• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2014

    Jordaanoproer 1934

    Volksoproer in de Jordaan

    Door: Rob Hartmans

    In de zomer van 1934 kwamen de werklozen in de Jordaan in opstand. Hun verzet werd bruut neergeslagen. Toch vond premier Colijn dat de vieze roden een harder lesje hadden verdiend.

    De Jordaan, de Amsterdamse wijk ten westen van de grachtengordel, had heel lang een slechte naam. In 1901 omschreef een linkse journalist de buurt als ‘het koninkrijk der sloppen’, en inderdaad waren de woonomstandigheden hier over het algemeen erbarmelijk. Bij de grote stadsuitbreiding aan het begin van de zeventiende eeuw hadden de regenten schaamteloos gespeculeerd. Daardoor had het gemeentebestuur na de aanleg van de vermaarde grachten geen geld meer om de laatste buurt, die later de Jordaan werd genoemd, verder te ontwikkelen. Dit werd overgelaten aan het particulier initiatief, wat resulteerde in een slecht gebouwde wijk met een stratenplan dat volstrekt niet aansloot bij dat van het aangrenzende stadsdeel. In de loop der eeuwen verloederde de Jordaan en werd het de buurt voor het mindere volk, dat met grote gezinnen in kelders, op zolders, of in de vele kamers van eindeloos vertimmerde en zwaar verwaarloosde panden huisde.

    Aan het begin van de twintigste eeuw was de Jordaan een lugubere doolhof van straatjes, steegjes en ‘gangen’, met volgebouwde binnenplaatsen en tal van vervuilende bedrijfjes, zonder riolering, elektriciteit en met slechts summiere waterleiding. Een jonge sociograaf beschreef in 1930 vrij indringend de stank die er voortdurend hing: ‘Een kookgeur van kool en vis, gemengd met die van het vermolmde huis, en die van mensenzweet, en een zurige rotte geur van allerlei afval en dan daarbij soms nog het tonnetje, doet de buitenstaander, vreemdeling in dit Jeruzalem, walgrillingen krijgen.’ De kar waarin de inhoud van de ‘tonnetjes’ – de toiletten – werd geleegd, werd door de Jordaners de ‘Boldoot-wagen’ genoemd, naar het toen bekende eau-de-cologne-merk.
     

    Armoede in de Jordaan

    Wie het zich financieel enigszins kon veroorloven verliet de buurt, die veel dichter bevolkt was dan andere delen van de stad, terwijl de achterblijvers een steeds sterkere buurtidentiteit ontwikkelden. In 1930 was 80 procent van de inwoners ook in de Jordaan geboren, en iemand van buiten die er een kamer wilde huren kon dat meestal alleen voor elkaar krijgen op ‘rekommandasie’.

    Hoewel de Jordaan in die tijd minder overbevolkt was dan aan het einde van de negentiende eeuw – tussen 1890 en 1930 daalde het inwonertal van 83.000 naar 63.000 – en er in de jaren twintig een begin werd gemaakt met het slopen van de ergste krotten, was het nog altijd een uiterst armoedige wijk. De crisis van de jaren dertig sloeg hier hard toe. Veel mannen werkten vanouds in de haven, waar na 1929 steeds minder schepen gelost hoefden te worden. Door de versnelde modernisering van de industrie legden in deze jaren ook veel kleinschalige bedrijfjes in de wijk het loodje.
     

    ‘De Jordaan rook naar kool en vis, zweet en afval’

    Nu was armoede in de Jordaan niets nieuws en de onderlinge solidariteit was over het algemeen vrij groot. Jordanezen mochten graag pochen dat bij hen nog nooit iemand van de honger was omgekomen, en talrijk zijn de verhalen over hoe men front maakte tegen buitenstaanders en ‘het gezag’. Hoogbejaarde buurtbewoners konden zich aan het begin van de jaren dertig nog het roemruchte Palingoproer van 1886 herinneren, toen tactloos politieoptreden tijdens een volksfeest tot een opstand leidde die door het leger werd onderdrukt en waarbij niet minder dan 26 doden waren gevallen. En als buurtbewoners iets stalen, stapte men niet snel naar de politie, maar werd dat als het even kon onderling ‘opgelost’.

    Het latere communistische Tweede Kamerlid Henk Gortzak beschreef in zijn memoires met smaak hoe bij gedwongen verkopen wegens faillissement of huurschuld het de deurwaarders lastig werd gemaakt. Niet alleen probeerden buurtbewoners de geveilde goederen zo goedkoop mogelijk te bemachtigen, waarna het slachtoffer ze later weer kon terugkopen, ook werden andere slinkse trucs gebruikt. Als bijvoorbeeld een kachel aan een buitenstaander verkocht dreigde te worden, werd deze zelfs als het hartje zomer was roodgloeiend gestookt, omdat volgens de voorschriften alle goederen binnen een uur door de kopers uit het pand gehaald moesten zijn.

    Stempelen

    Hoewel de ellende in de Jordaan het grootst was, had ook de rest van Amsterdam in deze jaren te lijden van de crisis en was de werkloosheid er erg hoog en hardnekkig. In 1933 zat 80 procent van de Amsterdamse werklozen langer dan een jaar zonder werk, en 27 procent zelfs langer dan drie jaar. Op 1 januari 1934 bedroeg het aantal mensen dat afhankelijk was van werkloosheidssteun – werklozen en hun gezinnen – 140.292, ofwel 18 procent van de totale bevolking van Amsterdam.

    Werklozen die lid waren van een vakbond hadden aanvankelijk meer te besteden dan de ‘ongeorganiseerden’, omdat zij niet alleen een steunbedrag uit de werklozenkas van de bond kregen, maar ook nog een uitkering van de overheid. Na verloop van tijd was een werkloze ‘uitgetrokken’, waarna hij alleen nog de uitkering van het rijk kreeg. Vakbondsleden ontvingen die uitkering dan via hun bond, waar ze elke dag een handtekening moesten komen zetten. Na verloop van tijd werd ook deze uitkering verder verlaagd, zodat een werkloze dan ‘dubbeluitgetrokken’ was.

    Wie geen lid van een vakbond was, was aangewezen op Maatschappelijk Hulpbetoon, en moest tweemaal per dag ‘stempelen’. De tijdstippen waarop dit diende te gebeuren wisselden steeds, zodat het heel moeilijk was om bij te klussen. Was het wachten bij het stempellokaal al tamelijk vernederend, allerlei andere maatregelen droegen er verder toe bij dat werklozen een stigma kregen. Berucht is het plaatje van de rijwielbelasting, dat werklozen gratis konden krijgen, maar waar wel een gat in zat, zodat iedereen wist dat deze fietser ‘uit de staatsruif at’. En wie geen geld had om kleding te kopen kon die van het Fonds Bijzondere Noden krijgen, maar daarin was dan wel een rode merkdraad geweven. Dit was bedoeld om te voorkomen dat die kledingstukken naar de lommerd werden gebracht, maar het effect was dat iedereen onmiddellijk zag dat de drager een armoedzaaier was.
     

    Lage uitkeringen

    Het ergste was uiteraard dat de uitkeringen zo laag waren dat zelfs zeer zuinige en oppassende gezinnen al spoedig niet meer konden rondkomen. Omdat niet meer dan een derde van de werklozen vakbondslid was en in 1934 al geruime tijd zonder werk zat, ontvingen van de 24.000 Amsterdamse werklozen de meeste aan het begin van dat jaar niet meer dan 12,72 gulden per week. In kleinere gemeenten en op het platteland lag dit bedrag trouwens nog lager, maar daar waren de kosten van het levensonderhoud ook geringer.
     
    Omdat de in 1933 aangetreden regering-Colijn wilde vasthouden aan de gouden standaard en een sluitende begroting, moest er voortdurend worden bezuinigd op de overheidsuitgaven. Daarom werd in het voorjaar van 1934 besloten dat de werkloosheidsuitkeringen nog verder omlaag moesten, wat volgens de minister-president gerechtvaardigd was, aangezien de lonen ook daalden. Uit een interview in het Algemeen Handelsblad van 31 mei met minister van Sociale Zaken Slotemaker de Bruïne werd duidelijk dat per 1 juli de uitkeringen verlaagd zouden worden. Toen de verslaggever vroeg of Zijne Excellentie wel het ‘ethisch minimum’ zou kunnen handhaven, glimlachte deze bitter: ‘De waarde van het ethisch minimum erken ik sociaal en moreel ten volle, maar ik kan er practisch zoo weinig mee doen.’
     

    Zelfs zeer zuinige en oppassende gezinnen konden niet meer rondkomen

    Op dinsdag 3 juli werden de verlaagde uitkeringen voor het eerst uitbetaald, wat in Amsterdam betekende dat de werklozen er gemiddeld 1,56 gulden op achteruitgingen en iets meer dan 11 gulden ontvingen. Hoewel het gemeentebestuur moeilijkheden had verwacht en extra politie bij de stempellokalen posteerde en zogenaamde ‘uitrukcommando’s’ paraat had, gebeurde er weinig. De dag erop riep De Tribune – het dagblad van de Communistische Partij in Nederland (CPN) – op tot grootscheeps protest: ‘IN MASSA DE STRAAT OP! Op voor de strijd tegen de steunroof! Brengt de bezittende klasse aan haar verstand, dat de arbeiders zich niet laten uithongeren!’

    Die avond organiseerde het Werklozen Strijd Comité, dat aan de CPN gelieerd was, een bijeenkomst in gebouw De Harmonie aan de Rozengracht. Deze protestvergadering verliep aanvankelijk rustig, maar nadat een vrouw uit de Jordaan op het podium was gesprongen en volgens het politierapport ‘met krijschende stem begon te schreeuwen, dat zij thans zeven gulden per week minder steun ontving’, gingen de ongeveer 300 aanwezigen naar buiten, waar ze het aan de stok kregen met de politie. In de nabijgelegen Jordaan werden straatlantaarns vernield en straten opgebroken. Politiemotoren met zijspan raasden door de smalle straten, terwijl vanuit ramen en vanaf daken met dakpannen, stenen en stukken hout werd gegooid. Hier en daar verrezen lage barricaden. Hoewel de politie veelvuldig schoot, vielen er slechts enkele gewonden.

    Ongeregeldheden waren er die avond ook in de Indische Buurt, waar een demonstratie tegen het optreden van de kort daarvoor tot de NSB toegetreden ex-communist Kees Frenay door de politie uit elkaar geslagen werd. Het was echter vooral de volgende dag, donderdag 5 juli, dat er op verschillende plekken in Amsterdam gevechten uitbraken. In de Pijp, de Kalverstraat, rond de Nieuwmarkt en in Noord liepen demonstraties van werklozen uit op gewelddadige confrontaties met de politie. In de Jordaan leek het op deze bloedhete dag aanvankelijk rustig te blijven, maar rond de middag werden weer barricaden opgeworpen en voerde de bereden politie felle charges uit. Veel van de beweegbare bruggen die toegang verschaften tot de Jordaan werden opgehaald, de slingers werden in het water gegooid of de tandraderen werden kromgeslagen. Op de Lindengracht viel de eerste dode: de 26-jarige Jan Geressen, een militant lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) – een radicaal-linkse afsplitsing van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP).
    De gematigde SDAP – de grootste partij in de gemeenteraad die toevallig alleen in de jaren 1933-1935 geen wethouders had –  keurde de gewelddadigheden scherp af. Het oproer was in haar ogen kansloos en speelde slechts ‘de reactie’ in de kaart. De kleinere linkse partijen daarentegen probeerden munt te slaan uit het spontane volksoproer. De communisten juichten het verzet toe en probeerden de arbeiders die nog werk hadden over te halen om te staken. Uit angst om zelf werkloos te worden voelden de meesten hier niets voor, en alleen in de haven legden ongeveer 500 man het werk neer. OSP-leiders als Jacques de Kadt en Sal Tas dachten heel even dat de revolutie was uitgebroken, maar kwamen hier snel op terug en veroordeelden de aanvankelijk extremistische opstelling van hun eigen partij later als ‘romantiek’.
     

    Straatklinkers werden in ijltempo vervangen door asfalt

    Ook de Revolutionair-Socialistische Partij (RSP)van Henk Sneevliet, een in 1929 opgerichte antistalinistische afsplitsing van de CPN, probeerde bij de opstandige Jordanezen een revolutionair bewustzijn te kweken. De inmiddels 99-jarige Elisabeth Spanjer, destijds een medewerkster van Sneevliet, herinnert zich dat ze bij haar vader in de Marnixstraat stencils draaide, om die vervolgens in de Jordaan uit te delen. ‘Met uitpuilende fietstassen ging je daarheen, maar omdat de straten opengebroken waren kwam je zo niet ver. Met een stapel stencils onder je arm rende je van huis naar huis, waarbij je goed moest uitkijken dat je geen steen op je kop kreeg of neergeschoten werd door de marechaussee. Op het laatst zag je ook dat er pantserwagens van het leger werden ingezet, die ik trouwens niet zo heel indrukwekkend vond. Ze leken wel van triplex, en zes jaar later konden ze tegen de Duitsers ook niet veel uitrichten. Maar tegen de hongerende werklozen van de Jordaan waren ze toch wel effectief.’

    Gevolgen

    Dat bleek, want nadat de autoriteiten op 6 juli een groot offensief waren begonnen, waarbij niet alleen het speciale Korps Politietroepen was ingezet, maar tevens 300 man van het garderegiment Grenadiers & Jagers, doofde het opstandige vuur snel. Ook in andere plaatsen waar het tot ongeregeldheden was gekomen – zoals Groningen, Enschede, IJmuiden, Utrecht en Rotterdam, waar in Crooswijk één dode was gevallen – werd de orde hersteld. In Amsterdam waren er de dagen erna nog wel wat schermutselingen, maar op maandag 9 juli kon de antirevolutionaire burgemeester De Vlugt op de Dam een defilé van de troepen afnemen. Hoewel dit er op de foto’s best martiaal uitziet, had de burgemeester de zaterdag ervoor nog flink op zijn kop gekregen van zijn partijgenoot Colijn. De minister-president was samen met de minister van Defensie naar Amsterdam gekomen, en had er zijn misnoegen over uitgesproken dat er bij het neerslaan van de opstand zo weinig geweld was gebruikt. Er waren immers niet meer dan vijf doden gevallen, plus ongeveer 200 gewonden. Colijn, die veertig jaar daarvoor op Lombok onder het genot van een goede sigaar vrouwen en kinderen had laten executeren, was van mening dat die vieze, rode werklozen uit de Jordaan een harder lesje hadden verdiend.

    Toch was het rumoer blijkbaar heftig genoeg geweest, want hoewel de crisis pas in 1936 zijn dieptepunt bereikte, zou van gewelddadig verzet van werklozen hierna geen sprake meer zijn. Velen zakten weg in doffe berusting en konden weinig anders doen dan hopen op betere tijden. Dat in de zomer van 1934 ineens de vlam in de pan sloeg, en dat werklozen spontaan in opstand waren gekomen tegen hun uitzichtloze situatie, had wel enige invloed op de politiek. De sociaal-democraten werden nog sterker doordrongen van de noodzaak met een alternatief voor het beleid van de regering-Colijn te komen en presenteerden eind 1935 hun Plan van de Arbeid. In de Jordaan kostte hun houding tijdens het oproer hun echter veel stemmen. Bij de Provinciale Statenverkiezingen van 1935 behaalden ze in deze wijk slechts 21,4 procent van de stemmen, terwijl dat bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1929 nog 35,7 procent was geweest. De communisten daarentegen kregen in de Jordaan mede door hun agitatie en acties tijdens het oproer veel aanhang, en hun stemmenpercentage steeg in diezelfde periode van 8,8 naar 30,2.
     

    De communisten verdriedubbelden hun aanhang

    Binnen de OSP brak naar aanleiding van het Jordaan-oproer een hevig conflict uit, waarbij de zwalkende De Kadt en Tas het partijtje uiteindelijk verlieten en zich ontpopten als propagandisten van een ‘elitesocialisme’, dat zich sterk distantieerde van het ongeschoolde proletariaat. In 1935 fuseerde de OSP met de eveneens kwijnende RSP tot de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP), die tot 1940 een weinig florissant bestaan leidde.

    Voor de werklozen van de Jordaan veranderde er na de julidagen van 1934 voorlopig niets, al werd er niettemin door het gemeentebestuur wel flink in de buurt geïnvesteerd: kort na het conflict werden de straatklinkers in ijltempo vervangen door asfalt. Je kon immers nooit weten of het oproer niet opnieuw zou uitbreken.
     
     



    Meer lezen
    Wolf Kielich schreef met Jordaners op de barricaden (1984) een vlotte geschiedenis van het oproer. In Voor de oorlog. Herinneringen aan de jaren 30 van Martin Schouten (1982) komen verschillende betrokkenen aan het woord. De memoires van Henk Gortzak, Hoop zonder illusies (1985), geven een levendig inkijkje in het leven van de Jordanese arbeiders en werklozen. Piet de Rooy schreef in Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940 (1978) over het overheidsbeleid. Herman Langeveld schreef Schipper naast God. Hendrikus Colijn 1869-1944, deel 2 (2004). De lotgevallen van Elisabeth Spanjer staan in Alleen in de wind. Een leven in de twintigste eeuw (2007) van Rob Hartmans.

    Website:
    De redactie stelde een online dossier samen over premier Hendrik Colijn en de crisis van de jaren 30. Op historischnieuwsblad.nl/colijn vindt u bijvoorbeeld een artikel over de eerste bankencrisis van 1924, een stuk over de positieve gevolgen van de Grote Depressie en een Andere Tijden-aflevering over Colijn. Lees hier onder andere het artikel ‘Het onwankelbare dogma van de gouden standaard’.