In de jaren vijftig onderzocht het Amerikaanse leger of het kernbommen kon afgooien met een luchtballon. Die waren goedkoop en konden onopgemerkt richting vijandelijk gebied zweven. Toch zagen wetenschappers vooral risico’s: bij slecht weer kon een nucleaire ballon de verkeerde kant op waaien.
De Fransen waren in de achttiende eeuw de eersten die luchtballonnen inzetten voor militaire doeleinden. Bij de Slag om Fleurus in 1794 stegen soldaten op om vanuit hun mandje het slagveld te verkennen. Ook de Amerikanen zagen al snel het militaire nut van ballonnen: tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog riep Abraham Lincoln het Union Army Balloon Corps in het leven. Met waterstofgas gevulde luchtballonnen werden met kabels vastgemaakt aan de grond, zodat verkenners vanuit de lucht kaarten van de omgeving konden maken.
Tijdens de Koude Oorlog gebruikten westerse inlichtingendiensten ballonnen om spionnen achter het IJzeren Gordijn te droppen. Maar de Amerikanen gingen nog een stap verder. In een tijdperk vol nucleaire experimenten wilden ze kernwapens richting vijandelijk gebied laten zweven.
Bom kon op bondgenoten vallen
‘Onder sommige omstandigheden kan een ballon-afleversysteem concurreren met andere systemen’, schreven Amerikaanse onderzoekers in een onlangs vrijgegeven rapport uit 1957. De wetenschappers noemden een paar voordelen van een ballon ten opzichte van een vliegtuig: het was stukken goedkoper en kon makkelijker onopgemerkt blijven.
Maar de risico’s waren talrijker. Regen en wind konden de koers van de luchtballon veranderen, waardoor het nucleaire wapen op bondgenoten kon vallen. Bovendien waren ballonnen niet geschikt om snelle aanvallen mee uit te voeren en was het voor de Sovjets gemakkelijk om ze uit de lucht te schieten.
Om met een bom op te kunnen stijgen was er een ballon nodig met een diameter van minimaal 30 meter, concludeerden de wetenschappers. Ze lieten er allerlei wiskundige formules op los om de foutmarge van een nucleaire luchtballonaanval te berekenen. Als voorbeeld namen ze een bombardement op de Donbas, met als doel het gebied te treffen met nucleaire fallout. Volgens het rapport had zo’n operatie kans van slagen, maar dan zou het leger er wel goed aan doen om meerdere dummy balloons richting het doel te sturen, zodat voor de Sovjets niet duidelijk was welke ballon ze moesten neerhalen.
Met goede weersvoorspellingstechnieken was een nucleaire ballonaanval mogelijk, concludeerden de Amerikanen. Maar de kans dat een kernwapen op West-Europees grondgebied zou belanden was toch te groot. Net als andere ambitieuze ideeën over nucleaire oorlogvoering verdween het project daarom in de archieven van het Pentagon.
