Meeting Brno, een Tsjechisch burgerinitiatief in de tweede stad van het land, had de Sudetendeutsche Landsmannschaft uitgenodigd om haar jaarlijkse pinksterbijeenkomst in 2026 voor het eerst in Tsjechië te komen houden, ‘als vrienden, die gezamenlijk een nieuw hoofdstuk van onze gemeenschappelijke geschiedenis schrijven’. Die uitnodiging werd van harte aanvaard. Op 24 en 25 mei vond het jaarlijkse treffen van Sudeten-Duitsers plaats in Brno (Duits: Brünn) onder het motto: ‘Heel het leven bestaat uit ontmoetingen’.
Een jaar geleden maakte bijna niemand in Tsjechië zich druk over de komst van de Sudeten-Duitsers en hun nazaten naar Brno. Maar in december 2025 trad in Praag een nieuwe regeringscoalitie aan onder leiding van de rechts-populist Andrej Babiš, leider van de partij ANO 2011. Die coalitie steunt op twee kleine rechts-extremistische partijen, SPD en Motoristen voor zichzelf, die de latente ontevredenheid in de Tsjechische samenleving aanwenden om een nieuwe oude zondebok van stal te halen: ditmaal geen asielzoekers, Roma, immigranten of Oekraïners, maar Sudeten-Duitsers.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
‘Definitieve oplossing’
De Sudetendeutsche Landsmannschaft behartigt de belangen van Duitstaligen, die kort na de Tweede Wereldoorlog van hun Tsjechische geboortegrond zijn verdreven, en hun nazaten. In 1945 woonden er in Brno 25.000 Duitsers op een bevolking van circa 240.000. Velen hadden in meerdere en soms mindere mate gecollaboreerd met de nazi’s, en zich schuldig gemaakt aan talrijke oorlogsmisdaden. Op 26 april 1945 werd Brno bevrijd door het Rode Leger, en meteen de volgende dag eisten communisten een leidende rol op in het stadsbestuur. Al snel werden Duitsers gedwongen witte armbanden met een zwarte N (eerste letter van het Tsjechische woord voor Duitser: Němec) erop te dragen en werden vergaande sancties afgekondigd: Duitsers mochten maar op bepaalde tijden over straat, geen gebruikmaken van het openbaar vervoer, hun woonplaats niet verlaten, en radio’s, camera’s, fietsen en rijbewijzen moesten ze inleveren. Eerder hadden bombardementen van de geallieerden grote schade aangericht in industriestad Brno, waardoor er een acuut woningtekort was ontstaan. Als al die Duitsers zouden vertrekken, zou dat probleem deels zijn opgelost.

In plaats van de Tsjechische wraakgevoelens te temperen, ging de uit ballingschap teruggekeerde president Edvard Beneš vol in de aanval tegen de Duitstalige bevolking van Brno. Tijdens zijn bezoek aan de stad op 12 mei 1945 hield hij vanaf het stadhuisbalkon een toespraak over de pijnlijke jaren voor en tijdens de oorlog, en in het bijzonder over de gruweldaden van de Duitse bezetter. Daarbij zei hij: ‘Het Duitse volk heeft in deze oorlog opgehouden menselijk te zijn.’ Die onmenselijke natie, zo verkondigde hij, diende zwaar en collectief gestraft te worden. Duitsers waren in Tsjechoslowakije niet langer te vertrouwen en dus was ‘de definitieve oplossing van het Duitse vraagstuk’ noodzakelijk.
Op 30 mei 1945 vaardigde het kersverse stadsbestuur van Brno zijn besluit nr. 78/1945 uit. Alle Duitse vrouwen en meisjes, jongens jonger dan veertien jaar en mannen ouder dan zestig moesten per direct de stad verlaten. Diezelfde dag eisten arbeiders van Zbrojovka Brno, een grote wapenfabriek in Brno die tot tien dagen voor de bevrijding grootleverancier van de bezetter was geweest, een compromisloze oplossing voor het Duitsersprobleem in Brno. Zo’n 3000 gewapende mannen uit de fabriek boden zich aan om te assisteren. Zij traden meedogenloos op tijdens de exodus van Brnose Duitsers, als een soort boetedoening voor hun jarenlange bijdrage aan de Duitse oorlogsinspanning, toen hun fabriek nog Waffenwerke Brünn heette. ‘De communisten boden hun een aflaat waarvan de arbeiders maar al te graag gebruikmaakten,’ aldus de Slowaakse historicus Ján Mlynárik.
Sudetendeutsche Landsmannschaft
De Sudetendeutsche Landsmannschaft is de koepelorganisatie van uit Tsjechoslowakije verdreven Duitsers die zich inzet voor het behoud van het culturele erfgoed uit de tijd (ruim 1000 jaar) dat hun voorouders in Bohemen en Moravië leefden. Na de Tweede Wereldoorlog werden 3,1 miljoen Sudeten-Duitsers collectief uit Tsjechoslowakije verdreven. Aanvankelijk was de Landsmannschaft vooral gericht op terugkeer, teruggave van geconfisqueerd vermogen en onroerend goed en financiële compensatie voor het hun aangedane onrecht. In het bestuur zaten in het begin mensen met een donkerbruin verleden in Sudetenland, in de loop der jaren is dat sterk veranderd. Sinds 2015 heeft de Landsmannschaft hersteleisen aan Tsjechië uit haar statuten geschrapt en al veel eerder ontpopte ze zich tot een democratische organisatie die streeft naar pan-Europese verzoening en samenwerking tussen Tsjechen, Moraviërs en Sudeten-Duitsers. Ze ziet zichzelf als bruggenbouwer in Europa en ontplooit tal van grensoverschrijdende culturele en economische activiteiten voor Duitsers én Tsjechen in het grensgebied. Keer op keer hekelt ze de misdaden van de nationaalsocialistische dictatuur en erkent en verontschuldigt zich voor de foute rol die haar voorouders daarin speelden. Het Tsjechische en vooral Duitse nationalisme had in hun ogen schuld aan hun verdrijving. Van de rechts-extremistische AfD moet men niets hebben, die heeft op alle bijeenkomsten Hausverbot.
Op 30 mei 1945 begonnen politie- en hulptroepen alle ontvangers van voedselbonnen met een D (voor Deutsche[r]) uit hun huizen te halen en bijeen te drijven op het immense Mendelplein. De slachtoffers moesten hun papieren en waardevolle spullen inleveren, mochten slechts bagage en eten voor drie dagen meenemen, en werden door met knuppels en geweren bewapende ‘ordetroepen’ in het gareel gehouden. Nog vóór middernacht verliet de eerste marscolonne de stad in zuidelijke richting, naar de 55 kilometer verderop gelegen Oostenrijkse grens. Daarna volgden er meer colonnes. In totaal moesten ruim 20.000 mensen vertrekken, van wie er 10.000 direct de grens werden overgezet.
Langs de kant van de weg stonden gewapende soldaten, revolutionaire gardisten en medewerkers van de wapenfabriek, die verzwakte en uitgeputte mensen afranselden of ter plekke doodschoten, en talloze vrouwen verkrachtten. Moeders moesten hun overleden kinderen langs de weg zelf begraven.

In de loop van de dag sloten de Oostenrijkers de grens. Duizenden mensen zochten wanhopig een heenkomen in het plaatsje Pohrlitz (Pohořelice) in open weilanden, schuren, scholen of fabriekshallen.
Recent lijken Duitse en Tsjechische onderzoekers het eens te zijn dat ruim 1700 mensen direct overleden aan de gevolgen van de ontberingen tijdens hun voettocht en in de daaropvolgende dagen. De meeste (al sterk verzwakte) ouderen en kinderen waren bezweken aan honger, uitputting en ontoereikende verzorging. De mars zou de Duitse geschiedenisboeken ingaan als de Brünner Todesmarsch en was de meest omvangrijke van de zogenaamde ‘wilde verdrijvingen’: ongecontroleerde, op wraakzucht gebaseerde acties van plaatselijke comités en revolutionaire gardisten die, opgehitst door de voorlopige nationale regering, het recht in eigen hand namen om zich van Duitsers te ontdoen.
Verzoeningspogingen
Tijdens het communistische bewind was het taboe om openlijk over de misdaden tegen de Sudeten-Duitsers te praten. Het regime accepteerde en verspreidde alleen het narratief van ‘collectieve Duitse schuld’. Maar na de val van het communisme in 1989 en nadat Tsjechië in 2004 lid werd van de Europese Unie, kwam er ruimte om kritischer bij het verleden stil te staan. In 2009 verscheen de roman Vyhnaní Gerty Schnirch (‘De verdrijving van Gerta Schnirch’) van de in 1980 in Brno geboren Kateřina Tučková. Zij vertelt het verhaal van een jonge vrouw, dochter van een Tsjechische moeder en een Duitse vader, die gedwongen wordt aan de dodenmars deel te nemen. De roman van Tučková deed veel stof opwaaien, net als die van een andere jonge schrijfster, Radka Denemarková, Peníze od Hitlera (‘Geld van Hitler’). Hierin keert een Joodse vrouw terug uit het concentratiekamp, om vervolgens als Duitse te worden uitgestoten door de Tsjechen die inmiddels in haar woning zijn getrokken. Ook die roman oogstte zowel waardering als verontwaardiging.
De betrekkingen tussen Duitsers en Tsjechen zijn sindsdien steeds verder genormaliseerd. Sinds 2015 vindt elk jaar een besloten Herdenkings-en-verzoeningsmars plaats van Pohořelice noordwaarts terug naar Brno – als niet te missen symbool van de terugkeer en heropname van uit de stad verdreven Duitsers. De mars verloopt al jaren zonder noemenswaardige incidenten. Er zijn tientallen grensoverschrijdende projecten om oude kerken en begraafplaatsen in het voormalige Sudetenland gezamenlijk te restaureren. Duitse en Tsjechische scholen hebben uitwisselingsprogramma’s. Bovendien is er een Tsjechisch-Duits Toekomstfonds in het leven geroepen, dat ruim 1,5 miljoen euro beschikbaar stelt voor meer dan 200 projecten – van interreligieuze uitwisselingen tot vleermuizenonderzoek in het grensgebied.
In 2025 maakte burgemeester Petr Vokřál van Brno excuses voor de tegen Sudeten-Duitsers begane misdaden, als eerste ambtsdrager in de Tsjechische Republiek. De burgemeester ondersteunde de historische Verzoeningsverklaring van zijn gemeenteraad, waarin staat: ‘De gemeente Brno betreurt ten zeerste de gebeurtenissen van 30 mei 1945 en de dagen die daarop volgden, toen duizenden mensen gedwongen werden de stad te verlaten omdat ze collectief schuldig waren bevonden of vanwege hun taalkundige afkomst. We zijn ons bewust van de menselijke tragedies en het culturele en sociale verlies dat destijds is geleden. We spreken de hoop uit dat, dankzij onze kennis van deze historische gebeurtenissen en hun gevolgen, soortgelijke voorvallen zich nooit meer in Brno zullen herhalen en dat we de gebeurtenissen van mei 1945 in ons geheugen zullen bewaren als een tragische herinnering.’
Het was een logische vervolgstap dat Meeting Brno de Sudetendeutsche Landsmannschaft uitnodigde om haar jaarlijks pinkstertreffen in 2026 voor het eerst in Tsjechië te houden. De uitnodiging was medeondertekend door tal van vooraanstaande Tsjechen, onder wie Milan Uhde, schrijver, oud-politicus en een van de eerste ondertekenaars van Charta 77 (een beweging waarin de oppositie in 1977 het communistische regime opriep de mensenrechten te respecteren).
Tegenstand
In de aanloop naar het pinkstertreffen probeerde de Landsmannschaft in gesprek te komen met mensen die zich tegen de festiviteiten in Brno keerden, onder wie de Tsjechische oud-president Miloš Zeman. Maar keer op keer reageerden de tegenstanders afwijzend. Zeman schold de Duitsers uit voor ‘Sudetenmoffen’ en gaf en passant Israël het advies met de Palestijnen te doen wat de Tsjechen in 1945 met de Sudeten-Duitsers hadden gedaan: ze gewoon het land uit schoppen. Er werden een paar Duitse kantoren en slachtoffermonumenten met rode hakenkruisen besmeurd.
Tijdens de herdenking, in mei 2026, van de slachtoffers van de Brnose dodenmars in Pohořelice trok een handvol demonstranten de aandacht van de media. Een vrouw die gekleed ging in concentratiekampkleding liet zich lachend fotograferen met een man met een SS-pet en doodskop. Een andere demonstrant hield een bord omhoog met de tekst: ‘Heim ins BRD’ [sic!]. Maar de opkomst was marginaal: 50 demonstranten tegenover 2500 belangstellenden die de slachtoffers van de dodenmars in 1945 herdachten. Toen grotere groepen demonstranten en een paar duizend deelnemers aan de verzoeningsmars elkaar later op de dag tegenkwamen in Brno, gescheiden door een brede weg en ME’ers, konden de demonstranten alleen herrie maken met trommels en fluitjes. Op hun spandoeken stonden teksten als: ‘Wij willen geen tweede Lidice’, een weinig subtiele verwijzing naar de massamoord op alle mannelijke inwoners van dit Tsjechische plaatsje in 1942 als vergelding voor de moord op nazikopstuk Reinhard Heydrich.
Nu is de grote ironie dat tijdens het pinkstertreffen van de Sudetendeutsche Landsmannschaft woorden als ‘verzoening’ en ‘bruggenbouwers’ aan de lopende band werden gebezigd. Ze heeft de woorden van de Zuid-Afrikaanse bisschop Desmond Tutu ter harte genomen dat ‘verzoening niet mogelijk is zonder waarheid’. Al jaren pleit de Landsmannschaft voor grensoverschrijdende en pan-Europese samenwerking, hoewel haar tegenstanders beweren dat de Sudeten-Duitsers nog steeds genaast onroerend goed en herstelbetalingen eisen. Dat laatste is al sinds 2015 uit de statuten van de Landsmannschaft gehaald. Nog vóór de val van het communisme in 1989 werkte ze nauw samen met partijen en dissidenten in communistisch Europa, zoals Charta 77 en het Poolse Solidarność. Bijbels en verboden literatuur smokkelde de Landsmannschaft het land in, en ze hielp mee een Ondergrondse Universiteit in Brno in stand te houden.
Uitgerekend de grootste critici, de Tsjechische SPD en Motoristen voor zichzelf, schuwen openlijk geflirt met nazisymbolen en extreem-rechts gedachtegoed niet. Andrej Babiš, de kleurloze premier en partijleider van de grootste regeringspartij ANO, heeft zijn extreem-rechtse regeringspartners nodig om zijn kabinet overeind te houden. Als zelfbenoemd ‘pragmaticus’ houdt hij zich verder op de vlakte en waait met de stemmingswinden mee.
Politieke landschap in Tsjechië
De huidige premier van Tsjechië, de steenrijke maar ideologieloze Andrej Babiš, is sinds de oprichting in 2011 de leider van het rechts-populistische ANO (Akce nespokojených občanů, Actiebeweging van ontevreden burgers). Overigens betekent ‘ano’ in het Tsjechische ‘ja’. Zijn partij haalde een overwinning bij de parlementsverkiezingen in 2015 (34,5 procent van de stemmen) en vormde een coalitieregering met twee rechts-extremistische partijen, Motoristen voor zichzelf (Motoristé sobě) en de partij Vrijheid en directe democratie (Svoboda a přímá demokracie, SPD).
De Motoristen hebben een achterban gevonden bij automobilisten, wie goedkopere benzine, verzet tegen de Europese Green Deal en tegen milieubewegingen in het vooruitzicht zijn gesteld. De partij haalde 6,8 procent van de stemmen bij de parlementsverkiezingen in 2025. Hun voorman Petr Macinka verklaarde bij zijn aantreden op 15 december 2025 als interim-minister voor Milieu dat vanaf die datum de klimaatcrisis in Tsjechië voorbij was.
Leider van de Tsjechische, eveneens rechts-extremistische SPD is Tomio Okamura, zoon van een Moravische moeder en een half-Japanse, half-Koreaanse vader. Hij is fel tegenstanders van immigratie (Roma wil hij terugsturen naar India), wil dat Tsjechië de EU verlaat en beoogt het verbieden van het homohuwelijk. Hij was de drijvende kracht achter de protesten tegen de bijeenkomst van de Sudeten-Duitsers. Zijn partij haalde krap 7,8 procent van de stemmen bij de parlementsverkiezingen in 2025, maar leverde drie ministers aan de regering-Babiš. Ook wist Okamura parlementsvoorzitter te worden. In het Europees Parlement zit zijn partij in dezelfde fractie als de Duitse AfD.
Veel Tsjechen, vooral jongeren, zitten helemaal niet te wachten op een door extreem-rechts opgepookt conflict, dat een paar jaar geleden nog niet bestond. Uit een opiniepeiling dat het Praagse onderzoeksbureau Median vlak voor het Sudeten-Duitse pinkstertreffen hield onder 1023 respondenten, volgde weliswaar dat iets meer dan de helft van Tsjechen de bijeenkomst van de Landsmannschaft in Brno niet zag zitten. Dat gold zelfs voor 69 procent van de groep ouder dan 75 jaar. Maar een even groot percentage van de jongeren tussen 18 en 24 jaar had juist geen bezwaar tegen de festiviteiten.
Ook Tsjechië kent een grote politieke polarisatie. ANO, SPD en Motoristen haalden bij de laatste parlementsverkiezingen aanzienlijk meer stemmen op het platteland dan in grote steden als Praag en Brno, en in de laatste peilingen staan ze op verlies. In het liberale Brno werden de Duitsers bijna overal hartelijk ontvangen en kregen ze steun van de prowesterse en progressieve president Petr Pavel. Ernstige incidenten deden zich niet voor.
Meer weten:
- De verdrijving van Gerta Schnirch (2009) is een in Tsjechië bekroonde roman van de Brnose schrijfster Kateřina Tučková. Er bestaan Duitse en Engelse vertalingen van.
- Geld van Hitler (2006) is eveneens een in Tsjechië bekroonde roman van Radka Denemarková. Ook hiervan bestaan Duitse en Engelse vertalingen.
- Vervolging 1945 (1996) van de Tsjechische historicus Tomáš Staněk was een van de eerste boeken die vanuit Tsjechisch standpunt de misdaden tegen Sudeten-Duitsers onderzochten. Het is in het Duits vertaald (Verfolgung).
