Verdachten verdedigden hun vergrijpen vaak door te wijzen op hun materiële nood als gevolg van de oorlog. Daardoor zouden de normale regels niet meer gelden. ‘Een ieder doet tegenwoordig wel eens wat. Dat brengt [sic] de bijzondere tijdsomstandigheden met zich mede,’ aldus een Brabantse verdachte van heling.
Rechters gingen hier maar ten dele in mee. Ze toonden enerzijds begrip voor de moeilijke leefomstandigheden van de daders, maar wezen er anderzijds op dat mensen juist in tijden van nood niet van elkaar moesten stelen. In de praktijk werden weinig kleine dieven vervolgd, maar dat had vooral te maken met gebrek aan capaciteit bij justitie.
Openingsbeeld: Rechercheurs inventariseren de buit van een fietsendief in Amsterdam, 1940.
