Wanneer vatte in Nederland de idee post dat sommige ouders onbekwaam waren en dat andere instanties de opvoeding moesten overnemen?
‘Dat ging zich in de negentiende eeuw manifesteren. Het was gekoppeld aan de angst dat jeugdigen ontspoorden. Met name in de grote steden. Want in de loop van die eeuw trokken mensen daarheen in de hoop op werkgelegenheid. Je zag hele armenbuurten ontstaan, allemaal kleine woningen met grote gezinnen en kinderen die over straat gingen zwerven. Die ontwikkeling baarde de maatschappelijke elite zorgen.’
Was de elite bang voor jeugdcriminaliteit en overlast, of bezorgd om het welzijn van de kinderen?
‘Allebei. In krantenartikelen eind negentiende eeuw werden zorgen geuit over jongeren in Amsterdam die over de grachten rondzwierven en bij mensen inbraken. Dat zorgde voor toenemende angstgevoelens. Aan de andere kant zag de elite ook dat kinderen aan hun lot werden overgelaten, of dagenlang keihard moesten werken in fabrieken. Daar kwam nog bij dat er een gebrek aan onderwijs was voor een grote groep. Dat heeft dames uit de gegoede klasse, die in die tijd natuurlijk niet werkten, bewogen om zich ermee te bemoeien. Ze stapten de huishoudens van arme mensen binnen en zeiden: het is verschrikkelijk dat kinderen hier moeten opgroeien.’
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Wat konden ze eraan doen?
‘Zonder wetgeving konden ze alleen een beetje druk uitoefenen op de ouders om hun kinderen naar een instelling te laten gaan. Halverwege de eeuw werden de eerste tehuizen en landbouwkolonies voor jongens en meisjes gesticht. Die waren op confessionele basis georganiseerd, want protestanten en katholieken wilden dat de kinderen van hun eigen kerk in de juiste richting werden begeleid. En in ieder geval moesten zij weg bij de ouders.’
Hoe was het regime in zulke kolonies?
‘Daar weten we heel weinig over, maar vermoedelijk zijn het keiharde, bijna militaire regimes geweest. Wat niet uitsluit dat er misschien hier en daar een bevlogen opvoeder was. Zo stichtte dominee C.E. van Koetsveld in 1855 een school en internaat voor “idioten”, die volgens hem net zo opvoedbaar waren als andere kinderen. Op kleine schaal ontstond er dus wel aandacht voor kinderen met specifieke problemen. Maar dat waren de uitzonderingen. De meeste inrichtingen waren oorden die we in de huidige tijd volkomen onacceptabel zouden vinden. Het uitdelen van fysieke straffen was toen helemaal niet taboe. Wat dat betreft is het altijd handig om net iets breder dan alleen maar naar Nederland te kijken, want fysieke straf is bijvoorbeeld in Engeland nog steeds niet uitgesloten. Dus het is maar net vanuit welke invalshoek je naar die negentiende eeuw kijkt en hoe zwart je het beeld dan vindt. Maar als je ziet dat kinderen binnen de meeste instellingen zelf verantwoordelijk werden gemaakt voor de maaltijden en dat meisjes iedere dag aan het wassen werden gezet, dan gruwen we daar nu van. Van onderwijs was nauwelijks sprake. Het doel was om de kinderen te normaliseren zodat ze als goede burgers konden terugkeren in de maatschappij. Maar dat laatste moest vooral niet te vroeg gebeuren. Die kinderen werden heel lang vastgehouden, ook omdat zij een bron van inkomsten waren.’

Mochten de instellingen kinderen zomaar vasthouden?
‘Nee, want er was geen wetgeving die kon verhinderen dat ouders hun kinderen terughaalden. Als ze een jaar of twaalf werden, zeiden veel ouders: “We willen Kareltje terug, want hij moet gaan werken.” Ondanks het wetje van Van Houten uit 1874 kwam kinderarbeid nog heel veel voor. Enerzijds omdat er voor de landbouw een uitzondering werd gemaakt, en anderzijds omdat er slecht werd gehandhaafd. Tegen het einde van de negentiende eeuw was er een toenemende druk om meer maatregelen te gaan nemen. Dat leidde tot de eerste Leerplichtwet in 1900 en de zogeheten Kinderwetten, een jaar later.
Vanaf dat moment was het aan de rechter om te beslissen of een kind uit huis geplaatst moest worden. En dan werden meteen de ouders uit de ouderlijke macht ontzet – of ontheven, als ze er zelf min of meer mee instemden. Ze verloren ook nog het kiesrecht. Het idee was: als het fout liep met kinderen, lag dat altijd aan de ouders. Daarom moest je ze weghalen uit het gezin, voordat je aan die kinderen ging sleutelen. Ik noem dat de quarantainebenadering.’
Stond zulk verregaand overheidsingrijpen in de privésfeer niet haaks op het liberale laisser-fairebeleid van die tijd?
‘Wonderbaarlijk genoeg waren de Kinderwetten een politiek hamerstuk. Niet alleen liberalen, maar ook de confessionelen waren voor. En als tijdens de verzuiling ergens meningsverschil over was, dan was het de opvoeding wel. Volgens de gereformeerde voorman Abraham Kuyper was het gezin zelfs een “soevereine kring”. Toch was er volkomen consensus dat het in sommige gezinnen heel erg mis kon gaan, en dat de maatschappij daar dan heel veel last van had. Mijn interpretatie is dat de confessionele instellingen zeer content waren met de Kinderwetten, want daardoor konden ouders niet meer zomaar hun kinderen terughalen.
Die hele ruige aanpak van onmiddellijke ontzetting uit de ouderlijke macht werd na twee decennia wel iets verzacht. Rechters hebben daar sterk op aangedrongen. Ze kregen vanaf 1922 de mogelijkheid om een ondertoezichtstelling op te leggen. Dan wees de rechter een voogd aan om het gezin te begeleiden in de opvoeding.’
Wie adviseerde de rechter en wie deed de begeleiding?
‘Dat was volkomen ondoorzichtig. De dames uit de gegoede stand waar ik het zojuist over had, deden de meldingen. Er waren inmiddels op verschillende plekken voogdijverenigingen opgericht door notabelen, en die vertelden aan de rechter wat er met een kind moest gebeuren. De rechter kon dan een van diezelfde dames als gezinsvoogd aanwijzen. De begeleiding stelde vanuit ons perspectief niets voor, zo’n dame ging alleen af en toe eens langs bij het gezin. Niemand had ook maar enige opleiding.
Wel zag je aan het begin van de twintigste eeuw pioniers opstaan die nieuwe inzichten uit de menswetenschappen wilden doorvoeren in de praktijk. Mijn favoriete voorbeeld is Daniël Mulock Houwer. Hij zat zelf als kind in een jeugdinrichting, liep daar een paar keer uit weg, en werd later door de directeur teruggehaald om groepsleider te worden. Uiteindelijk werd hij zelfs directeur van de instelling. Mulock Houwer schreef in 1939 een heel kritisch boek over de gestichtsopvoeding.’
Wat zag hij misgaan?
‘Het gebrek aan gerichtheid op het individuele kind, op kinderlijke ontplooiing, op kunnen opgroeien in vertrouwen in plaats van wantrouwen. Hij schreef bijvoorbeeld een fantastisch hoofdstuk over bedplassen – wat in de inrichtingen een probleem was, want de kinderen stonden strak van de spanning. Mulock Houwer schreef daar heel invoelend over, dat je zo’n kind niet moest laten afgaan voor de groep. En hij heeft jarenlang gepleit voor kleinschalige voorzieningen waar het gezin als model diende.
Binnen de pedagogiek en de psychologie kwam het kindgerichte denken op, en ook juristen bekritiseerden de hardhandigheid in de instellingen. Dat leidde tot verbeteringen. Bepaalde dingen die voorheen standaard waren, zoals het kaalscheren van de kinderen en de lange kleding die meisjes moesten dragen, verdwenen. Kinderen kregen ook voor het eerst een eigen kamer, waar ze zelf dingetjes mochten ophangen. De gezaghebbende kinderrechter J. Overwater bekritiseerde het idee dat probleemkinderen helemaal moesten worden losgemaakt van de ouders. Hij zei: je moet juist werken aan de relatie tussen de ouders en het kind.’
Kwamen er toen ook minder uithuisplaatsingen?
‘Nee, dat aantal groeide flink door na de Tweede Wereldoorlog. In de eerste jaren na de bevrijding leefden er grote zorgen over de “maatschappelijk verwilderde jeugd”. De overheid reageerde daarop met stringente opvoedingsmaatregelen. In allerlei steden waren buurten waar gezinnen die men problematisch vond werden gehuisvest en heel streng begeleid.’

Had de antiautoritaire tijdgeest van de jaren zestig invloed op de jeugdzorg?
‘Het beeld in de jaren zestig was gecompliceerd. Want aan de ene kant werd toen de opbouw van de verzorgingsstaat juist op het terrein van de jeugdzorg gerealiseerd. Het aantal voorzieningen bleef groeien en er kwam een heel mooie financiële regeling in de vorm van de AWBZ [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, red.]. De professionalisering kwam in de jaren zestig pas echt op gang. Nog niet honderd procent, maar de meerderheid van de mensen die werkten in de jeugdzorg had iets aan opleiding gedaan. Er ontstonden allerlei specialisaties voor verschillende doelgroepen. Het aantal maatregelen nam ook toe. Dus dat was allemaal groei, groei, groei.
Daar dwars doorheen kwam aan het eind van de jaren zestig een kritische tegenbeweging op, waarin ik zelf ook lustig heb geparticipeerd. Die vond al die bemoeienis van de overheid veel te ver gaan. Nieuwe organisaties zoals Release en het JAC [Jongeren Advies Centrum, red.] vonden dat kinderen die van huis wegliepen welwillend moesten worden opgevangen. Laat kinderen tot hun recht komen op een relaxte manier. Niet de politie erop zetten. En er kwam in de jaren zeventig kritiek op de overspecialisatie in de instellingen. Een goed voorbeeld is de inrichting Dennendal voor mensen met een verstandelijke beperking, waar directeur Carel Muller in 1974 actie voerde om hen te integreren met mensen van buiten de instelling. Haal de muren tussen de instellingen en de buitenwereld weg.’
Konden de critici het beleid bijsturen?
‘In zekere zin wel. Het optreden richting weglopers werd versoepeld, om maar een voorbeeld te noemen. En in de zogeheten contourennota van toenmalig onderwijsminister Jos van Kemenade uit 1975 zat het “weer samen naar school”-idee, dus kinderen met een beperking niet te vroeg apart zetten. Maar er ontstond eigenlijk een heel fragmentarisch beeld, want veel orthopedagogen en kinder- en jeugdpsychologen hielden begrijpelijkerwijs nog heel lang vast aan het idee dat bij specifieke problemen specifieke opvang nodig was. Die neiging hebben zij waarschijnlijk tot op de dag van vandaag, want ze zijn opgeleid met het idee van differentiëren.’
Nam de vraag naar jeugdzorg in die tijd toe?
‘Dat viel wel mee, maar er kwamen aan het eind van de twintigste eeuw wel zorgen over toenemende jeugdcriminaliteit. Een beetje vergelijkbaar met wat er in de loop van de negentiende eeuw gebeurde. Je zag ook opnieuw een verharding. In 1979 werd de commissie-Anneveldt ingesteld en die beweerde dat het jeugdstrafrecht zich onnodig had afgewend van het volwassenenstrafrecht. Adolescente overtreders moesten weer straf krijgen in plaats van hulp.
Rond de eeuwwisseling lieten de cijfers een stijging van de jeugdcriminaliteit zien, maar vanaf 2007 is die juist spectaculair gaan dalen. Deze daling heeft echter nauwelijks effect op het politieke debat. Want er wordt nu opnieuw gepleit voor zwaardere straffen voor kinderen, en op jongere leeftijd. Terwijl de minimumleeftijd voor strafbaarheid in Nederland al laag is in vergelijking met de rest van Europa. Hier ligt de grens bij twaalf jaar, terwijl het Europese gemiddelde veertien à vijftien jaar is. Alleen Engeland zit lager dan wij, met een strafwaardige leeftijd van tien jaar. Sommige Nederlandse politieke partijen willen het ook mogelijk maken om ouders te straffen. In zekere zin keert daarmee het oude idee terug dat het aan de ouders ligt als een kind ontspoort. Dus in het strafrecht zie je de afgelopen twintig jaar een steeds ruigere aanpak, net als honderd jaar geleden.’
Maar dit keer niet in de jeugdbescherming?
‘Er was heel even sprake van een verharding in de jeugdbeschermingsmaatregelen aan het begin van de nieuwe eeuw. Dat had te maken met twee choquerende gevallen waarin kinderen door hun ouders om het leven waren gebracht: Rowena (2001) en Savanna (2004). De conclusie die velen trokken was dat de gezinsvoogden hadden gefaald en niet tijdig hadden gereageerd op signalen. In de Savanna-zaak werd de gezinsvoogd zelfs strafrechtelijk vervolgd, wat zorgde voor een enorme schrikreactie. Gedurende een aantal jaren was het motto van jeugdbeschermers: we kunnen kinderen beter te snel dan te laat uit huis plaatsen. Dat is een afschuwelijke instelling ten aanzien van het kind en de ouders. Je loopt dan een groot risico dat je te ver gaat.’
Stonden gezinsvoogden onder druk van een publieke opinie die het niet accepteerde dat er wel eens iets misging?
‘Absoluut. Ik heb dat destijds perfectionisme genoemd. Sommige mensen zeiden in die tijd letterlijk: de opvoeding moet goed genoeg zijn, anders wordt er ingegrepen. Maar dat is helemaal niet het criterium van de jeugdbescherming. We hebben ook nog zoiets als het Kinderrechtenverdrag en er zijn uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die er steeds op wijzen dat er een bewezen risico voor het kind moet zijn. Het belang van het kind moet werkelijk vooropstaan, niet een blinde angst dat er wel eens problemen in de opvoeding zouden kunnen zijn. De overheid moet prudent zijn – zo heb ik dat twintig jaar geleden verwoord. Tegenwoordig hoef ik dat niet meer te verkondigen, want de context is aanzienlijk veranderd. Nu kan niet eens meer worden gegarandeerd dat er überhaupt een jeugdbeschermer voorhanden is die het gezin geregeld kan bezoeken.’
Hoe komt dat?
‘Door de grote decentralisatie van de jeugdzorg van de provincies naar de gemeenten in 2015. Zij zijn opgezadeld met een verantwoordelijkheid die ze in eerste instantie helemaal niet aankonden. Ze moesten voor veel geld externen inhuren, maar tegelijkertijd werden ze geconfronteerd met een gigantische bezuiniging, zodat de gemeenten nu voortdurend tegen financiële tekorten aanbotsen. Tegelijkertijd is de AWBZ voor de jeugd opgeheven en zijn de dure professionele krachten massaal weggegaan uit de jeugdzorg. Veel grote instellingen waar het serieuze werk gebeurde – de jeugdpsychiatrie, de ernstige orthopedagogische behandelingen – zijn wegbezuinigd en daar is nu een enorm gebrek aan.

Intussen hebben we met een wettelijke aanscherping van de maatregelen te maken. Als ouders niet binnen een aanvaardbaar geachte termijn in staat zijn het kind op te voeden, dan moet het blijvend worden weggehaald. Bij een kind van twee, drie jaar is de termijn een half tot een heel jaar. Maar krijgen de ouders in die periode begeleiding? Nee, want het duurt al een half jaar voordat de eerste jeugdbeschermer bij het gezin over de vloer komt. Is er dan geregeld contact? Nee, helemaal niet. Als er een ondertoezichtstelling wordt aangevraagd bij de kinderrechter, is het al jarenlang heel gewoon dat de jeugdbeschermer die met het kind en de ouders heeft gesproken niet op de zitting aanwezig is. Dan is er alleen een collega die een stukje tekst voorleest, maar die niets uit eigen ervaring kan vertellen. Dat is dramatisch. We kunnen niet eens waarmaken wat we net in wetgeving hebben vastgelegd, omdat we zo’n verrotte jeugdbescherming hebben.’
Leidt dat tot minder uithuisplaatsingen?
‘Uit recent onderzoek blijkt dat het aantal uithuisplaatsingen inderdaad flink afneemt. Onderzoekers van de Raad voor de Kinderbescherming, die de rechters adviseren, zeggen dat ze terughoudender zijn geworden omdat ze niet in alle gevallen weten of de jeugdbescherming beschikbaar is.’
Goed nieuws voor ouders?
‘Dat hangt ervan af. Hun kinderen worden minder sneller weggehaald, maar ze worden evengoed niet begeleid. Intussen is het aantal meldingen bij Veilig Thuis en de wijkteams hetzelfde gebleven. Dus we weten niet of we gerust kunnen zijn dat het voor de kinderen veilig is.’
Er is recent veel media-aandacht geweest voor misstanden in gesloten instellingen: kinderen krijgen er nauwelijks behandeling en ervaren de opname als straf. Terechte kritiek?
‘Absoluut terecht. Het had nooit die kant op moeten gaan. Gelukkig worden er momenteel minder kinderen gesloten geplaatst.’
Maar de open instellingen hebben niet de capaciteit en de deskundigheid om kinderen met de ernstigste gedragsproblemen te behandelen.
‘Dat komt doordat we dachten dat we al die gespecialiseerde instellingen nauwelijks meer nodig hadden. Er is een waanzinnig overaanbod van lichte hulpvormen – dat is helemaal een commerciële markt geworden – terwijl de speciale voorzieningen, die veel geld kosten, in de verdrukking zijn gekomen. En daar betalen we nu de prijs voor. Er is een chronisch gebrek aan opvangplekken en deskundigen die kinderen met ernstige problemen kunnen begeleiden.
Hoe kan het dat in een welvarend land als Nederland de zorg voor kinderen niet goed geregeld is, terwijl dat in de Scandinavische landen veel beter lukt? Dat zijn politieke keuzes, dat kan niet anders. Het is echt dood- en doodzonde. We hadden het tot twintig jaar geleden redelijk op orde, en nu lijken we terug te keren naar vroegere tijden toen de jeugdzorg nog op gang moest komen.’
Ido Weijers
(1948) is pedagoog en emeritus hoogleraar jeugdrechtspleging en jeugdbescherming aan de Universiteit Utrecht. In verschillende van zijn boeken en artikelen besteedt hij ruim aandacht aan de geschiedenis. Bijvoorbeeld in het boek De creatie van het mondige kind. Geschiedenis van pedagogiek en jeugdzorg (vijfde herziene druk, 2007) en de bundel Rotjeugd. Een pedagogisch perspectief op straffen en beschermen (2016).

