• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 7/2022

    ‘Nooit meer bezuinigen op salaris leraren’

    Door: Mirjam Janssen

    Ter bestrijding van het lerarentekort besloot minister van Onderwijs Dennis Wiersma onlangs de salarissen in het basisonderwijs met 10 procent te verhogen. Dat kan een effectief middel zijn, zo leert de geschiedenis. In de jaren vijftig had Nederland, net als nu, een nijpend tekort aan leraren. Daarom probeerde de overheid ook toen het beroep aantrekkelijker te maken door een beter salaris te bieden. Het bleek een goede oplossing, want hoger opgeleiden kozen vervolgens vaker voor het onderwijs. Totdat in de jaren tachtig het mes ging in de salarissen. Volgens de regering waren ze te royaal.

    ‘Sinds 2007 wordt al gewaarschuwd voor een groot lerarentekort,’ vertelt Frank Cörvers, hoogleraar arbeidsmarkt aan de Universiteit Maastricht en de Universiteit van Tilburg. Ook in de jaren vijftig speelde dat probleem. Er waren te weinig leerkrachten om de geboortegolf op te vangen. Babyboomers zaten in klassen van gemiddeld 36 leerlingen. Op allerlei manieren werd geprobeerd docenten te trekken. Gepensioneerde leerkrachten werden teruggevraagd, mannen konden vrijstelling krijgen van militaire dienst als ze voor de klas gingen staan, en studenten die wilden gaan lesgeven kregen makkelijker beurzen. Er waren versnelde studietrajecten mogelijk voor studenten met bepaalde vooropleidingen. Zelfs Indië-veteranen konden na een spoedcursus gaan lesgeven.

    Vooral effectief was het salarisakkoord van 1960, waardoor leraren beter gingen verdienen. Hun loon steeg net iets meer dan andere cao-lonen. Helemaal tevreden waren de leraren overigens niet: veel van hen ergerden zich aan de toenemende bemoeizucht van onderwijsvernieuwers. Toch maakte het hogere loon het beroep aantrekkelijk. Tot 1978 bleven de salarissen in het onderwijs op peil, maar daarna werd er steeds meer gekort. In 1981 kwam het kabinet-Van Agt met de nota Bestek ’81; overheidssalarissen werden ontkoppeld van de lonen in het bedrijfsleven.

    De jaren daarop kwamen de lerarensalarissen verder onder druk te staan. Die werden als te royaal gezien. VVD-Kamerlid Nell Ginjaar-Maas vond dat het onderwijs nog ‘versierselen’ kende uit ‘de tijd dat het onderwijs als welzijnsvoorziening werd gezien en de bomen tot in de hemel groeiden’. Volgens de publieke opinie hadden leraren het makkelijk: een paar uur lesgeven, vroeg thuis, veel vakantie en een hoog salaris.

    Indië-veteranen konden na een spoedcursus gaan lesgeven

    Minister van Onderwijs Wim Deetman kwam met de Herziening Onderwijs Salarisstructuur. Hij wilde dat leraren salaris inleverden. Dat leidde in 1985 tot heftige onderhandelingen met de bonden. De uitkomst was dat het bestaande docentenkorps werd gespaard, maar dat degenen die later in dienst kwamen minder gingen verdienen. De bonden gingen akkoord vanwege de hoge werkloosheid. Want wie zou er nog het onderwijs in gaan? De verwachting was dat één op de drie studenten van een lerarenopleiding geen baan zou vinden. Maar nieuwe docenten kregen daardoor honderden guldens per maand minder dan hun oudere collega’s.

    Vanaf de jaren negentig zijn de salarissen licht gestegen. ‘Maar ze zijn nooit meer op het niveau van de jaren zeventig gekomen,’ zegt Cörvers. ‘Dat kwam doordat andere, concurrerende beroepen voor hogeropgeleiden beter gingen betalen. Maar ook doordat geld dat was gereserveerd voor salarisverhogingen daar toch niet aan werd uitgegeven.’

    Tot hoeveel extra leraren de huidige salarisverhogingen zullen leiden, vindt Cörvers lastig te voorspellen. ‘Die kunnen extra jongeren trekken en zittende docenten langer vasthouden. Maar er zal ook iets aan de begeleiding en het takenpakket van docenten moeten worden gedaan. Leraren zijn opgezadeld met de oplossing van te veel pedagogische en sociale problemen. Daarbij bestaat het gevaar dat er bij een volgende crisis weer op salarissen wordt bezuinigd, en een les uit het verleden is dat we dat niet meer moeten doen.’