Home Dossiers Slavernij Slavenhandel maakte Afrikanen rijk

Slavenhandel maakte Afrikanen rijk

  • Gepubliceerd op: 31 mei 2022
  • Laatste update 02 jan 2023
  • Auteur:
    Mirjam Janssen
  • 10 minuten leestijd
Slavenhandel maakte Afrikanen rijk
Advertorial
Cover van
Dossier Slavernij Bekijk dossier

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €3,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Afrikaanse mensenhandelaren waren meedogenloos en hebzuchtig. Zonder wroeging vingen ze miljoenen slaven, die de Europeanen vervolgens naar de Amerika’s verscheepten. Daarmee droegen ze bij aan de rijkdom van Europa en brachten ze hun eigen continent schade toe.

 In 1324 wilde vorst Mansa Moessa uit het West-Afrikaanse Mali zijn macht tot buiten de landsgrenzen uitbreiden. Maar ten noorden van zijn koninkrijk zaten de Arabieren hem dwars. Daarom hoopte hij op een verbond met Egypte, op dat moment een Turks sultanaat. Hij ging te paard naar Caïro, van plan een verpletterende indruk te maken op iedereen die hij onderweg tegenkwam. In zijn kielzog bevonden zich naar verluidt 60.000 onderdanen, onder wie 12.000 slaven die met goud beklede waaiers wapperden, en talloze kamelen en paarden beladen met zakken goudstof. De kostbare lading werd gul uitgedeeld aan voorbijgangers.

Meer lezen over slavernij? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Eenmaal in Egypte bood Mansa Moessa de sultan 400 pond puur goud aan. De koning en zijn gevolg kregen in Caïro een eigen paleis toegewezen. Toch werd het bezoek een mislukking. De mannen kwamen er niet uit hoe ze elkaar moesten benaderen: geen van beiden wilde als eerste voor de ander buigen. Maar in één ding was Mansa Moessa wel geslaagd: zijn sprookjesachtige rijkdom en zijn vele slaven waren opgevallen.

Tot in de Europese hoofdsteden deed het verhaal de ronde over een fabelachtig koninkrijk in Afrika. Er verschenen kaarten voor hoe je dat land kon bereiken, zoals de Catalaanse Atlas van de wereld. De koning van Mali staat daarop afgebeeld op een troon met een kroon en een scepter, als een Europese heerser.

Catalaanse Atlas van de wereld.
De Catalaanse Atlas van de wereld toont de rijke koning van Mali op zijn troon, 1375.

In 1355 gaf de Marokkaanse ontdekkingsreiziger Ibn Battoetta in Granada een lezing over Mali. Hij had al decennia rondgereisd door Noord-Afrika, het Midden-Oosten en China. In Mali was hij terechtgekomen in een rijk dat al honderden jaren deel uitmaakte van belangrijke handelsroutes. Lange karavanen trokken door de Sahara van noord naar zuid, en andersom. De handel was sterk verbeterd sinds vanaf de zesde eeuw dromedarissen als lastdieren in Afrika waren geïntroduceerd. Deze taaie dieren waren beter geschikt voor reizen door de woestijn dan paarden, ossen en ezels. Van noord naar zuid vervoerden de karavanen goederen, zoals goud en zout. En uit het zuiden kwamen slaven – vooral slavinnen, die werden ingezet als concubines en bedienden. Door de handel waren welvarende Afrikaanse rijken ontstaan.

Een nieuwe taal

Door de slavenhandel ontstonden op allerlei plaatsen in de wereld creoolse culturen. Mensen met uiteenlopende etnische achtergronden vermengden zich. Blanke kolonisten, zwarten uit verschillende delen van Afrika en Amerikaanse inheemsen vormden een nieuwe samenleving. Zo gingen ze pidgin spreken. Dat is een vereenvoudigde taal gebaseerd op een mengelmoes van moedertalen.

Ibn Battoetta beschreef het hof van de koning van Mali. Die zou waar hij ook ging worden vergezeld door 300 gewapende slaven. Daarnaast werd hij omgeven door schaars geklede en naakte slavinnen, wat Ibn Battoeta als moslim erg stoorde. Ook diste hij gruwelverhalen op. Zo zouden gasten van de koning ruig zijn omgesprongen met een slavin die ze cadeau hadden gekregen. ‘Ze slachtten haar terstond, aten haar op en smeerden hun gezicht en handen in met haar bloed.’

Na zijn bezoek aan Mali reisde Ibn Battoetta terug naar het noorden met een grote karavaan, die 600 slavinnen telde. Onderweg rustten ze in een Berbers dorp, waar de maaltijd bestond uit dadels en sprinkhanen. Hoeveel slavinnen de barre reis door de Sahara overleefden meldde hij niet, maar historici nemen aan dat deze vorm van transport nog dodelijker was dan de latere trans-Atlantische overtochten.

Van arm tot rijk, iedereen in Portugal kon slaven bezitten

Dit soort verslagen prikkelde de nieuwsgierigheid en de hebzucht van de Europeanen. Het geijkte verhaal dat ze alleen sub-Sahara Afrika aandeden op weg naar Azië, waar echte rijkdom op hen lag te wachten, klopt niet, zo betoogt de Afro-Amerikaanse auteur Howard W. French. Ook in Afrika viel van alles te halen, en meer dan alleen maar goud.

Strooptochten

Het eerste Europese land dat zuidwaarts trok, was Portugal. Het was arm, op zoek naar een missie en had net als Spanje last van de Arabische dominantie in het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika. Daarom begonnen de Portugezen de West-Afrikaanse kust af te speuren, op jacht naar nieuwe handelsmogelijkheden en bondgenoten tegen de Arabieren.

Ze verkenden ook de eilanden voor de kust. Zo kwamen ze in 1417 terecht op Madeira, waar ze een kolonie vestigden.

Al snel beseften ze dat het eiland geschikt was voor de teelt van suiker. Steeds meer Europeanen waren verslingerd aan deze specerij, die vooral door de Arabieren werd geteeld en waarmee veel te verdienen viel. Maar er woonden nauwelijks inheemsen op Madeira en Portugese boeren voelden niets voor een verhuizing. De oplossing lag voor de hand: slaven moesten de terrassen en irrigatiekanalen voor de suikerteelt aanleggen. Net als andere Europeanen hadden de Portugezen geen problemen met gedwongen arbeid. Die kwam sinds mensenheugenis voor in Europa en de hele tot dan toe bekende wereld. Na enkele decennia begon de suikerteelt op Madeira winst op te leveren.

Afrikaanse slavenhandelaren
Handelaren doden een slaaf die te zwak is om verder
te lopen. Negentiende-eeuwse houtsnede.

De Portugezen hadden een raid gehouden onder Berbers op het vasteland en zo slaven gevonden. Maar dat was een moeizaam bevochten succes: de Afrikanen waren in die tijd militair hun gelijken en het terrein was hun onbekend. Daarom besloten ze voortaan slaven te kopen. Ingewikkeld was dat niet; ze hoefden alleen aan te sluiten bij de al bestaande handel. Afrikaanse koningen hielden regelmatig strooptochten om slaven te vangen. Die zetten ze aan het werk op het land – er was gebrek aan werkkrachten – of ruilden ze met Berbers en Arabieren voor paarden en andere goederen.

In de jaren daarop werden ook Sao Tomé, Principe en de Kaapverdische Eilanden door Portugezen gekoloniseerd en ingericht als suikerplantages en overslagplaatsen voor slaven. Eilanden hadden het voordeel dat ze overzichtelijk waren: de slaven konden er niet vanaf en iedereen met een zwarte huid die zonder begeleiding rondliep viel meteen op.

Nederlanders in Elmina

In 1637 veroverden de Nederlanders Elmina in Ghana, een knooppunt van de slavenhandel, op de Portugezen. Die waren te veel verzwakt om hun grote rijk nog bij elkaar te houden. Bovendien deden de Afrikanen liever zaken met Nederlanders, omdat die in ruil voor slaven en goud spullen konden leveren waaraan ze behoefte hadden, zoals bewerkte metalen en textiel.

Voor de Nederlanders en andere Europeanen was Elmina een verschrikkelijk oord. Velen werden er ziek en stierven. Epidemiologisch waren ze er in het nadeel. In Amerika zat het juist andersom: daar gingen de inheemsen dood aan ziektes die de Europeanen meebrachten.

In 1482 legden de Portugezen in Ghana een handelspost aan, Elmina, en later nog tientallen andere. Vanuit Elmina vertrokken elke maand scheepsladingen met goud naar Portugal. Inmiddels waren de Portugezen ook zelf in slaven gaan handelen en namen ze die mee naar hun eigen land. Van arm tot rijk, iedereen kon er slaven bezitten, voor werk in de huishouding, op de akkers of in een werkplaats. Alleen bij de rijken hoefden de slaven niets te doen; die hielden ze vooral als accessoire. Rond 1500 had de slavenhandel zich ontwikkeld tot een onmisbaar onderdeel van het Portugese economische systeem.

Naadloos systeem

Intussen waren de Spanjaarden op de Amerikaanse continenten gestuit. Ze probeerden de inheemse bevolking aan het werk te zetten in de Caraïben. De grond, de neerslag en de temperatuur waren er ideaal voor de teelt van suikerriet. Maar de indianen waren niet bestand tegen het zware werk en bezweken bovendien aan ziektes als pokken en mazzelen, die met de blanken mee waren gekomen.

Gevangenen moesten in een karavaan maanden naar het westen lopen

De oplossing kwam in 1516 van Bartolomé de Las Casas, een priester die zich als woordvoerder van de indianen had opgeworpen: de kolonisten moesten slaven gaan importeren om de indianen te ontlasten. Later kreeg hij spijt van zijn advies, maar toen was het onheil al geschied. Er ontstond een duidelijke taakverdeling: de Spanjaarden gebruikten slaven, die ze kochten van de Portugezen.

Toen de Portugezen zelf Brazilië hadden gekoloniseerd, nam de vraag naar slaven verder toe. Ze moesten op zoek naar een gebied in Afrika dat een grote aanvoer kon garanderen. In 1571 vonden ze die plek, aan de kust van het huidige Angola. Ze stichtten er de nederzetting en handelspost Sao Paulo de Luanda. Van daaruit transporteerden ze slaven naar de Spaanse kolonies in de Caraïben en Brazilië. Personeelstekorten in de Nieuwe Wereld werden voortaan opgelost met slavernij.

Er ontstond een grootschalig systeem waarin de trans-Atlantische en de Afrikaanse slavenhandel naadloos op elkaar ingrepen. Dat ging als volgt: mannen en vrouwen werden in Centraal-Afrika gevangengenomen, bijvoorbeeld door krijgers van het machtige Lunda-volk. Daarna moesten de gevangenen in een karavaan maanden naar het westen lopen via paadjes door bossen en over savannes. Om te voorkomen dat slaven ontsnapten, kregen ze een keten om hun rechterhand die via kettingen was verbonden met die van anderen. Opstandige of erg fitte slaven moesten ook een halsijzer om dat was gekoppeld aan dat van lotgenoten. De slaven moesten zelf hun eten dragen – altijd te weinig of bedorven. Ze mochten alleen drinken als ze een waterbron passeerden.

Afrikaanse slavenhandelaren Caraïben.
Slaven laten een suikermolen draaien op een Nederlandse plantage op de Caraïben.

De karavaan leidde naar een van de twee grote rivieren in Congo, de Kwango of de Kasaï. Daar werden gevangenen gekocht door Afrikaanse slavenhandelaren en per kano over de rivier de Congo naar een slavenmarkt gebracht, bijvoorbeeld in de koninkrijken Matamba of Kasanje, die profiteerden van de doorvoerhandel. Op zo’n markt konden gevangenen worden doorverkocht aan Afrikaanse kooplieden, maar ook aan Portugese of Afro-Portugese handelaren. In het laatste geval moesten de gevangenen door Angola lopen tot de Atlantische Oceaan, waar ze bij het verzamelpunt werden omringd door slaven uit andere Afrikaanse landen die allemaal een andere taal spraken. Tegen die tijd was een kwart van de gevangenen gestorven.

Machtige klasse van handelaren

In de handelsgebieden vermengden Europeanen zich met de Afrikanen. Hun nageslacht, de mulatten, vormde een machtige klasse van kooplieden. Een van de succesvolsten was de zeventiende-eeuwse slavenhandelaar Bibiana Vaz. Ze was weduwe van de rijkste man van Guinee-Bissau. Toen de Portugezen probeerden er een handelsmonopolie in te voeren, leidde zij het verzet. In 1687 werd ze gearresteerd en tot ballingschap veroordeeld, maar ze had zoveel invloed dat de Portugezen er niet in slaagden haar echt straf op te leggen. Na een jaar was ze weer vrij.

En dan was dit nog een eenvoudig traject. Veel slaven wisselden vaker van eigenaar, omdat mensenhandel riskant was. Wie een slaaf bezat liep voortdurend het risico dat deze ervandoor ging of stierf. Daarom werden slaven zo snel mogelijk doorverkocht; niemand voelde zich verantwoordelijk voor hun welzijn. Overigens bestonden er even barre handelsroutes in oostelijke richting, naar het Rode Zeegebied en India, waar de heersers eveneens behoefte hadden aan gratis arbeidskrachten.

Ontwrichting

De slavernij leverde zoveel op dat die in de loop van de zeventiende eeuw belangrijker werd dan de handel in goud. Uiteindelijk wierpen ook Nederlanders, Fransen, Spanjaarden en Engelsen zich op de trans-Atlantische mensenhandel. Vooral de Britten hadden er een groot aandeel in: tussen 1701 en 1800 vervoerden ze 2,4 miljoen Afrikaanse slaven naar Amerika; de Portugezen volgden met 1,8 miljoen. Nederlanders verhandelden circa 600.000 slaven.

Ook de Afrikanen zelf legden zich er steeds meer op toe. Ze probeerden uit alle macht te voorkomen dat de Europeanen de binnenlanden introkken om op eigen houtje slaven op te halen. En met succes, omdat ze de regio nu eenmaal beter kenden.

Slavenmarkt in Zanzibar, circa 1870.

Op langere termijn leidde de handel tot ontwrichting van het continent. In sommige gebieden was sprake van ontvolking, in andere van verhevigde oorlogen. De Europeanen betaalden Afrikaanse koningen onder meer in geweren, wat hun bij oorlogen met naburige rijken even voordeel opleverde, maar vervolgens leidde tot wapenwedlopen. Verder nam het gebruik van slaven in Afrika nog meer toe. Net als in Amerika werd het een gewoonte om het land door slaven te laten bewerken. Ook omgaven koningen zich met nog meer onvrije concubines, ambtenaren en soldaten.

Maar de hoogste prijs betaalden de miljoenen anonieme gevangenen die met geweld werden afgevoerd naar de andere kant van de wereld. Met hun bloed, zweet en tranen legden deze slaven een fundament voor de macht en rijkdom van Europa.

Meer weten:

Born in Blackness (2021) door Howard W. French laat zien hoe Afrika een schakel vormde in de wereldeconomie.

De geschiedenis van de slavernij (2015) door Dick Harrison biedt een uitvoerig overzicht.

De wereld aan het werk (2021) door Jan Lucassen gaat in op de economische betekenis van slavernij.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 6 - 2022