Casna onderzocht botten uit de periode 470-1850 op sporen van onder meer chronische ontsteking van de bijholten naast de neus en middenoorontsteking. Die sporen namen toe in de tijd, samen met het percentage van de bevolking dat in steden woonde.
In de steden zelf lag dat redelijk voor de hand, omdat een belangrijk deel van de bewoners er in ongezonde omstandigheden leefde en werkte. Maar ook buiten de stadsmuren gingen de luchtwegen van mensen achteruit. Volgens Casna kwam dat waarschijnlijk doordat de landbouw intensiever werd. Een grotere stedelijke bevolking betekende meer vraag naar voedsel en dus produceerden boeren meer. De intensievere teelt ging ten koste van de luchtkwaliteit in hun omgeving, waardoor ze meer ontstekingen kregen.
