• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2017

    Martelaren van Gorcum, slachtoffers van de Watergeuzen

    Zwarte bladzijde

    Door: Rob Hartmans

    Op 9 juli 1572 hingen de watergeuzen negentien geestelijken op aan de hanenbalken van een klooster. De slachtoffers gingen de geschiedenis in als de ‘Martelaren van Gorcum’. In katholieke kring werden ze later als helden vereerd; protestanten zwegen er beschaamd over.

    Het verhaal van de Nederlandse Opstand dat ons in de jaren zestig op de ‘School met den Bijbel’ werd verteld was bijzonder overzichtelijk: in de zestiende eeuw werden de aanhangers van de ware, door Luther en Calvijn herontdekte religie vervolgd en op de brandstapel gezet door bijgelovige en geniepige katholieken, die heulden met de buitenlandse bezettingsmacht van de Spaanse koning Filips II. De analogie met de recente geschiedenis was nooit ver weg, en voor ons was het duidelijk dat de ‘spanjolen’ de ‘moffen’ van de zestiende eeuw waren geweest, en de katholieken de toenmalige NSB’ers. De nobele Willem van Oranje was niet voor niets de voorvader van koningin Wilhelmina, en zijn watergeuzen waren zonder meer te vergelijken met de verzetshelden uit de Tweede Wereldoorlog.
     
    In de schoolbibliotheek waren geen boeken te vinden die dit beeld verstoorden, zodat het een hele schok was toen ik in de Openbare Leeszaal een boekje aantrof waarin uitgebreid werd verteld over de Martelaren van Gorcum: katholieke geestelijken die in 1572 waren vermoord door de watergeuzen, die kort daarvoor Den Briel hadden ingenomen. Het leek mij evidente lasterpropaganda, verspreid door achterbakse katholieken die ‘onze’ watergeuzen in diskrediet wilden brengen.
     

    Gruweldaden

    Later bleek het verhaal wel degelijk te kloppen en werd duidelijk dat de watergeuzen nog meer gruweldaden op hun naam hadden staan. Bovendien kwam ik erachter dat de analogie met de Tweede Wereldoorlog nergens op sloeg, en dat de Opstand vooral moet worden gezien als een burgeroorlog – en burgeroorlogen zijn dikwijls nog veel smeriger dan ‘gewone’ oorlogen.
     
    Nadat in mei 1567 de hertog van Alva met 10.000 Spaanse soldaten in de Lage Landen was gearriveerd om er de orde te herstellen, waren circa 60.000 mensen naar onder meer Kleef, het Rijnland, Oost-Friesland en Engeland gevlucht. De meesten van hen sympathiseerden met het protestantisme en vreesden dat ze het slachtoffer zouden worden van de verscherpte vervolging van ‘ketters’.
     

    De geuzen

    Onder hen bevonden zich ambachtslieden, kooplieden, vissers, zeelui en lagere edelen die zich in 1565 hadden aangesloten bij het Verbond der Edelen, dat protesteerde tegen de godsdienstvervolgingen. De laatste groep was door een adviseur van landvoogdes Margareta van Parma in 1566 afgeserveerd als een stelletje gueux, ofwel bedelaars, waarna de opstandige edelen dit als erenaam gingen gebruiken: geuzen.
     
    In het Oost-Friese Embden en in verschillende Engelse havens rustten groepen vluchtelingen schepen uit die vijandelijke vaartuigen overvielen. Volgens het toen geldende oorlogsrecht was het gebruikelijk om ‘kaperbrieven’ uit te geven, die de bezitters het recht gaven schepen van de vijand aan te vallen. Deze ‘watergeuzen’ ontvingen van Willem van Oranje, de leider van de Opstand, dergelijke brieven, maar niet zelden vielen ze ook neutrale schepen aan, waarmee ze zich schuldig maakten aan piraterij. Bovendien verstonden ze onder ‘vijandelijke’ schepen in de eerste plaats Hollandse en Zeeuwse koopvaardijschepen, aangezien deze gewesten nog altijd trouw waren aan landsheer Filips II. Eind 1569 werden zo’n honderd Hollandse schepen met graan veroverd, waarbij tegen de afspraken in de buit slechts zeer ten dele werd afgedragen aan Willem van Oranje.
     

    Veredelde piraten

    De watergeuzen vormden niet één grote vloot, maar waren losjes georganiseerd in verschillende eskaders. Ze enterden niet alleen schepen, maar ondernamen ook tal van ‘landgangen’ – snelle landingen waarbij kustplaatsen en de onmiddellijke omgeving werden geplunderd. Militair vormden ze geen grote bedreiging, maar uiteraard was hun optreden buitengewoon hinderlijk. Zachtzinnig waren de watergeuzen allerminst: toen ze in de herfst van 1571 zeven Hamburgse schepen buitmaakten, werd vrijwel de gehele bemanning vermoord. Koningin Elizabeth van Engeland was de watergeuzen meer dan zat en verbood hun korte tijd later nog langer te opereren vanuit Engelse havens.

     

    Elizabeth verbiedt de geuzen vanuit de Engelse havens te opereren 

    Als gevolg van deze maatregel zwierf in het vroege voorjaar van 1572 een watergeuzenvloot van 26 schepen over de Noordzee. Dit eskader stond onder bevel van de 29-jarige Willem van der Marck, heer van Lumey. Hij behoorde tot het Verbond van Edelen en had al ruim daarvoor een conflict met Filips II over territorium in de omgeving van Luik. Aanvankelijk vocht hij in het landleger van Willem van Oranje en diens broer Lodewijk van Nassau, maar eind 1572 werd hij bevelhebber van de geuzenvloot die vanuit Engeland had geopereerd.
     

    Den Briel

    Lumey, die ook het bevel voerde over enkele honderden Waalse huursoldaten, wordt vrijwel altijd afgeschilderd als een wrede en meedogenloze krijgsheer, die er vooral behagen in schiep roomse geestelijken te martelen en te vermoorden. Hierbij mag niet worden vergeten dat nagenoeg alle informatie over hem afkomstig is van tegenstanders, maar toch past zijn optreden in het voorjaar en de zomer van 1572 naadloos in dit zwarte beeld.
     

    De watergeuzen plunderen schepen en kustplaatsen

    Eind maart 1572 schuimde de vloot van Lumey, met in totaal zo’n 1100 manschappen, de kust van Zeeland, Vlaanderen en Noord-Frankrijk af, her en der schepen kapend. Vermoedelijk als gevolg van een zware storm belandde het eskader van 26 schepen op 1 april voor Den Briel, op het eiland Voorne. Een ‘landgang’, dus een plundering van het stadje, zal zeker in het krijgsplan van Willem van Oranje hebben gepast, maar dat Lumey de stad zonder veel moeite innam was echt niet de bedoeling. Hiermee werd Oranjes plan doorkruist om gelijktijdig een invasie vanaf zee en vanuit de Duitse gebieden uit te voeren. Ook was niet voorzien dat het stadje zich zonder slag of stoot zou overgeven. De bezetting door de watergeuzen was echter een feit, en de katholieke geestelijken en een deel van de burgerij ontvluchtten halsoverkop Den Briel, waarna de kerken, kloosters en huizen van de vertrokken burgers werden geplunderd.
     

    Uitvalsbasis voor de geuzen

    Door de inname van Den Briel beschikten de opstandelingen ineens over een uitvalsbasis. Tegelijk zagen veel steden het als sein om zich tegen landsheer Filips II te keren en voor de prins van Oranje te kiezen. Binnen een paar maanden sloten bijna alle belangrijke Hollandse en Zeeuwse steden zich bij de Opstand aan.
     
    Op 26 juni voeren de watergeuzen vanuit Den Briel met dertien schepen naar Gorcum en eisten de stad op in naam van Oranje. Het stadsbestuur capituleerde onmiddellijk, maar enkele katholieke burgers en geestelijken verschansten zich in kasteel De Blauwe Toren, waar een klein Spaans garnizoen gelegerd was. De volgende dag al zag de garnizoenscommandant zich genoodzaakt zich over te geven, op voorwaarde dat de burgers en geestelijken een vrije aftocht kregen. De watergeuzen lieten de burgers gaan, maar de geestelijken werden gevangengenomen.
     

    Mishandeld en vernederd

    De negentien katholieke geestelijken werden mishandeld en publiekelijk vernederd – ze moesten eindeloos liturgische gezangen zingen en kregen op vrijdag uitsluitend vlees te eten. Welgestelde burgers van Gorcum zamelden geld in om hen vrij te kopen, en Willem van Oranje stuurde het stadsbestuur een standaardbrief waarin hij opriep om alle inwoners, dus ook katholieke geestelijken, goed te behandelen. Een kopie van deze brief werd naar Lumey gestuurd, die nog steeds in Den Briel zijn hoofdkwartier had. Deze kon de bemoeizucht van de prins allerminst waarderen. Waarom dacht Oranje dat hij hem, Lumey, orders kon geven? Was hijzelf inmiddels niet veel succesvoller dan de prins?
     
    Ondertussen had Lumey de geestelijken laten overbrengen naar Den Briel, waar ze op 7 juli arriveerden. Het zag er meteen al slecht voor hen uit: ondanks het vroege uur stond Lumey hen op te wachten en liet hij de mannen, onder het uitdelen van zweepslagen, in een schertsprocessie naar de grote markt lopen. Daar was een galg opgericht, waar de geestelijken driemaal omheen moeten lopen. Vervolgens werden ze in het gevang gesmeten, waar ze opnieuw vernederd en mishandeld werden. In de kerkers van Den Briel zuchtten nog vier geestelijken. Van de 23 mannen bekeerden drie zich als gevolg van de mishandelingen tot het protestantisme.
     

    Opgehangen aan hanenbalken

    In de nacht van 8 op 9 juli liet Lumey de twintig overige gevangenen overbrengen naar het even buiten Den Briel gelegen klooster van de regulieren van Rugge. Van dit complex stond alleen nog de turfschuur overeind, en daar werden in totaal negentien geestelijken opgehangen aan de hanenbalken. Een van hen loog over zijn leeftijd, en werd toen door de geuzen te jong bevonden om te worden terechtgesteld.
     
    In zijn Nederlandse Historiën beschrijft P.C. Hooft hoe de moordenaars de lijken verminkten. Van de een werden de neus, van de ander de oren en van weer een ander het geslachtsdeel afgesneden, waarna zij ‘deftig de geus speelden en fraai bevederd met die lichaamsdelen op hun hoed in de stad terugkeerden’.
     

    Niet de enige gruweldaad van de opstandelingen

    Deze gruweldaad was bij lange na niet de enige die door de watergeuzen of de troepen van Willem van Oranje werd bedreven. Toen twee weken voor de moordpartij in Den Briel de watergeuzen onder leiding van Diederik Sonoy Alkmaar innamen, werden vijf franciscaner monniken gevangengenomen en overgebracht naar Enkhuizen. Daar liet Sonoy, die door Willem van Oranje tot gouverneur van West-Friesland werd benoemd, hen uitvoerig martelen. Toen ze bleven weigeren hun katholieke geloof af te zweren, werden ze evenals hun lotgenoten in Gorcum opgehangen. En bij de inname van Roermond door troepen van Willem van Oranje, op 23 juli 1572, werden twaalf kartuizer monniken en de secretaris van de bisschop vermoord.

     

    De Opstand was geen simpel epos van good guys tegen bad guys

    Dit soort gruweldaden was schering en inslag en laat zien dat de bejubelde Opstand, waaruit de Nederlandse natie is voortgekomen, niet een simpel heldenepos van good guys tegen bad guys was, en dat het vaak land- en streekgenoten waren die elkaar naar het leven stonden.
     
    Rob Hartmans is historicus, journalist en vertaler.


    Meer weten:
     
     
    Historie der martelaren van Gorkum (1604) door Guilelmus Estius (Willem van Est), te vinden via Google Books.

    De Tachtigjarige Oorlog (2013) door Petra Groen (red.). Dit is het eerste deel van de Militaire Geschiedenis van Nederland.

    www.martelarenvangorcum.nl In Den Briel worden de martelaren nog steeds herdacht.