blijft doodleuk in zijn eigen spelling schrijven. Ook andere concurrerende spellingswijzen blijven nog tientallen jaren rondspoken in boeken en periodieken. Taal maakt emoties los, discussies over spelling zijn vaak goed voor langdurige twisten.

Briefschrijvers zijn de ‘klemtoonterreur’ zat

Niet alle kritiek op de spelling uit 1804 is onterecht, Siegenbeek heeft sommige zaken onnodig complex gemaakt. Dankzij hem zitten we opgescheept met de g en ch, die in de praktijk hetzelfde klinken, maar volgens hem een andere functie hebben. Daarom leren kinderen begin negentiende eeuw dat je het woord voor verwarming schrijft als kachgel. Een woord als gooien spelt de zeer rechtlijnige Siegenbeek als gooijen. Waar mensen eerst gebrekig zeiden, wordt het in de nieuwe spelling gebrekkig, want het meervoud van gebrek zou gebrekken moeten zijn, redeneert Siegenbeek.

Vandaar dat er in 1863 een grondige herziening van de Nederlandse spelling komt, door taalkundigen Matthias de Vries uit Leiden en Lamert te Winkel uit Arnhem. Zij schrijven samen de eerste versie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Ze standaardiseren de spelling nog verder, versimpelen sommige erg complexe spellingsregels en maken het Nederlands klaar voor de nieuwe eeuw. Zo schrijf je vanaf dat moment kachel en gooien, zoals Bilderdijk ook al deed. Postuum krijgt hij alsnog gelijk in de grote taaldiscussie.

Boerenspandoek in het Achterhoeks, 25 mei 2023.
Boerenspandoek in het Achterhoeks, 25 mei 2023. Foto: ANP.

Poldernederlands

Het Standaardnederlands staat onder druk, beweert taalkundige Jan Stroop. Hij introduceerde eind jaren negentig de term Poldernederlands. Deze nieuwe versie van onze taal kenmerkt zich door een meer geknepen uitspraak van bepaalde klanken. Het duidelijkst zou dat te horen zijn bij de ij- en ei-tweeklanken, die beide in het Poldernederlands eerder als aai klinken. Dan wordt hij blij uitgesproken als haai blaai, uit als aut en komt mensen uit de mond als minsen. Niet alle linguïsten zijn het met Stroop eens dat het om een nieuwe ontwikkeling gaat. Groepen binnen de Nederlandse bevolking zouden al eeuwen deze plattere uitspraak bezigen. Alleen hebben de massamedia deze manier van spreken populair gemaakt. Stroop denkt dat Poldernederlands is begonnen bij jonge vrouwen uit de Randstad, maar nu is opgepikt door andere groepen. Onder andere door Paul de Leeuw; hij zong de ballade ‘Blaif bai mai’.

Veelzeggend is dat hun woordenboek sinds die tijd als dé leidraad voor het Nederlands taalgebruik fungeert. Sinds hun eerste uitgave is het lexicon door vijf generaties taalkundigen bijgewerkt om nieuwe woorden en spellingswijzen toe te voegen; de laatste uitgave dateert uit 2001. Het Nederlands heeft smoel gekregen, hoewel het bijna twintig jaar duurt voor de staat het Woordenboek uitroept tot norm in het officiële verkeer. Ook de nieuwe republiek Zuid-Afrika neemt dit woordenboek als linguïstische Bijbel, waarmee de nieuwe standaardtaal der Nederlanders ook naar andere continenten reist.

Luustern

Leuk natuurlijk, wat al die geleerde mensen in de isolatie van de eigen studeerkamer hebben bedacht. Maar voor grote groepen landgenoten blijft de uitspraak en dictie van het Nederlands rond de vorige eeuwwisseling nog altijd een kwestie van waar je wieg heeft gestaan. Van Wieringerwerf tot Waubach en van Yerseke tot Ilpendam, overal zingen de vogeltjes zoals ze plaatselijk gebekt zijn. Een reprimande voor een stout kind klinkt in Winschoten heel anders dan in Weesp: ‘Doe mos noar mie luustern aans krigst doe wat mit slaif! (‘Je moet naar me luisteren, anders krijg je een klap met de pollepel’).

Doe mos noar mie luustern aans krigst doe wat mit slaif!

Fin de siècle dialectoloog Johan Winkler ziet het Standaardnederlands zelfs helemaal niet aanslaan. In het tijdschrift Taal en Letteren – eind negentiende eeuw is er genoeg belangstelling voor een eigen periodiek over vaderlandse linguïstiek – schrijft hij in 1896 een artikel waarin hij de Standaardtaal op dat moment een speeltje noemt voor geleerden, rechters en politici. Het is volgens hem zeker geen ‘dageliksche verkeertaal’. Gelukkig, vindt hij, dat zou de rijke verscheidenheid aan dialecten maar tenietdoen. ‘De geijkte nederlandsche taal is dood en maakt dood tevens,’ schrijft Winkler met enig gevoel voor drama.

Winkler introduceert in het artikel een term die we nu nog kennen als we het hebben over de standaardtaal: het Algemeen Beschaafd Nederlands of ABN. De term slaat niet onmiddellijk aan, pas na de oorlog gebruiken mensen de afkorting geregeld om aan te geven welke uitspraak nette mensen gebruiken in het sociale verkeer. Winklers andere voorspelling begint dan ook uit te komen, dialecten komen door dat ABN onder druk te staan, de nieuwe massamedia en het steeds meer gestandaardiseerde onderwijs zorgen dat de standaardtaal vanaf de oorlog doordringt tot in elke Nederlandse woonkamer.

Oude vrouw leest het Evangelie van Lucas. Door Gerard Dou, circa 1631.

Waar de exacte interpretatie van dat ABN geregeld leidt tot verhitte discussies. Vooral tussen de Randstad, waar het plaatselijke taalgebruik dicht tegen het Standaardnederlands aanligt, en de rest van het land. De vraag op welke lettergreep in het Nederlands de klemtoon hoort te komen, leidt in 1967 nog tot een polemiek tussen het hoofd van de Radionieuwsdienst en vele schrijvers van ingezonden brieven in de kranten. Ze zijn de ‘klemtoonterreur’ van de radio zat, omdat die te veel op westerse leest zou zijn geschoeid. Is iemand wérkzoekend of werkzóékend? Is het ángstaanjagend of angstaanjágend? Een nieuwslezer die niet meedoet met de norm van de Radionieuwsdienst krijgt ontslag, tot consternatie van de natie.

Taal en hoe die correct te bezigen, blijft een heikel punt, al gaan de discussies sinds de twintigste eeuw vaak over redelijk triviale dingen. Pannekoek of pannenkoek? We zijn vooral bezig de puntjes op de i te zetten.

Meer weten:

  • Taal als mensenwerk. Het ontstaan van het ABN (2010) door Nicoline van der Sijs behandelt de geschiedenis van de standaardisatie.
  • Hun hebben de taal verkwanseld (2010) door Jan Stroop beschrijft recente veranderingen in het Nederlands.
  • Grote geschiedenis van de Nederlandse taal (2021) door Jelle Stegeman bevat een hoofdstuk over de doorbraak van het ABN in de twintigste eeuw.

Openingsbeeld: Een meisje in de weer met een grote leesplank.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 1 - 2024