De Communistische Partij van China bemoeit zich sterk met de geschiedschrijving van het land. Want alleen door zichzelf een heldenrol toe te kennen, kan ze haar alleenheerschappij legitimeren. In zijn nieuwste boek ontzenuwt historicus Frank Dikötter de mythes die de communisten vertellen. ‘Je kunt het je nu nauwelijks voorstellen, maar tot 1942 was de partij betrekkelijk marginaal.’
Frank Dikötter is de ongeautoriseerde chroniqueur van de Communistische Partij van China (CPC). Hij produceerde een omvangrijk oeuvre over de Chinese moderne geschiedenis, onder meer een trilogie over China vanaf de oprichting van de Volksrepubliek in 1949. Met Morgenrood boven China voegt hij daar een nieuw boek aan toe. Daarin beschrijft hij de periode die aan de Volksrepubliek China voorafging: vanaf de oprichting van de partij in 1921 tot en met de overwinning van de communisten op de nationalisten van Chiang Kai-shek in 1949.

En dan te bedenken dat zijn professionele betrokkenheid bij de geschiedenis van het moderne China min of meer toevallig tot stand kwam. ‘Nadat ik met mijn ouders vanuit Geleen naar Genève was verhuisd, heb ik in Zwitserland Russisch gestudeerd. Ik was een enorme fan van de schrijver Fjodor Dostojevski en vastbesloten om naar zijn vaderland te gaan,’ vertelt Dikötter in een videogesprek vanuit zijn werkkamer in Stanford. ‘Maar het was midden in de Koude Oorlog en vanwege mijn Nederlandse paspoort kon ik geen studievisum voor de Sovjet-Unie krijgen. Omdat ik ook een minor Chinees had gedaan, koos ik voor China, waar geen restricties voor golden.’
Geen spijt van die beslissing?
‘In retrospectief heb ik juist geluk gehad. Archiefonderzoek in Moskou is een stuk minder leuk dan in Chinese steden op onderzoek gaan.’
Het is de laatste jaren moeilijker geworden om archiefonderzoek te doen in China. Hoe bent u aan nieuw materiaal voor dit boek gekomen?
‘Ik zoek nooit naar onderwerpen om over te schrijven. De onderwerpen komen naar mij toe in de vorm van primaire bronnen waarop ik stuit. Mensen denken weleens dat ik alles zorgvuldig plan, maar zo zit ik helemaal niet in elkaar. Nadat ik de trilogie had voltooid, dacht ik bij mijzelf: wat nu? Ik verwachtte niet dat er een prequel mogelijk was. Maar ik wist dat er in de jaren tachtig een enorm project was geweest, waarbij het Centrale Archief alle archieven in China uit de periode 1923-1949 bij elkaar had geveegd en vastgelegd in maar liefst 300 boeken van ieder honderden pagina’s dik.
Het probleem was alleen dat deze boeken nèibù waren, alleen toegankelijk voor het hogere partijkader en zeker niet voor buitenlandse wetenschappers. Ik ben er desondanks in geslaagd ze in digitale vorm aan te schaffen, waardoor ik ze makkelijk kon doorzoeken. En zo kon ik ze tijdens de coronaperiode vanuit huis doorspitten zonder ook maar een moment in de Volksrepubliek te hoeven zijn.
Er was nog wel aanvullend werk nodig, hoor. Ik heb ook archiefonderzoek gedaan in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de Verenigde Staten en Taiwan. Archiefmateriaal van voor 1949 blijft extreem zeldzaam. Bijvoorbeeld over de Lange Mars van de communisten door China in 1934 zijn maar weinig geschreven bronnen in het Chinese archief te vinden. Logisch, want ze waren constant onderweg en hadden wel andere dingen aan hun hoofd. Maar Franse missionarissen documenteerden de Mars wel. En die zaten toen zo’n beetje overal in China. En diplomaten van westerse mogendheden hebben ook het een en ander nagelaten.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees
Wat zijn uw belangrijkste bevindingen?
‘Zonder de Sovjet-Unie was er nooit een communistische eenpartijstaat in China geweest. Die stuurde decennialang adviseurs, wapens en geld. Het is eigenlijk nauwelijks voor te stellen dat de Russen zich er zo intensief mee bemoeiden. Stel je voor dat een land op deze wijze gewapende groepen in Limburg zou steunen die zich tegen de regering in Den Haag verzetten. maar Sovjetleider Jozef Stalin bemoeide zich er keer op keer mee en redde zo herhaaldelijk de communistische partij van de ondergang.’
‘Zonder de Sovjet-Unie had de eenpartijstaat China niet bestaan’
Mij vielen twee dingen op: hoe klein de communistische partij lang was en het instrumentele gebruik van geweld.
‘Ik realiseerde me tijdens het schrijven hoe bitter weinig aantrekkingskracht het communisme tot de jaren veertig had. In de industriestad Wuxi had de partij 25 leden. De afgevaardigden die de CPC in 1921 oprichtten vertegenwoordigden 63 leden. Zelfs Portugal had relatief meer partijleden dan China. De kranten in die tijd berichtten nauwelijks over de partij, ook niet over wat we tegenwoordig sleutelmomenten zouden noemen. Je kunt het je nu nauwelijks voorstellen, maar tot 1942 was de partij betrekkelijk marginaal. In 1940 had ze één lid per 1700 inwoners. Dat was vergelijkbaar met de Verenigde Staten op dat moment; niet bepaald een land dat wordt beschouwd als leidend in de internationale communistische beweging.
China was in die tijd heel erg met zichzelf bezig en de partij eigenlijk ook. Uit stukken blijkt dat het bestuur zich druk maakte over leden die hun contributie niet betaalden of over de lage opkomst bij partijbijeenkomsten. In de vroege jaren bleek het helemaal niet te gaan over landhervormingen waarbij het land van de rijken aan de armen werd gegeven. En hoe de rode rangen aanzwollen tot miljoenen. Zo was het helemaal niet. China was nooit overmatig geïnteresseerd in communisme, op een kleine groep ideologen na. Ik was gehersenspoeld dat ik dat dacht.’
Dus zelfs de ongeautoriseerde chroniqueur van de CPC was gehersenspoeld?
‘Haha, zo is het.’
Het moet een extreem gewelddadige tijd zijn geweest. Na de val van de Qing-dynastie waren er krijgsheren die elkaar bevochten en daarna was er een slepende burgeroorlog tussen de communisten en nationalisten. En toen moesten de Japanners nog komen.
‘Ik heb kritiek gekregen op de nadruk die ik in mijn trilogie op het geweld van de partij zou leggen. Maar ik baseer mij altijd op primaire bronnen. De mate van geweld was zo groot dat burgers het gebied ontvluchtten zo gauw dat door communisten werd bezet. Revolutie is geen theekransje, heeft Mao weleens gezegd, het is macht van een ander afpakken. Om dat te bereiken moet je elimineren wie de touwtjes in handen hebben en de overblijvers medeplichtig maken. Ik beschrijf een scène waarin dat goed tot uitdrukking komt: iemand die tot antirevolutionair was bestempeld werd gedwongen door een straat te lopen, waar iedereen een mes moest meebrengen om hem een steek toe te dienen. Het was niet voldoende om hem te executeren en anderen te laten toekijken. Nee, het moest een daad van de hele groep tegen die persoon zijn. Het waren echte maffiapraktijken.
‘Revolutie is geen theekransje, zei Mao’
Ik wil het geweld in de periode van de jaren tien, twintig en dertig niet bagatelliseren. Er was vrijwel continu en overal strijd en natuurlijk kwamen burgers in het gedrang als krijgsheren het tegen elkaar opnamen. Maar voor gewone Chinezen speelde het een minder prominente rol. In bronnen is nauwelijks wat te vinden over dit oorlogsgeweld. Wel over andere plagen, zoals overstromingen, droogte en bandieten. Het geweld was voor krijgsheren ook geen doel op zichzelf. De communisten daarentegen hanteerden de filosofie dat geweld noodzakelijk was om één simpele reden: beter honderd onschuldigen doden dan één contrarevolutionair laten leven, want die zou vroeg of laat terugkomen om jou te doden. Zij koesterden de Rode Terreur. Pas toen de Japanners in 1937 hun volledige invasie van China begonnen, vond opnieuw een escalatie plaats in de schaal en de wreedheid waarmee terreur werd toegepast.’

In zijn nieuwste boek beschrijft Dikötter hoe de communisten verschillende keren op het punt stonden de strijd tegen de nationalisten van Chiang te verliezen. Maar steeds overleefden ze door omstandigheden buiten henzelf. ‘Ik ben van de “shit happens”-school van historici,’ lacht hij. ‘Stalin redde meermaals de Chinese communisten door Chiang te dwingen hen te sparen. In 1935 kon Chiang het karwei afmaken, maar stelde hij het uit om eerst het gezag in het zuiden te herstellen. En de geallieerden vroegen Stalin in 1945 om Mantsjoerije en Korea te bezetten om het einde van de Tweede Wereldoorlog te bespoedigen. Dat was achteraf bezien helemaal niet nodig geweest omdat ze over de atoombom beschikten om Japan tot overgave te dwingen. Maar het hielp de communisten in het zadel omdat de Sovjets het gebied na hun vertrek aan hen overdroegen. Het was vaak puur geluk. Tegelijk moet ik de communisten krediet geven voor hun vermogen om geluk en ongeluk voor hun eigen doeleinden aan te wenden.’
Niet alleen Dikötter documenteert de geschiedenis van de Communistische Partij van China nauwgezet, ook de partij zelf sleutelt continu aan haar eigen historie. In zijn boek beschrijft hij hoe Mao daar in feite al in 1935 mee begon toen hij de Amerikaanse journalist Edgar Snow uitnodigde. Hij diste hem een romantische versie van de Lange Mars op – een verhaal over communisten die in de heuvels vochten voor hun vrijheid. Snows boek Red Star over China werd een bestseller en kleurde het beeld van Mao en de partij in de wereld.
Waarom bemoeit de partij zich nog steeds met de geschiedschrijving, zelfs als het om gebeurtenissen gaat die meer dan honderd jaar geleden plaatsvonden?
‘Iedere natie doet dat op een of andere manier. Maar China is een eenpartijstaat. Er is nooit iemand naar de stembus gegaan om de CPC te kiezen, de legitimiteit moet van iets anders komen. En dat is het krachtige historisch narratief: de heersers van de Qing-dynastie die tot 1912 het land bestuurden waren corrupt, daarna stortten kwaadaardige krijgsheren het land in chaos en werd het vernederd door buitenlandse mogendheden, vervolgens grepen de fascisten van Chiang de macht. Zo bezien moeten de Chinezen dankbaar zijn dat Mao en de communisten het land hebben gered. Dit verhaal is het enige dat ze hebben.’

Wat zijn de grootste mythes van de communistische partij?
‘Het is verleidelijk om specifieke incidenten te noemen die in de propaganda van de partij een prominente rol spelen. Ik noem in mijn boek bijvoorbeeld de heroïsche oversteek onder vijandelijk vuur van de hangbrug bij Luding in 1935, dat in geen schoolboek of speelfilm over de Lange Mars ontbreekt. Op basis van primaire bronnen durf ik wel te zeggen dat daarbij geen schot is gelost. Of de mythe van de voortdurende strijd tegen de Japanse bezetter, terwijl de communisten die juist zorgvuldig probeerden te ontlopen en waarschijnlijk maar één keer slag hebben geleverd – en dan ook nog omdat ze Japanse troepen per ongeluk tegen het lijf liepen.
Maar we moeten naar het grote plaatje kijken. De grote leugen is dat communisten beweren een eerlijker maatschappij te hebben gecreëerd en dat een politiek monopolie daarvoor noodzakelijk was. Dat leidde tot een heruitvinding van de geschiedenis, waarbij gebeurtenissen die niet in dat verhaal passen eruit worden geschreven. Kijk naar de actuele situatie in Hongkong, waar het niet meer mogelijk is de Tiananmenopstand – het studentenprotest uit 1989 – te herdenken. Zo wordt de geschiedenis gecureerd.’
Zijn zij daarin eigenlijk succesvol? Als je met gewone Chinezen spreekt lijken zij zich niet zo druk te maken om de geschiedenis van de partij en de partijleiders. Ze beseffen dat het propaganda is.
‘Het eerlijke antwoord is dat we niet precies weten wat de mensen denken. Maar ik deel jouw gedachten wel. Veel mensen gaan mee in het verhaal omdat ze geen alternatief hebben. Maar die staat van gedwongen geheugenverlies moet permanent worden afgedwongen, want het zit niet in de genen van de mens om op commando te vergeten. Dat geldt voor iedere autocratie. Zo gauw de façade begint af te brokkelen, herinneren mensen zich hun geschiedenis weer. Want hoewel ze er misschien jarenlang niet over hebben gesproken, zijn ze die niet vergeten.’

President Xi Jinping noemt wetenschappers die het officiële narratief ter discussie stellen ‘historische nihilisten’. Het is in de Volksrepubliek zelfs strafbaar. Heeft u persoonlijk ooit tegenwerking ondervonden?
‘Nooit. Op geen enkel moment heeft iemand mij lastiggevallen. Ik ben nooit verhinderd om naar het Chinese vasteland te reizen. En ze hebben me behandeld als iedere onderzoeker in die zin dat ik niet alles vrijelijk kon zien, maar dat was niet tegen mij persoonlijk gericht. Het enige wat ik weleens heb gehoord is dat een historicus tijdens lezingen door heel China afgaf op mijn werk. Iemand vertelde me dat hij aan hem had gevraagd: waarom besteed je zoveel energie aan het werk van Frank? Kun je dat niet beter in het bestuderen van de CPC stoppen? Wat natuurlijk een goede vraag was.’
Toch bent u recentelijk van Hongkong naar Stanford verhuisd.
‘Dat was een onvrijwillige keuze. Ik heb studenten die in de gevangenis zitten. Ik heb collega’s die gevangen zitten. En ik heb vrienden die gevangen zitten. Ik kijk uit wat ik erover zeg, omdat ik graag Hongkong nog wil kunnen bezoeken. Laat ik zeggen dat ik het moeilijk vind om te accepteren wat daar allemaal is gebeurd. En ik zie die situatie ook niet meer verbeteren. Stanford geeft mij de innerlijke rust om mijn werk voort te kunnen zetten. Maar ik mis Hongkong iedere dag. Mijn vrouw en ik vonden het de beste plek ter wereld. Het ene moment loop je tussen de wolkenkrabbers en het volgende ben je urenlang door de natuur aan het wandelen zonder iemand tegen te komen. De contrasten zijn geweldig. We dachten dat we er voor altijd zouden blijven. Maar het mocht niet zo zijn.’
En welk verhaal moet nog geschreven worden?
‘Ik heb geen idee. Het boek is af, daarna ga ik me pas zorgen maken over wat ik vervolgens ga doen. Ik denk nu: ik ben wel zo’n beetje klaar.’
Dat zei u ook toen we elkaar na het verschijnen van uw vorige boek spraken.
‘Oh, werkelijk? Dat kan ik me niet herinneren. Maar het klinkt wel erg als mij.’
Frank Dikötter
(1961) studeerde geschiedenis en Russisch in Genève. Hij werkte aanvankelijk in China en Engeland. In 2006 werd hij als hoogleraar benoemd aan de Universiteit van Hongkong. Dikötter heeft een omvangrijke bibliografie opgebouwd, met als hoogtepunt drie kloeke werken over cruciale periodes in China’s moderne geschiedenis. Mao’s massamoord (over de Grote Sprong Voorwaarts, 2010), De tragiek van de bevrijding (2013) en De Culturele Revolutie (2016). In 2017 ontving hij daarvoor een eredoctoraat van de Universiteit Leiden. Vorig jaar verruilde Dikötter zijn plek in Hongkong voor een aanstelling aan de Hoover Institution van Stanford University. Onlangs verscheen Morgenrood boven China. Hoe communisten een kwart van de mensheid voor zich wonnen (448 p. Spectrum, € 39,99).

