Home INTERVIEW: ‘De vorm van de Republiek is militair bepaald’

INTERVIEW: ‘De vorm van de Republiek is militair bepaald’

  • Gepubliceerd op: 24 juni 2013
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Geertje Dekkers

In de zeventiende eeuw liep dwars door de oude gewesten Vlaanderen en Brabant een grens. Het noordelijke deel hoorde bij de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden; het zuiden was in handen van de Habsburgers. De opmerkelijke ligging van die grens was de onverwachte uitkomst van de Opstand tegen Filips II. ‘De vorm van de Republiek en de scheiding tussen noord en zuid waren grotendeel militair bepaald,’ zegt Petra Groen van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH): ‘De grens liep door culturele eenheden heen, en was het resultaat van de oorlogvoering. Daar hebben veel historici weinig oog voor.’
Groen verzorgde het dikke boek De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog, 1568-1648. Het is het eerste in een zesdelige reeks met de laatste inzichten in de militaire geschiedenis van Nederland, die zal doorlopen tot aan de huidige tijd. De volgende vijf delen, over leger, vloot en luchtmacht in Europa en overzee, verschijnen de komende jaren.


Dat de Tachtigjarige Oorlog uitmondde in een zelfstandige Republiek, is een wonder te noemen. In de jaren 1560 kwam een ongeregelde groep van onder meer ontevreden edellieden en radicale calvinisten in verzet tegen Filips II, de machtige landsheer. Filips heerste over een wereldrijk en beschikte over grote legers. En toch slaagde hij er niet in de Opstand de kop in te drukken.

‘In de jaren 1570 is het kantje boord geweest,’ zegt Groen. ‘Maar de opstandelingen hebben zich weten te handhaven in Holland en Zeeland, en dat is cruciaal geweest voor het ontstaan van de Republiek.’

De geografie van Holland en Zeeland speelde de opstandelingen in de kaart, vertelt Adri van Vliet, een van de auteurs en plaatsvervangend directeur van het NIMH: ‘In de waterrijke gewesten konden ze veel beter uit de voeten dan de grote Spaanse legers. De vloot en de landtroepen vulden elkaar daar heel goed aan.’

De legers van Filips II bestonden voor een belangrijk deel uit voetsoldaten met lange pieken, die vochten in grote blokken, de zogenoemde tercio’s. In veldslagen waren ze superieur, en die verloren de opstandelingen dan ook steevast. ‘Maar Holland en Zeeland zijn niet erg geschikt voor grote veldslagen,’ zegt Groen, ‘en je kunt er weinig met die grote blokken piekeniers. De kleine eenheden van de opstandelingen waren daar wel succesvol. Ze hadden weinig piekeniers en maakten veel gebruik van vuurwapens. En beschut door hagen en dijken konden ze zich goed verweren.’

De opstandelingen op het land werden geholpen door een grote vloot van bewapende vissers- en handelsscheepjes. ‘Alle steden in Holland en Zeeland liggen aan water,’ legt Groen uit. ‘Dus wie het water beheerst, kan de steden insluiten en blokkeren.’

Een belangrijk probleem van de opstandelingen, en ook van de legers van Filips II, was de voortdurende dreiging van muiterij. Beide partijen maakten gebruik van huurlingen, die zeer onbetrouwbaar konden zijn, zeker als soldij uitbleef. Willem van Oranje maakte al veel werk van de beheersing van die troepen, maar na zijn dood voerde zijn zoon, prins Maurits, dat nog veel verder door. Samen met zijn neef Willem-Lodewijk drilde hij zijn huurlingen om op te trekken in tactisch doordachte formaties, en liet hij hen oefenen met salvovuur, waarmee ze hun vijand in grote problemen brachten. ‘Het Spaanse leger slaagde er pas later in deze vernieuwingen door te voeren,’ zegt Van Vliet. ‘Maurits maakte van de oorlog een tactisch schaakspel, dat vooral draaide om belegeringen van steden. Veldslagen vermeed hij zo veel mogelijk. Die brachten grote risico’s met zich mee voor de troepen, waarin hij veel had geïnvesteerd.’

Voorwaarde voor het succes van Maurits was een geregelde betaling van de huurlingen. ‘Die wist raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt voor elkaar te krijgen,’ zegt Van Vliet. ‘Dankzij hem kwam vanaf de late jaren tachtig structureel geld beschikbaar, vooral uit Holland en Zeeland.’ In die gewesten diende de Gouden Eeuw zich aan, en de toenemende inkomsten uit de handel maakten geregelde betaling van de soldij mogelijk. Muiterij kwam vrijwel niet voor in het leger van de Republiek, dat zich steeds beter kon meten met het leger van Filips II.

In diezelfde periode bezuinigde de Spaanse koning juist op zijn troepen in de Nederlanden. Dat gaf Maurits de kans nieuwe gebieden toe te voegen aan de Republiek, met name in noordoostelijk Nederland. Het liefst had hij nog verder willen doorstoten naar het zuiden, naar de grote handelsstad Antwerpen. ‘Alles draaide om Antwerpen,’ zegt Groen. ‘Tot ver in de zeventiende eeuw is geprobeerd het bij de Republiek te krijgen. Dat had misschien ook gekund, maar uiteindelijk was Holland niet bereid de grote som geld neer te leggen die nodig was voor de gigantische operatie die daarvoor nodig zou zijn.’

En zo veranderde de frontlinie van de oorlog langzaam in de grens van de Republiek – op een plaats die niemand had voorzien.

De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog 1568–1648
Petra Groen (red.), Adri van Vliet e.a.
496 p. Boom € 39,90

De Tachtigjarige Oorlog is te koop in onze webshop, https://www.historischnieuwsblad.nl/webshop. Zie ook bladzijde 90.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.