• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 1/2020

    Waterkunstenaar

    Hoe Leeghwater een nationale held werd

    Door: Fanta Voogd

    Jan Adriaanszoon Leeghwater was een duizendpoot. Hij droeg bij aan de inpoldering van de Beemster, ontwikkelde uurwerken en carillons, en metselde mee aan het Paleis op de Dam. Bovendien had hij een geweldig gevoel voor publiciteit. Mede daardoor verwierf hij een ereplaats in de vaderlandse geschiedenis.

    De faam van Jan Adriaanszoon Leeghwater begon met een spektakel. Tijdens de Amsterdamse kermis van 1606 gaf hij een demonstratie met wat hij zijn ‘waterconste’ noemde. Even buiten de stad dook hij voor het oog van wel ‘zeven of agt hondert menschen by malkander’ in het water van de Boerenwetering. Onder water at hij zestien peren, schreef hij iets op een briefje en speelde hij psalmen op een ‘schalmey’, een fluit. Pas na drie kwartier kwam hij weer boven, zo stelde iemand met een zandloper vast. Waarschijnlijk had Leeghwater zich verborgen in een omgekeerde waterdichte houten tobbe. Zijn stunt typeerde hem ten voeten uit. Als geen ander verstond hij de kunst de aandacht op zich te vestigen. Een vaardigheid waarvan hij zijn leven lang de vruchten zou plukken.
     

    Onder water eet Leeghwater 16 peren en speelt hij fluit

    Een jaar eerder had hij zijn ‘waterconste’ ook al vertoond, ergens tussen Den Haag en Delft, in aanwezigheid van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik. In mei 1605 had hij patent gekregen op zijn uitvinding, zonder dat hij het toestel had omschreven. Stadhouder Maurits zag waarschijnlijk krijgskundige mogelijkheden in de truc en wilde de exacte werking daarom geheimhouden.

    Onder de toeschouwers in Amsterdam was Dirck van Os, een van de schatrijke Amsterdamse kooplieden die een jaar later toestemming kregen om het Beemstermeer droog te maken. Het was deze Van Os die Leeghwater in 1608 inschakelde bij de droogmakerij. Leeghwaters naam zou voor altijd verbonden blijven aan deze prestatie.
     

    Een negentiende-eeuwse toevoeging aan de legende: Leeghwater geeft uitleg aan de prinsen Maurits en Frederik Hendrik tijdens hun bezoek aan de Beemster op 4 juli 1612.

    Veelzijdig talent

    Leeghwater werd in 1575 geboren in het dorp De Rijp op het Schermereiland. Dat lag ingeklemd tussen twee enorme, almaar uitdijende Hollandse meren: het Beemster- en het Schermeer. Zijn vader Adriaen Symonsz was doopsgezind, net als de meeste inwoners van De Rijp, en verdiende de kost als timmerman en molenmaker. Hij leidde zijn zoon op in hetzelfde ambacht. Over de verdere scholing van Jan Adriaanszoon is niets bekend. De rest van zijn veelzijdige talent heeft hij waarschijnlijk op eigen houtje ontwikkeld.

    Rond 1640 verhuisde Leeghwater van De Rijp naar Amsterdam. Daar publiceerde hij twee boeken: het Haarlemmermeerboek (1641) en de Kleyne Chronycke (1649). Ze werden goed verkocht en tot ver na zijn overlijden vele malen herdrukt.

    Het Haarlemmermeerboek is in de eerste plaats een pleidooi voor de inpoldering van het Haarlemmermeer. De Kleyne Chronycke is een geschiedschrijving over de wonderbaarlijk snelle ontwikkeling van de dorpen Graft en De Rijp rond 1600. Beide boeken bevatten bovendien de nodige gegevens over Leeghwaters levensloop en zijn activiteiten als ingenieur in binnen- en buitenland.

    Ze beschrijven zijn betrokkenheid bij de dijkaanleg en droogmaking van de Beemster (1608-1612), het grootste waterbouwkundige project van de zeventiende eeuw. Aanvankelijk als ‘opsiender’ van de dijkaanleg en later als ‘fabriek’ (bouwmeester) van molens en sluizen. Ook zette hij zich in voor de droogmaking van de Purmer, de Wormer, de Heerhugowaard, de Schermer en flink wat kleinere projecten in Noord-Holland. Zijn rol was steeds ongeveer hetzelfde: hij was opzichter bij de molenbouw, maakte soms ook de bouwtekeningen en leverde twee keer zelfs een complete molen (voor de Purmer en het Bijlmermeer). Verder bouwde hij ook sluizen, onder meer in het Drentse Smilderveen en in zijn woonplaats De Rijp. Voor het plaatselijke raadhuis, dat ook dienstdeed als waag, maakte Leeghwater onder meer het bouwplan en de bouwtekeningen. Zijn initialen J.A.L.W. zijn nog altijd te zien in de houten balans van de weegschaal.

    Daarnaast maakte hij uurwerken en carillons. Ook bleef hij klussen in zijn oorspronkelijk vak als timmerman en werkte hij als metselaar mee aan de bouw van het Amsterdamse stadhuis, het huidige Paleis op de Dam. Hij was een technische duizendpoot.

    Leeghwater gebruikte zijn vaardigheden ook bij waterbouwkundige projecten in het buitenland. Zo werkte hij aan de inpoldering van een moeras bij Bordeaux, deed hij dienst als landmeter bij de droogmaking van twee meertjes in het Duitse hertogdom Holstein (1626) en hielp hij in Sleeswijk bij de bedijking van de Dagebüllerbocht.

    Bovendien was hij betrokken bij een cruciaal moment in de Tachtigjarige Oorlog. De belegering van Den Bosch door Frederik Hendrik in 1629 werd bemoeilijkt doordat de Spanjaarden het land rond de stad onder water hadden gezet. Leeghwater zou hebben bijgedragen aan de droogmaking, waardoor Frederik Hendrik de stad kon innemen.
     

    Luctor et emergo

    Zijn rol in de strijd tegen het altijd dreigende water heeft Leeghwater een ereplaats in de vaderlandse geschiedenis opgeleverd. Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd zijn historische betekenis tot mythische proporties opgeblazen. Dat begon met de historische roman Het leven van Maurits Lijnslager (1808), waarin auteur Adriaan Loosjes hem portretteert als de vleesgeworden luctor et emergo. In zijn boek Neêrlands roem (1858) noemt schrijver en politicus Jacob van Lennep de ‘eenvoudige dorpsbewoner’ Leeghwater in één adem met de grootste zeventiende-eeuwse Nederlandse geleerden, staatslieden en kunstschilders. Hij benadrukt dat Leeghwater in zijn Haarlemmermeerboek als eerste heeft gepleit voor de inpoldering van dit water. Ten onrechte. Vanaf 1615, ruim voordat Leeghwater zijn eerste betrokkenheid toonde bij zo’n plan, werd de droogmaking van het Haarlemmermeer al twee keer serieus overwogen.
     

    Leeghwater draagt bij aan de verovering van Den Bosch

    Bij de uiteindelijke inpoldering, twee eeuwen na zijn dood, werd er een stoomgemaal naar Leeghwater vernoemd (1848). Gevolgd door scholen, straten, wegen, een brug en een plein. In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw steeg zijn roem tot epische hoogte. De befaamde geschiedkundigen Jan en Annie Romein stelden ten onrechte dat de droogmaking van de Beemster onder zijn leiding tot stand kwam. Op scholen werden zijn heldendaden er bij de jeugd in gestampt. In de Purmer werd een monument onthuld (1922) en in Middenbeemster een borstbeeld (1937). Tijdens de Tweede Wereldoorlog verschenen er drie historische romans over Leeghwater, wat goed aansloot bij de nationaal-socialistische behoefte om vaderlandse helden op een voetstuk te plaatsen.

    Hoewel in onze tijd de Leeghwater-verering wat is verflauwd, klinken de echo’s ervan door in recente publicaties. In Land in zee (2007), een overzichtswerk over de Nederlandse watergeschiedenis, wordt Leeghwater afgeschilderd als miskend genie in eigen land, maar ‘vanuit omliggende landen kwam die eer toch zeker aan Leeghwater zelf toe’. In de Historische atlas NL. Hoe Nederland zichzelf bijeen heeft geraapt (2019) heeft hij weer als vanouds de leiding over de droogmaking van de Beemster.

    En de Canon van Nederland (2006) houdt Leeghwater verantwoordelijk ‘voor de bouw en de plaatsing van de molens’ in de Beemster. Door alleen zijn naam te noemen wordt toch weer gesuggereerd dat het zijn project was. In werkelijkheid waren het de geldschieters, het collectieve leiderschap, de landmeters, de molenmakers en vele andere onmisbare talenten en zwoegers sámen die dit indrukwekkende megaproject tot stand hebben gebracht.
     

    Bonus van 180 gulden

    Dat Leeghwater vrijwel in zijn eentje alle eer krijgt voor de zeventiende-eeuwse droogmakerijen heeft hij onmiskenbaar te danken aan zijn boeken. Geen andere betrokkene heeft erover gepubliceerd. Maar dat wil niet zeggen dat hij liegt; zo is er geen reden om te twijfelen aan zijn betrokkenheid bij de inname van Den Bosch. Wel aan het belang van zijn inbreng. In de uitgebreide documentatie over de strijd om Den Bosch noemt geen enkele tijdgenoot Leeghwater. Hetzelfde geldt voor zijn waterbouwkundige werkzaamheden in het buitenland. Ook hierover is tot dusver geen andere bron opgedoken dan Leeghwater zelf. En hij heeft nooit beweerd dat hij in heel West-Europa bekendstond als dé bedijkingsdeskundige. Net zomin schrijft hij dat hij de leiding heeft gehad over de droogmaking van de Beemster. Ook dit is een verdichtsel van latere generaties historici, die op zoek waren naar een nationale held.

    Wel blijft overeind dat Leeghwater bij de Beemster een belangrijke rol heeft gespeeld. Ondersteunend bewijs hiervoor levert de administratie. Uit de betaling in 1611 van een eenmalige bonus van 180 gulden – Leeghwater kreeg als enige die extra beloning – blijkt dat zijn bijdrage bijzonder op prijs werd gesteld. Ook van latere Noord-Hollandse projecten zijn de loongegevens van Leeghwater bewaard gebleven. Gedurende een periode dat de jaarlijkse inflatie hooguit 1 procent bedroeg, steeg zijn dagloon van 2,10 gulden in 1608 naar 3,50 gulden in 1634. Daarmee behoorde hij tot de bestbetaalde medewerkers.

    Het lijkt er sterk op dat Leeghwater bij de Hollandse droogmakerijen een rol heeft vervuld als goedbetaalde adviseur en expert. Hij was de ontwerper van het bemalingssysteem en hield toezicht op de uitvoering. Als ‘zelfstandige zonder personeel’ moest hij ‘netwerken’ om opdrachten binnen te slepen. Met spectaculaire demonstraties en boeken wist Leeghwater zijn eigen ‘merk’ goed te verkopen. Zo goed dat zijn naam synoniem is geworden voor een van de belangrijkste ingrediënten van de Nederlandse identiteit: het eeuwige gevecht tegen het water.
     
     
    Fanta Voogd is journalist, gespecialiseerd in techniekgeschiedenis.

     


    Kaders

    Mythe deels ontzenuwd: Karaktermoord
     
    Hoewel volkshelden als Leeghwater tijdens de Duitse bezetting op het schild werden gehesen, verscheen in 1944 een boek met de tegenovergestelde intentie. Een zekere J.G. de Roever maakte in Jan Adriaenszoon Leeghwater korte metten met diens ‘aureool van den genius’. Hij noemt Leeghwater ‘een naïeve en zeer met zichzelf ingenomen man’ en ‘een derde-rangs figuur’ die met ‘flagrante arrogantie’ zijn eigen daden heeft beschreven. Leeghwater is welllicht ‘een bekwaam werkman geweest, maar meer ook stellig niet’.

    De Roevers woordkeuze doet vermoeden dat hij uit was op een historische karaktermoord, maar de lezer kan er niet omheen dat de auteur zich voor zijn ontmaskering grondig heeft gedocumenteerd. Hij was de eerste die Leeghwaters geschriften toetste aan dat wat er in de archieven over hem bewaard is gebleven. Het is De Roevers verdienste dat hij zo de Leeghwater-mythe op verschillende punten heeft ontzenuwd. Zijn belangrijkste conclusie – dat Leeghwater geen leiding heeft gegeven aan de droogmakerijen – staat ook nu nog ferm overeind. Maar Leeghwater zelf heeft zijn bijdrage aan de landaanwinning in Noord-Holland niet overdreven voorgesteld, zoals De Roever beweerde. Dat is het werk geweest van zijn latere bewonderaars. 
     
     
    Inpolderingen in Noord-Holland: Gevecht tegen de waterwolf
    Zee en grote meren kunnen stukken land opslokken, bijvoorbeeld tijdens een stormvloed. Zo verdwenen in 1591 en 1611 bij het Haarlemmermeer de dorpen Vijfhuizen, Nieuwerkerk en Rietwijk. Dat verschijnsel heette rond 1600 ‘waterwolf’: zee en meren vraten het land op en bedreigden dorpen en steden. In de huidige provincie Noord-Holland lagen veel grote en kleine meren. Door ze droog te malen verdween de dreiging en kwam er goede landbouwgrond voor in de plaats.

    De eerste droogmakerij, van het kleine Achtermeer, vond plaats in 1533. In de zeventiende eeuw namen de ambities toe. Een groot project tegen de waterwolf was de drooglegging van de Beemster. Door veenafgravingen was het riviertje de Bamestra in het gewest Holland uitgegroeid tot een binnenzee. In 1607 kreeg een groep regenten, onder wie Dirck van Os, toestemming van de Staten van Holland om het gebied droog te maken. Zij betrokken Jan Adriaanszoon Leeghwater bij deze klus.

    Om het meer werd een dijk van 38 kilometer aangelegd met daaromheen een ringvaart. Er kwam een afwateringskanaal naar de Zuiderzee, en het meer werd met 43 windmolens  leeggepompt. Ook kwamen er ‘molengangen’: molens op een rij die het water van het meer trapsgewijs naar de ringvaart brachten.

    Toen de polder in 1610 bijna klaar was, braken de Zuiderzee-dijken. Daarom werd er een hogere, nieuwe dijk aangelegd. In 1612 was de Beemster helemaal droog. Het gebied werd ingedeeld in rechthoekige kavels, die werden verdeeld onder investeerders. Zij verdienden hun geld al snel terug, omdat de landbouwgrond in de polder van hoge kwaliteit bleek.
    In de jaren daarna zijn steeds meer grote meren drooggelegd. Het Haarlemmermeer was pas in 1852 aan de beurt.
     
     
    Meer weten
     
    Jan Adriaenszoon Leeghwater. Het leven en werk van een zeventiende-eeuws waterbouwkundige (1944) door J.G. de Roever.
    ‘Leeghwater: een herwaardering’ (1986) artikel door C. Baars in Spieghel Historiael. nr. 1.
    Leeghwater en het Haarlemmermeer (2009) door Diederik Aten, Marijke Joustra en Han van Zwet.