• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 5/2011

    Het briefgeheim van Filips II

    Door: Geertje Dekkers

    Stiekem brieven openstomen en geheime codes verkopen: meelezen met elkaars correspondentie was in de zestiende eeuw zeer gebruikelijk in de internationale politiek. Zo wist Filips Marnix van Sint-Aldegonde tijdens de Opstand uit gedecodeerde brieven regelmatig interessante informatie te putten over de plannen van de Spaanse koning Filips II.

    Een jaar of tien was het goed gegaan. Joannis de Castilia, een in Vlaanderen geboren klerk aan het Spaanse hof van Filips II, had al die tijd geheime vertaalsleutels verkocht aan opstandelingen in de Nederlanden. Als naaste medewerker van de secretaris van de koning, Andreas Sapas, had hij toegang tot de boeken met sleutels die nodig waren om gecodeerde diplomatieke post te ontcijferen. Voor driehonderd kronen per jaar gaf hij ze aan Filips’ tegenstanders.

    Vanaf 1576 kwamen de sleutels terecht op het bureau van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, de man die tegenwoordig vooral bekendstaat als de auteur van het Wilhelmus. Uit gedecodeerde brieven wist Marnix, de rechterhand van Willem van Oranje, regelmatig interessante informatie over koning Filips’ plannen te putten. En ook voor de loop van Marnix’ eigen leven was zijn vaardigheid in het ontcijferen van groot belang.

    Voor Joannis de Castilia liepen zijn illegale activiteiten echter slecht af. Na tien jaar dubbelspel liep hij tegen de lamp en dat kostte hem zijn leven. Eind oktober 1581 werd hij door paarden gevierendeeld.

    Meelezen met elkaars correspondentie was in de zestiende eeuw een heel gewoon onderdeel van de internationale politiek. Langs de lange postroutes door Europa vonden vaak overvallen plaats, en geheime brieven waren een gewilde buit. Het kon natuurlijk ook subtieler: klerken met een dubbele agenda stoomden post open om deze te kopiëren voor de tegenpartij en de brieven vervolgens door te sturen naar de geadresseerde alsof er niets mee was gebeurd.

    Brieven waren een belangrijke bron van informatie en machthebbers in heel Europa bleven graag op de hoogte van de plannen van een machtig man als Filips II. Dat gold in het bijzonder voor protestantse vijanden, zoals Elizabeth I en haar Engelse hof en de Nederlandse opstandelingen. Ook na de dood van zijn Spaanse informant Joannis de Castilia wist Marnix van Sint-Aldegonde nog een aantal belangrijke brieven te ontcijferen.

    Uiteraard wist Filips dat vreemde ogen maar al te graag meelazen met zijn correspondentie, maar de ‘papieren koning’ was nu eenmaal op brieven aangewezen. Na 1559 zou hij zich niet meer in de Nederlanden vertonen en alle beslissingen over zijn gigantische rijk nemen achter zijn Spaanse bureau. Zijn Nederlandse hof in Brussel hield hij per post op de hoogte.

    Om het hun tegenstanders lastig te maken, stuurden Filips en zijn hovelingen brieven tussen Brussel en het Escorial, waar Filips meestal verbleef, soms met een omweg, zoals kardinaal Granvelle deed in 1562. Deze vertrouweling van Filips bracht zijn brief eerst van Brussel naar Antwerpen, waar koopman Jerónimo de Curiel hem in een eigen omslag bond en hem vervolgens naar zijn broer in Burgos stuurde. Deze broer verzond de brief vervolgens naar het Spaanse hof. De sluiproute heeft blijkbaar gewerkt, want de brief ligt tegenwoordig keurig in een Spaans archief.

    Daarnaast gebruikten Filips en de zijnen geheimschrift, zoals iedereen die politiek gevoelige informatie te melden had. Daarbij vervingen ze afzonderlijke letters door cijfers of zelfverzonnen tekens. Bovendien hadden ze een lijst met cijfercodes die stonden voor ongeveer tweehonderd verschillende lettergrepen. Daarbovenop kwam nog een lijst met lettercombinaties, die hele woorden vervingen. Deze drie systemen, die door elkaar werden gebruikt, maakten het lastig brieven te lezen zonder de bijbehorende codeboeken. En voor het geval de vijand toch een code wist te kraken, werden de sleutels regelmatig aangepast.

    Helaas voor Filips waren er volop zwakke schakels: types als Joannis de Castilia die voor geld of om politieke redenen bereid waren de vijand aan sleutels te helpen. Volgens een Spaanse briefschrijver kwam Marnix van Sint-Aldegonde in 1576 op die manier aan informatie over een ophanden zijnde aanval op Antwerpen. Frédéric Perrenot, heer van Champagney en broer van kardinaal Granvelle, zou hem aan geheime brieven én de sleutel hebben geholpen. Zo verklaarde de briefschrijver tenminste dat de Antwerpenaren enigszins voorbereid waren op de Spaanse Furie van november 1576.

    Champagney was gouverneur van Antwerpen en stond officieel aan de zijde van koning Filips, maar hij had duidelijk sympathie voor de opstandelingen en had eerder geprobeerd via Marnix van Sint-Aldegonde een vrede tot stand te brengen. Als gouverneur wilde hij de Antwerpenaren tegen een aanval beschermen. Dat zou verklaren waarom hij Marnix behulpzaam was.

    Op basis van de informatie van Marnix besloten de Antwerpenaren artillerie in stelling te brengen, aldus nog steeds de Spaanse auteur. In werkelijkheid kwamen de waarschuwingen waarschijnlijk van meer kanten. Veel haalden de voorzorgsmaatregelen van de Antwerpenaren niet uit, toen een overmacht aan muitende soldaten van Filips de stad binnenviel. De strijd draaide uit op de Spaanse Furie, waarbij duizenden Antwerpenaren om het leven kwamen en er voor kapitalen werd geplunderd.

    Toch zouden brieven die Marnix had ontcijferd nog een belangrijke rol spelen. Al sinds de zomer van 1576 probeerde Marnix vertegenwoordigers van alle zeventien gewesten over te halen om zich te verenigen en de troepen van Filips de Nederlanden uit te sturen. Dat zou leiden tot de beroemde Pacificatie van Gent, maar het kostte Marnix veel moeite om iedereen te overtuigen van de noodzaak van een dergelijk verdrag. Daarom hamerde hij op het gevaar dat de troepen van de tegenpartij vormden, verwijzend naar geheime brieven die hij had gedecodeerd.

    Eind oktober viel Willem van Oranje hem per brief bij. Hij waarschuwde zijn afgevaardigden, bijeen in Gent, voor actie van de kant van Filips. Tegenstanders van de Pacificatie hadden per expres brieven naar Spanje gestuurd, en blijkbaar hadden opstandelingen die onderschept. Uit de brieven bleek dat de tegenstanders de beraadslagingen over de Pacificatie rekten in de hoop van steun uit Spanje, zo schreef Oranje.

    Op 4 november, de dag waarop de Spaanse Furie begon, bleken de waarschuwingen van Marnix en Oranje terecht. Geschrokken ondertekenden vertegenwoordigers van de Nederlandse gewesten dan eindelijk de Pacificatie van Gent, waarin ze overeenkwamen dat de Spaanse troepen moesten vertrekken en – heel belangrijk voor Oranje en Marnix – dat calvinisten niet langer zouden worden vervolgd.

    Kort na dit succes kreeg Marnix van Sint-Aldegonde nieuwe post bezorgd. De Franse protestantse edelman François de la Noue – vanwege zijn ijzeren kunstarm bijgenaamd ‘Bras-de-Fer’ – had in Gascogne brieven onderschept van Filips, zijn halfbroer Don Juan en diens secretaris Escevedo. Don Juan was op dat moment landvoogd van de Nederlanden en daarom stuurde De la Noue de brieven door naar de opstandelingen daar, die hij al eerder had geholpen.

    Marnix wist de brieven te ontcijferen, naar alle waarschijnlijkheid met behulp van sleutels die Joannis de Castilia had doorgespeeld. Uit de brieven bleek dat Don Juan grote ambities had. Hij was van plan over te varen naar Engeland, daar de protestantse Elizabeth van de troon te stoten en te trouwen met haar grote concurrente, haar katholieke achternicht Mary Queen of Scots. Don Juan hoopte samen met haar de troon te bestijgen. Van Filips mocht Don Juan zijn gang gaan, als hij maar eerst orde op zaken stelde in de Nederlanden.

    De Engelsen hadden al vermoedens van dergelijke plannen, maar nu stonden ze zwart op wit. Elizabeths private secretary Francis Walsingham was onder de indruk van Marnix’ werk. Geïnspireerd besloot hij een netwerk op te zetten dat systematisch brieven moest onderscheppen en ontcijferen. Het zou een belangrijk wapen worden in de strijd tegen katholieke vijanden, onder wie Filips II.

    Dat was hoognodig. Want de plannen van Don Juan waren weliswaar ontdekt voordat ze concrete vormen hadden aangenomen, maar samenzweringen tegen Elizabeth en voor Mary bestonden nog steeds. Een trouwe volgeling van Mary, Anthony Babington, smeedde in 1586 een complot, waarvoor hij de steun kreeg van Filips II: Spanje zou Engeland binnenvallen en Elizabeth zou worden vermoord. De troon was voor Mary.

    Er was één belangrijk probleem. Mary, die gevangenzat en streng werd bewaakt door mannen van Elizabeth, moest op de hoogte worden gebracht. Babington dacht een slimme oplossing te hebben: hij stuurde haar gecodeerde brieven, verstopt in biervaten. Het leek te werken. Maandenlang konden Mary en Babington ongestoord corresponderen.

    Maar intussen was Walsingham hun te slim af. Hij had een dubbelagent ingehuurd: de man die de brieven van en naar Mary bracht. Zo kon hij met de samenzweerders meelezen, net zo lang tot Mary het in een brief min of meer openlijk over de plannen had. Op dat moment liet Walsingham de val dichtklappen, waarna een groot aantal koppen rolde, inclusief die van Babington en Mary. Elizabeths positie was voorlopig veilig.

    Intussen waren in de Nederlanden de politieke gebeurtenissen voortgeraasd. In 1581 had een aantal gewesten zich met de Akte van Verlatinghe losgemaakt van Filips II. Iedere hoop op verzoening tussen Filips en Willem van Oranje, de vogelvrij verklaarde leider van de Opstand, was verkeken. Iedereen wist dat Oranjes leven in gevaar was en op 10 juli 1584 voltrok zich het drama: de moord door Balthasar Gerards. Wij hebben ‘de bloem van de vorsten van de christenheid, de ware vader van ons vaderland’ verloren, schreef Marnix.

    Enkele maanden voor de moord was Marnix benoemd tot burgemeester van Antwerpen – tot ‘buitenburgemeester’ zelfs, wat betekende dat hij de belangrijkste van de burgemeesters van de stad was. Hem wachtte een zware taak, want op 3 juli 1584 begon een Spaanse belegering van de stad, die zou duren tot 17 augustus van het jaar daarna. Toen gaf Marnix de stad over aan de Spaanse bevelhebber Alexander Farnese, de hertog van Parma.

    De overgave was een drama, want Antwerpen was een van de belangrijkste steden van de Nederlanden, zo niet de belangrijkste. Na de inname door Parma verschoof het zwaartepunt van de Opstand definitief naar het noorden. Vanaf nu was Marnix een verrader en de Staten van Holland vonden dat hij gevangen moest worden gezet. Zover kwam het niet, want Marnix trok zich terug in zijn kasteel in het Zeeuwse West-Souburg, vlak bij Vlissingen. Zijn politieke rol leek uitgespeeld.

    Totdat kolonel Morgan, de gouverneur van Bergen op Zoom, Marnix begin 1590 een nieuw stapeltje interessante brieven toespeelde om te ontcijferen. Een deel ervan kwam van Filips zelf. Deze keer bevatten de brieven informatie over plannen tegen Frankrijk en Engeland, zo ontdekte Marnix. De mislukte aanval op Engeland met de Spaanse Armada lag nog vers in het geheugen, maar Filips hield vast aan zijn rol van verdediger van katholiek Europa: tegen de opstandelingen in de Nederlanden, tegen Elizabeth in Engeland én tegen Hendrik IV, ook een protestant, die in 1589 de Franse troon had veroverd.

    Voor Marnix betekende dit rehabilitatie. De Staten van Zeeland gaven hem opdracht de geheime informatie persoonlijk over te brengen aan Elizabeth en Hendrik. In maart vertrok hij naar Londen, waar hij de kans kreeg de banden aan te halen die hij indertijd met Walsingham had opgebouwd. In Frankrijk benoemde Hendrik hem officieel tot zijn raadsman, ook al kon Marnix niet verhelpen dat Frankrijk met Spanje in oorlog raakte.

    Terug in de Nederlanden werd Marnix ontvangen in een vergadering van de Staten-Generaal, waar hij succesvol pleitte voor steun aan Hendrik tegen Filips, in de vorm van een aantal schepen. Zijn isolement was ten einde; hij zou weer een rol in de politiek gaan spelen. In 1594 bevestigden de Staten zijn eerherstel door Marnix, die theologie had gestudeerd, te benoemen tot Bijbelvertaler. Calvinistische geestelijken zaten in die tijd te springen om een goede Nederlandse versie, met name van het Oude Testament, op basis van de originele teksten.

    Marnix wijdde zich serieus aan zijn taak, maar verder dan wat losse delen kwam hij niet. Deels was dat te wijten aan zijn verslechterde gezondheid. Hij was in de vijftig, had last van jicht en andere kwalen. Op 15 december 1598 werden die hem te veel.

    De jacht op geheimen uit diplomatieke post was met de dood van Marnix geenszins ten einde. De kunst van het versleutelen en ontcijferen stond nog in de kinderschoenen en zou zich in de zeventiende eeuw snel verder ontwikkelen. Ook werden regimes steeds geroutineerder in het onderscheppen van elkaars brieven. Belangrijke postkantoren werden uitgerust met ‘zwarte kamers’; daarin zaten klerken die speciaal waren opgeleid om brieven te ontcijferen. Vanaf de vroege achttiende eeuw had ook de Republiek der Nederlanden zo’n geheime afdeling.

    Medewerkers van de zwarte kamers werden steeds slimmer in het ontcijferen van berichten en dat leidde uiteraard tot steeds lastigere codes. Die wedloop is voorlopig nog niet afgelopen – al hopen natuurkundigen dat kwantumcomputers binnen afzienbare tijd waterdichte verzending van geheimen mogelijk zullen maken. Maar voorlopig is diplomatieke post nog steeds kwetsbaar.

    Met dank aan Liesbeth Geevers