• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 4/2012

    Willem II en de radicalen

    Door: Jaco Alberts

    Tijdens het koningschap van Willem II werpen radicale journalisten zich op als de kampioenen van het volk. Met de liberalen pleiten ze voor democratische hervormingen. Hoewel minder principieel dan ze zich voordoen – ze accepteren regelmatig zwijggeld van de koning –, boeken de radicalen succes als Willem II een nieuwe grondwet laat ontwerpen. Dat betekent wel het einde van het pact met de liberalen, die hen laten vallen een blok.

    Voor Adriaan van Bevervoorde is het de dag van zijn leven. Joelend dragen de werklieden van pletterij Van Enthoven de jonge radicale journalist in de avond van 15 maart 1848 op hun schouders door de straten van Den Haag. Er klinken vrolijke klanken van muzikanten uit de concertzaal van Diligentia, die de stoet begeleiden. In de bocht van de Kneuterdijk wordt Van Bevervoorde weer op beide benen gezet, vlak voor het koninklijk paleis. En wat weinigen verwachten gebeurt: op de stoep verschijnt koning Willem II zelf en drukt de journalist de hand.

    Beide mannen kennen elkaar. Vanuit zijn kantoortje boven café De Gouden Kroon aan de Groenmarkt is Van Bevervoorde de afgelopen jaren fel tekeergegaan. In tientallen artikelen in diverse blaadjes pleit hij voor democratische hervormingen en strijdt hij tegen willekeur van bestuurders. Het heeft hem veel problemen opgeleverd.

    Maar een week eerder is hij op het paleis ontboden, vlak na zijn oproep het conservatieve kabinet te vervangen door liberale ministers. Willem II is zenuwachtig geworden van revoluties elders in Europa en heeft Van Bevervoorde gevraagd naar de wensen van ‘het volk’. En nu is het feest. Want de koning heeft gedaan wat het volk volgens Van Bevervoorde wil: hij heeft de liberale oppositie opdracht gegeven een nieuwe, meer democratische grondwet te ontwerpen.

    Een cruciale gebeurtenis in de Nederlandse geschiedenis, de aanloop naar een veel moderner staatsbestel. Willem II werd ‘van zeer conservatief, binnen 24 uur zeer liberaal’, zoals hij het zelf zou zeggen. Typisch voor het wankelmoedige karakter van de vorst, oordelen de meeste historici. Want in het buitenland mocht dan van revolutie sprake zijn, in Nederland stelde de onrust onder de bevolking politiek bitter weinig voor.

    Toch zijn ook in Nederland dan al enkele jaren scherpe aanvallen te horen tegen de politieke orde. Van liberalen uit de elite zelf, maar daarnaast van radicale journalisten als Eilert Meeter en Adriaan van Bevervoorde, die zich opwerpen als kampioenen van het volk. Ze schrijven in kleine blaadjes met een beperkte lezerskring, maar worden door de autoriteiten gezien als gevaarlijk voor de openbare orde. Justitie vervolgt de radicale journalisten en schiet daarmee meestal in de eigen voet, want de ‘persprocessen’ trekken grote aandacht. Ook probeert de koning lastige publicisten geregeld met zwijggeld af te kopen.

    Dat er in Nederland sprake is van latente onvrede is niet zo gek. Als Willem II zijn vader in 1840 opvolgt, biedt het land een troosteloze aanblik: de vereniging met België is mislukt, de economische ontwikkeling tot stilstand gekomen. Voor de armoede waarin het gewone volk leeft hebben de gegoede burgers nauwelijks oog. Opklimmen in de starre standenmaatschappij is bijna onmogelijk.

    Dat is dé frustratie van Eilert Meeter, die in 1818 wordt geboren in Oude Pekela als zoon van een barbier. Meeter hoopt hogerop te komen dankzij een militaire carrière, maar brengt het slechts tot sergeant. Teleurgesteld en ontevreden komt hij in Groningse koffiehuizen in contact met lieden die spreken over revolutie. Dat gaat er tamelijk ongericht aan toe; sommigen willen zelfs de terugkeer van Lodewijk Napoleon.

    Begin 1840 richt Meeter zijn eerste blaadje op: De Tolk der Vrijheid. ‘Hoe veel de behoeftige klasse hier heeft te lijden,’ schrijft hij: ‘Hoe barbaarsch, hoe onmenschelijk zij behandeld wordt, door ellendige wezens, die door hunne domheid en laagheid tot allerlei betrekkingen worden verheven.’ Meeter pleit voor democratische hervormingen: rechtstreekse verkiezingen, progressieve belastingen en verantwoordelijkheid van ministers ‘opdat deze niet weder ongestraft gelden kunnen verdonkeren, waaraan het bloed en zweet der Natie kleeft’.

    Moderne pleidooien dus. Maar de journalist vliegt ook geregeld uit de bocht, met interessante parallellen naar populistische bewegingen van onze dagen. Zo verzet Meeter zich er in een reeks stukken fel tegen vreemdelingen, vooral Duitsers, vrij binnen te laten. Die verdringen de Nederlanders, werken zich omhoog en helpen elkaar voortdurend. Daarmee verbastert volgens Meeter het karakter van het Nederlandse volk. Ook is de toon die Meeter en zijn medewerkers aanslaan nogal grof. Over de Tweede Kamer schrijft hij: ‘Daar zitten de dikke oomes nu bij malkaar met hunne mooye pruiken, dikke buiken en dunne beenen!’

    Lang kan dat niet goed gaan. Als Meeter in mei 1840 verzeild raakt in een relletje tijdens de kermis op de Grote Markt, denkt justitie beet te hebben. ‘Leve de Republiek!’ en ‘Dood aan de koning!’ roepen dronken jongeren daar. Meeter wordt opgepakt voor samenzwering, maar wegens gebrek aan bewijs weer vrijgelaten. Wel volgt een proces om zijn artikelen: vier jaar cel voor majesteitsschennis. Advocaat Dirk Donker Curtius, tevens leider der liberalen, staat Meeter tevergeefs bij tijdens diens cassatie bij de Hoge Raad.

    Om zijn straf te ontlopen neemt Meeter in januari 1841 de wijk naar het buitenland. Een bestaan kan hij daar niet opbouwen. Berouwvol klopt hij in Parijs aan bij de Nederlandse consul. Die doet voor hem een goed woordje bij Willem II, waarna de koning hem gratie verleent. De journalist mag zelfs op audiëntie bij de vorst, die hem uit zijn privékas financieel gaat ondersteunen.

    Voor Meeter is dat geld niet voldoende. In Den Haag zuipt hij zich elke avond lam en verkeert hij in dubieus gezelschap, zo constateert de politie. ‘Dien smeerlap, dien bedrieger mijdt mij omdat hij mij geld schuldig is,’ aldus een kastelein. ‘Hij is er thans op uit om andere op te ligten.’

    Intussen verslechtert de situatie in Nederland zienderogen. De economie verkeert in crisis en de winter van 1844-’45 is zeer streng. Na het mislukken van de aardappeloogst in 1845 breken hongeroproeren uit. De oppositie wordt actiever. De liberalen van Donker Curtius en Thorbecke doen een mislukte poging de grondwet te wijzigen. En overal in het land zien ‘lilliputters’ het licht: oppositionele krantjes die door hun kleine formaat het ‘dagbladzegel’ ontwijken en dus goedkoop zijn.

    Meeter richt in Den Haag De Ooijevaar op. Net als andere lilliputters drijft het blad voor een deel op roddels over hof en aristocratie, want die verkopen goed. Maar daarnaast lanceert Meeter weer felle politieke aanvallen op de conservatieven, ‘eene bende van uitzuigers, verfoeilijker dan struikroovers’. Heel principieel is hij intussen niet. Want Meeter biedt de koning aan zijn blad te stoppen in ruil voor een flinke som geld. Interessant detail is dat de Haagse politie bewijzen zegt te hebben van nauwe contacten tussen Meeter en Donker Curtius, die hem soms incognito in het uitgaansleven zou vergezellen.

    In Den Haag barst in september 1845 de bom. Zo’n vierduizend mensen gaan de straat op uit protest tegen de hoge voedselprijzen. Er volgen plunderingen en de politie reageert met een reeks arrestaties. Ook ‘onruststoker’ Meeter wordt opgepakt. Na een voorarrest van meer dan een jaar spreekt de rechter de journalist vrij van betrokkenheid. Als Meeter zijn cel verlaat staat een juichende menigte hem op te wachten. ‘Dit alles getuigt toch van den ontwakende volksgeest,’ schrijft De Burger.

    De Burger is een blad van Adriaan van Bevervoorde. Die is inmiddels hard op weg Meeter als ‘kampioen van het volk’ te overvleugelen. Meeter bedingt na zijn vrijlating opnieuw een toelage van de koning en vertrekt weer naar het buitenland. Maar Van Bevervoorde staat nog aan het begin van een stormachtige carrière. Ook hij heeft onder de meeste historici een slechte pers, maar wordt wel hoger aangeslagen dan Meeter, wie het toch vooral om geld te doen is geweest. Als journalist is Van Bevervoorde bovendien zeer begaafd.

    Net als Meeter is jonkheer Adrien Jean Elise Engelbert van Bevervoorde tot Oldemeule een Groninger, in 1819 geboren in de stad. Maar anders dan Meeter komt Van Bevervoorde uit een aristocratisch geslacht, al is dat verarmd. De jonge Van Bevervoorde wil graag toneelschrijver worden, maar krijgt geen voet aan de grond. Sociaal maakt hij een diepe val als hij een kappersdochter schaakt en met haar in Londen ‘in schande’ en in armoede leeft. Hij krabbelt weer een beetje op dankzij journalistieke baantjes bij conservatieve kranten, zoals de Journal de la Haye van Henri Box – een nauw aan de overheid gelieerde krant.

    Zijn ontslag daar is voor Van Bevervoorde een lont in het kruitvat. In juni 1845 richt hij het Franstalige satirische blad Asmodée op. Van Bevervoorde wil zich wreken op Box en diens beschermheer, de conservatieve minister Van Hall. Toevallig zijn dat ook vijanden van beroepsintrigant jonkheer Regnerus van Andringa de Kempenaer, met wie hij in contact raakt. Van Andringa heeft jaren rond Willem II gecirkeld en de vorst slechte raad ingefluisterd. Maar nu wordt hij door minister Van Hall van het hof geweerd, al blijft hij de koning wel chanteren. In Asmodée gaat Van Bevervoorde fel tekeer tegen Van Hall en Box.

    Die aanvallen leveren Van Bevervoorde in 1846 een veroordeling op: twee maanden celstraf voor laster. De journalist grijpt naar een beproeft recept: hij dreigt de koning geheimen te openbaren rond een orangistisch complot in België dat in die dagen voor veel opschudding zorgt. Ook biedt hij Willem II aan in ruil voor geld zijn blad te stoppen. Als dat allemaal niet helpt, kiest Van Bevervoorde definitief voor de politieke oppositie. Zijn betogen worden principiëler van aard, al blijven ze gepaard gaan met persoonlijke schimpscheuten en goed verkopende roddels.

    Van Bevervoorde schrijft doorwrochte artikelen waarin hij pleit voor verandering van het kiesstelsel, verantwoordelijkheid van ministers en invloed van de Tweede Kamer op de koloniën. Ook roept hij op tot maatregelen tegen de armoede en houdt hij pleidooien voor religieuze verdraagzaamheid. Met de Nederlandstalige De Burger probeert hij intussen een breder publiek te bereiken, al blijft dat voor de aristocraat Van Bevervoorde lastig: hij spreekt vooral namens het volk, niet tot het volk.

    Toch groeit zijn bereik, want andere oppositionele blaadjes in het land gaan Van Bevervoorde beschouwen als ideologisch leidsman en kopiëren zijn stukken. Zo begint journalist Jan David de Vries in Amsterdam het weekblad De Hydra, dat goeddeels op het kompas van Van Bevervoorde vaart, maar een ‘volksere’ toon weet aan te slaan.

    Net als Meeter krijgt Van Bevervoorde steun van Donker Curtius, maar de journalist raakt teleurgesteld in de liberale oppositie. Onder invloed van intensieve contacten met Belgische en Franse democraten worden zijn standpunten radicaler. Van Bevervoorde springt steeds nadrukkelijker in de bres voor het ‘gewone volk’, de verdrukten. De liberalen vindt hij te oligarchisch en te slap.

    Op 7 november 1847 neemt Van Bevervoorde in Brussel deel aan de oprichting van de Association Démocratique, een soort democratische internationale. Ook Karl Marx is van de partij. Van Bevervoorde houdt een toespraak, die met luid gejuich wordt ontvangen. ‘Mijn meningen waren altijd zuiver democratisch,’ zegt hij. ‘Al mijn genegenheid gaat uit naar het volk. Zij die de zaak en het welzijn van het volk aan persoonlijke inzichten, aan particuliere belangen opofferen, kunnen slechts rekenen op mijn afkeer en vijandschap.’ Van Bevervoorde is dé vertegenwoordiger van de democraten in Nederland geworden en maakt met geestverwanten als De Vries plannen om een Nederlandse afdeling van de Association op te zetten.

    Toch houdt Van Bevervoorde zijn stuur niet altijd recht. Dat blijkt uit de affaire rond Petrus Jansen. Jansen is een figuur uit de Haagse onderwereld die lasterlijke praatjes over Willem II rondvertelt: de koning zou hebben geprobeerd hem te verleiden; eigenlijk zou hij een broer van de vorst zijn. De Haagse politie grijpt in en gijzelt hem, maar dat duurt begin 1848 al anderhalf jaar. Vanuit zijn gevangenschap weet Jansen Van Bevervoorde te bereiken en die schrijft een stuk in De Burger zonder de koning daarbij nog met name te noemen. Vervolgens wendt Van Bevervoorde zich tot Van Andringa de Kempenaer, wiens contact met de koning na het vertrek van Van Hall als minister is hersteld.

    Van Andringa weet de koning over te halen Jansen vrij te laten, Van Bevervoorde 10.000 gulden in termijnen te betalen en diens vader een onderscheiding te verlenen. In ruil belooft Van Bevervoorde geen aanvallen meer te doen op de koning. Helemaal afgehecht is de zaak dan nog niet, want ook andere journalisten krijgen er lucht van en de koning tast daartoe aangemoedigd door Van Andringa nog dieper in zijn buidel.

    Gevangen in een net van dergelijke intriges, krijgt Willem II eind februari te horen dat in Frankrijk de revolutie is uitgebroken en de koning gevlucht. Ook in andere landen is het onrustig. In Nederland hebben de spanningen niet veel om het lijf, maar in Amsterdam is begin maart wel veel volk op de been voor een persproces tegen De Hydra van Jan de Vries en hangen er aanplakbiljetten met ‘Leve de Republiek!’.

    Een zenuwachtige Willem II informeert dus bij Van Bevervoorde naar de wensen van het volk. En op 15 maart lekt uit dat de koning buiten zijn conservatieve ministers om besloten heeft de grondwet te wijzigen. Die middag ontmoet Van Bevervoorde een aantal liberalen, onder wie Donker Curtius, die hem oproept een betoging te organiseren om de koning nog een steuntje in de rug te geven. Het moet er vanzelfsprekend ordelijk aan toegaan, zo is de boodschap, maar het kan geen kwaad als er wat ruiten van ministers sneuvelen.

    De feestelijke optocht in Den Haag is zonder twijfel het finest hour voor Van Bevervoorde. De joelende menigte roept: ‘Leve de koning!’, en: ‘Weg met de ministers!’ De volgende avond vindt een identieke parade plaats. Na een nieuwe handdruk van de koning wordt de ‘volkstribuun’ teruggedragen naar Café De Kroon, waar hij volgens een Haags politierapport de menigte vanuit een raam toespreekt: ‘Medeburgers! Ik dank u; wij zullen ons doel bereiken, gaat nu gerustelijk uit en bederf de zaak niet door ongeregeldheden te plegen. Leve het vaderland, Leve de Koning!’ Later houdt de euforische Van Bevervoorde nog ‘eene gansch niet logische oratie’ op de biljarttafel en deelt hij ‘geld en genever’ uit aan ‘het gemeen’.

      Maar eigenlijk is zijn val dan al ingezet. Juist die middag heeft de rechtbank de journalist veroordeeld voor smaad tegen oud-minister Van Hall, die hij een ‘gewetenloze kwakzalvermisdadiger’ heeft genoemd. Bovendien komt Van Bevervoorde in grote moeilijkheden als op 24 maart in Amsterdam ernstige rellen uitbreken. De journalist staat in contact met Duitse arbeiders die hebben opgeroepen tot een nette demonstratie. Maar relschoppers zijn aan het plunderen geslagen. Het helpt niet dat onder de organisatoren het Communistisch Manifest circuleert. Waar kortgeleden nog ‘Leve Van Bevervoorde!’ klonk, wordt in Den Haag nu geroepen om ‘de lever van Van Bevervoorde’.

    Van de liberalen hoeft Van Bevervoorde geen hulp te verwachten. Mede dankzij zijn acties hebben ze de macht in de schoot geworpen gekregen. Maar met radicale journalisten willen de liberalen niet langer geassocieerd worden. De nieuwe minister van Justitie, Dirk Donker Curtius, neemt het heft stevig in handen. Hij ergert zich aan de hoge toon die Van Bevervoorde aanslaat. Dit keer krijgt de journalist geen steun bij zijn proces en van het hof wordt hij geweerd.

    Als in april in hoger beroep duidelijk wordt dat zijn straf van zes maanden cel en tien jaar ontzegging van burgerrechten onherroepelijk is, staakt Van Bevervoorde gedesillusioneerd zijn bladen en wijkt uit naar het buitenland. ‘Alle pogingen om het volk wakker te maken, lijden schipbreuk op eene hottentotse onverschilligheid,’ schrijft hij ten afscheid. De rol van de radicale journalisten is uitgespeeld.


    Meer weten

    De onovertroffen bron voor informatie over de radicale journalisten rond 1848 is nog altijd de voortreffelijke dissertatie van M.J.F. Robijns, Radicalen in Nederland (1840-1851), uit 1967. Meeter en Van Bevervoorde staan centraal, maar Robijns beschrijft ook de lotgevallen van tal van andere oppositionele journalisten uit die dagen. Een hindernis is wel dat de omvangrijke Franse citaten van Van Bevervoorde niet worden vertaald.

    Ook interessant is De pen in aanslag van Jacques Giele, oorspronkelijk ook al uit 1968, maar in 1998 uitgegeven in een geheel gewijzigde tweede druk. Giele legt een grote nadruk op radicalen in Amsterdam, met name Jan David De Vries van De Hydra.

    Als het goed is verschijnt volgend jaar Jeroen van Zantens biografie van Willem II (zie ook bladzijde 21-22). Tot die tijd kan met voor de politieke ontwikkelingen terecht bij J.C. Boogman, die ze in Rondom 1848, uit 1978, nauwkeurig reconstrueert. In Wacht op onze daden (1992) beschrijft Siep Stuurman de gebeurtenissen vanuit liberaal perspectief.