• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 5/2021

    Heibel om een Holocaustmonument

    Door: Laurens Bluekens

    Ruim vijftien jaar na de opening is het Holocaustmonument in Berlijn uitgegroeid tot een van de grootste trekpleisters van de stad. De totstandkoming was lang en moeizaam. Nog steeds maakt het de tongen los: is het nou een begraafplaats, een doolhof of een modern kunstwerk? Het monument laat niemand onverschillig. En dat is juist de kracht ervan.

    In 1988 pleitte de Duitse journalist Lea Rosh voor een groot monument in het centrum van Berlijn, gewijd aan de ongeveer 6 miljoen Europese Joden die door de nationaal-socialisten zijn vermoord. Waarom is er met Yad Vashem in Jeruzalem wél een dergelijk monument in het land van de slachtoffers, maar niet in het land van de daders, vroeg ze zich af. Samen met de Duitse historicus Eberhard Jäckel richtte ze een burgerinitiatief op om het monument te realiseren: Perspektive Berlin.

    Het was de bedoeling dat het monument aan de Niederkirchnerstrasse zou komen, de vroegere Prinz-Albrecht-strasse, waar onder meer het hoofdkwartier van de Gestapo had gezeten. Dat ging niet door, omdat Topographie des Terrors, een documentatiecentrum over de nazimisdaden, op deze plek voorrang kreeg. Toen de val van de Berlijnse Muur ruimte vrijmaakte, zetten Rosh en consorten hun zinnen op een voormalig stuk Todesstreifen: de door Oost-Duitsland zwaarbewaakte strook net achter de Muur. Vlak bij het terrein lagen ooit ook de ondergrondse bunker van Adolf Hitler, zijn kantoor (de Rijkskanselarij) en enkele andere nazi-ministeries.

    Het initiatief van Rosh lokte talrijke verhitte debatten uit. Zo was er een stroming die er niets in zag, omdat het ondoenlijk zou zijn een monument te bouwen dat recht doet aan de verschrikkingen van de Holocaust. Een veelgehoorde kritiek was ook dat er in Berlijn al voldoende kleinere Holocaustmonumenten waren. Verder was over de locatie van het monument gekrakeel. Sommigen vonden dat het monument op de beoogde plek te dicht op belangrijke nationaal-socialistische plekken zou komen. En actiegroep Aktives Museum was tegen een centraal Holocaustmonument. Zoiets zou ‘prima zijn in Washington of Jeruzalem, maar niet in Berlijn’. Door het monument zo dicht op naziplekken te bouwen zou de schuld van de Holocaust te veel op alleen Hitler en te weinig op de Duitsers als volk komen te liggen. Authentieke plekken van de Holocaust zoals concentratiekampen zouden daarom beter geschikt zijn voor een monument.

    500 bonte inzendingen

    Zo mogelijk de belangrijkste discussie ging over aan wie het monument gewijd moest worden. Er gingen stemmen op om het aan alle slachtoffers van de nazi’s op te dragen en om meer aandacht te besteden aan de daders. Maar dat wezen Rosh en Jäckel van de hand met het argument dat het uitroeien van de Europese Joden het hoofddoel van de nazi’s was. Toen duidelijk werd dat het monument alleen voor de vermoorde Joden zou zijn, kwamen andere slachtoffergroepen in actie. Daarom bestaan er inmiddels niet ver van het Holocaustmonument ook monumenten voor de vervolgde zigeuners, homoseksuelen en gehandicapten.

    Rosh wist uiteindelijk zoveel steun uit de politieke en zakelijke wereld te vergaren dat het idee om in het centrum van Berlijn een groot monument speciaal voor de vermoorde Europese Joden te bouwen begin jaren negentig werd goedgekeurd door de politiek. Doorslaggevend was dat bondskanselier Helmut Kohl zich achter het project schaarde. Er werd een ontwerpwedstrijd voor het Holocaustmonument uitgeschreven, die tot meer dan 500 bonte inzendingen leidde, van enorme torens tot velden vol davidsterren. Een aantal ontwerpen was bijzonder provocatief. Zo stelde de Duitse kunstenaar Horst Hoheisel voor de Brandenburger Tor tot gruis te vermalen en dat over het gereserveerde terrein te verstrooien. Na de verschrikkingen van de Holocaust kon er geen plaats meer zijn voor grote manifestaties van de Duitse nationale identiteit, vond hij.

    De burgemeester wilde niet dat Berlijn een ‘hoofdstad van berouw’ zou worden

    De jury, onder voorzitterschap van taalwetenschapper Walter Jens, wees op 28 juni 1995 de Duitse schilder Christine Jackob-Marks aan als winnaar. Haar ontwerp betrof een betonnen plaat van ongeveer 100 bij 100 meter en 7 meter dik, met daarin de namen van alle geïdentificeerde slachtoffers gegraveerd. Boven op de plaat zouden her en der brokstukken komen te liggen van Massada, een eeuwenoude citadel op een rots in Israël, waarvan de oorspronkelijke Joodse bewoners zichzelf massaal om het leven hadden gebracht toen het Romeinse leger er aankwam. Maar er kwam veel kritiek op het ontwerp, vooral omdat het te monstrueus zou zijn, maar ook om andere redenen.

    Gerhard Schröder, toen nog leider van de SPD, vond dat de verschrikkingen van de Holocaust niet op een abstracte manier weergegeven konden worden. En CDU’er Eberhard Diepgen, tussen 1991 en 2001 burgemeester van Berlijn, wilde niet dat Berlijn een ‘hoofdstad van berouw’ zou worden. Bondskanselier Kohl sprak zijn veto uit over het ontwerp. Alleen een monument waarvoor een groot draagvlak bestond zou worden goedgekeurd.

    Het ontwerp van het Holocaustmonument wordt gepresenteerd door journalist Lea Rosh, Bondsdagvoorzitter Wolfgang Thierse en architect Peter Eisenman, 7 juli 2000.

    Controverses

    Er volgde een tweede ontwerpwedstrijd, waarvoor slechts een beperkt aantal kunstenaars en architecten werd uitgenodigd. De vijfkoppige beoordelingscommissie bestond uit historici en architecten. De Amerikaanse architect Peter Eisenman won met een ontwerp bestaande uit meer dan 4000 grijze betonnen pilaren. Het ontwerp kwam op 25 juni 1999 met een grote meerderheid door het parlement – zij het met een aantal aanpassingen. De blokken moesten minder hoog en minder talrijk zijn. En er werd een informatiecentrum onder de grond aan toegevoegd: een museum dat aan de hand van de lotgevallen van slachtoffers het concrete verhaal van de Holocaust vertelt. Met de kritiek was het overigens niet gedaan. Burgemeester Diepgen bijvoorbeeld zag ook dit ontwerp niet zitten: te groot en onmogelijk te beveiligen.

    De bouw van het monument kostte zo’n 27 miljoen euro – los van de jaarlijkse exploitatiekosten – en begon in 2000. Net voor voltooiing kwam op pijnlijke wijze de donkere geschiedenis van Duitsland weer naar boven. Degussa, de fabrikant van Protectosil, het goedje dat de blokken tegen graffiti en barre weersomstandigheden moet beschermen, bleek in de Tweede Wereldoorlog via een dochteronderneming Zykon B te hebben geproduceerd, het gas waarmee Joden werden uitgeroeid in de concentratiekampen. De bouw van het monument kwam stil te liggen en er brak discussie uit. Uiteindelijk werd de bouw voortgezet met Degussa, omdat alternatieven te veel tijd en geld kostten en inmiddels ook duidelijk was geworden dat de fundering van het monument door een ander fout dochterbedrijf van Degussa was gestort.

    Zo ging na een aaneenschakeling van controverses in 2005 het veld open. Het telde maar liefst 19.000 vierkante meter met 2711 grijze blokken, bewust gebouwd op een prominente en symbolische locatie niet ver van de Bondsdag, de Brandenburger Tor en de Potsdamer Platz. Een statement van de Duitsers waaraan haast geen toerist ontsnapt. Een specifieke betekenis heeft Eisenman niet in gedachten voor zijn ontwerp. Het aantal van 2711 blokken is willekeurig.

    Het abstracte ontwerp draait om de ervaring, reflectie en interpretatie van de bezoeker die door het steeds dieper wordende veld loopt. De vloer glooit, de blokken staan dicht op elkaar, hebben allemaal een andere hoogte en staan schots en scheef, waardoor veel mensen een gevoel van desoriëntatie en claustrofobie ervaren. Is dat hoe de Joden zich tijdens de Holocaust hebben gevoeld? Is het een begraafplaats, een doolhof of toch een modern kunstwerk? Het speculeren over dat soort vragen door de bezoekers is het belangrijkste doel van Eisenman. Het is haast onmogelijk niets van het monument te vinden. Waar de een het monument afgrijselijk lelijk vindt en zich niet verdwaald voelt, vinden anderen de open opzet aangrijpend en geslaagd.

    Neonazi’s protesteren in Berlijn tegen de komst van het monument

    Onduidelijke boodschap

    Gemeten naar het bezoekersaantal heeft het publiek het monument omarmd. ‘Voor de opening van het monument hadden we op maximaal 200.000 bezoekers per jaar gerekend voor het informatiecentrum, maar dat zijn er normaal gesproken zo’n 500.000, onder wie duizenden scholieren, die ook een rondleiding krijgen tussen de betonnen blokken,’ vertelt de Hongaarse Adam Kerpel-Fronius, jarenlang rondleider bij het monument en nu wetenschappelijk medewerker. In de jaren na de opening kwam veelvuldig de vraag terug of de 27 miljoen euro niet beter hadden kunnen worden besteed. ‘Maar die vraag kregen we met de jaren steeds minder,’ stelt Kerpel-Fronius. ‘De generaties geboren na de oorlog zijn kritisch op het Duitse verleden. Daardoor is het monument breed geaccepteerd en is het net zozeer onderdeel van Berlijn als de Rijksdag of de Brandenburger Tor. De meeste mensen kennen het Holocaustmonument en weten ook waar het voor staat.’

    De Britse historicus Keith Lowe betwijfelt dat. Hij vindt dat de Duitsers goed met het naziverleden in het reine proberen te komen, maar stelt in zijn recente boek Prisoners of History dat het monument zijn doel mist. Dat heeft er vooral mee te maken dat de context ontbreekt: nergens is van buitenaf te zien dat het om een monument over de Holocaust gaat, en daardoor kunnen mensen de boodschap missen. ‘Je moet wel weten wat het is dat je je herinnert,’ zegt hij in een gesprek via Zoom, ‘anders kan het net zo goed gewoon een doolhof zijn of een verzameling wolkenkrabbertjes. Het monument moet meer richting geven, anders werkt het niet.’

    En het informatiecentrum onder het monument dan? Lowe: ‘De combinatie van het monument en het informatiecentrum werkt goed. Maar veel mensen bezoeken alleen het monument.’ Hij stelt voor borden rondom het monument te zetten, en zou het ook niet verkeerd vinden om iets in de betonnen blokken te graveren – davidsterren of namen van slachtoffers bijvoorbeeld.

    Kerpel-Fronius is het ermee eens dat het monument niet goed had gewerkt zonder het informatiecentrum, maar kan zich verder niet vinden in de kritiek: ‘Bijna iedereen weet dat het monument over de Holocaust gaat, al is het weer een andere vraag wát bezoekers precies weten over de Holocaust. Die context bieden we in het informatiecentrum.’ Plannen om iets te veranderen aan het monument zijn er nooit geweest. ‘Het monument moet vooral een sterk visueel statement zijn, en dat is gelukt. Davidsterren of iets dergelijks aanbrengen is ondenkbaar, omdat je geen religieuze symbolen kunt aanbrengen op een monument dat niet religieus is. En bordjes rond het monument? Die staan er rond de Brandenburger Tor toch ook niet?’

    ‘Yolocaust’

    Of bezoekers nu wel of niet weten om wat voor plek het gaat, feit is dat een deel van het publiek graag bij het monument poseert voor Instagram-kiekjes, of op het monument klimt en van blok naar blok springt. Er is al jaren discussie over hoe bezoekers zich dienen te gedragen in het blokkenveld. De Duits-Israëlische kunstenaar Shahak Shapira raakte in 2017 een gevoelige snaar met de website ‘Yolocaust’, een aanklacht tegen bezoekers die zich in zijn ogen te frivool gedragen. Op de site, die meer dan 2,5 miljoen keer bekeken werd, was een aantal onbekommerde, van Instagram geplukte selfies bij het monument te zien, die door Shapira zo zijn bewerkt dat de personen op de foto zich te midden van verschrikkelijke scènes in concentratiekampen tijdens de oorlog bevinden.

    Het publiek poseert er voor Instagram-kiekjes of springt van blok naar blok

    Architect Eisenman is het niet met Shapira eens dat het ongepast is om vrolijke selfies te maken bij het monument. Volgens de Amerikaan is er een groot verschil tussen monumenten en plekken als Auschwitz, waar de vernietiging van de Joden daadwerkelijk plaatsvond. ‘Het monument is als een katholieke kerk, een ontmoetingsplek, met kinderen die rondrennen en verkopers die spulletjes verkopen. Een monument is een alledaags iets, geen heilige grond,’ liet hij de BBC weten. ‘En er liggen ook geen mensen begraven.’

    Voor Kerpel-Fronius is de Yolocaust-discussie vooral van belang omdat de media er steeds naar vragen. ‘Het monument heeft niet alleen een herinneringsfunctie, maar ook een toeristisch karakter. Hoe de bezoekers zich precies gedragen is een kwestie van persoonlijke voorkeur en inschatting. Ik vind niet dat ik dat aan de bezoekers moet gaan vertellen, maar er zijn uiteraard wel grenzen. En die liggen anders voor een vijfjarige die verstoppertje speelt dan voor pubers die van blok naar blok springen. Hoe dan ook is het voor mij belangrijk dat er geen hekken om het monument staan. Ik ben erg blij dat het zo’n open plek is.’

    Shahak Shapira bewerkte als kritiek foto’s van selfies makende toeristen.

    Drukker maakt Kerpel-Fronius zich over de opkomst van het populisme. ‘De verwachte toestroom van rechts-extreme groepen is verrassend genoeg altijd uitgebleven bij het monument. Maar vergeleken met tien jaar geleden worden in Duitsland sommige dingen veel openlijker gezegd.’ Vooral vanuit de rechts-extreme vleugel van Alternative für Deutschland ligt het monument onder vuur, met als dieptepunt de uitlatingen van Bjorn Höcke, parlementariër in Thüringen. De Duitsers ‘zijn het enige volk ter wereld dat een monument van schaamte in het hart van zijn hoofdstad zet’, zei hij tijdens een speech in Dresden in 2017. De Duitse herinneringscultuur moet een ‘ommekeer van 180 graden’ maken.

    De uitspraken kwamen Höcke op fikse kritiek te staan, ook uit eigen partij. Als vorm van protest plaatste een Berlijns kunstenaarscollectief een replica van het Holocaustmonument op zichtafstand van het huis van Höcke in Bornhagen. Kerpel-Fronius vertelt dat de AfD gezien het aantal zetels in de Bondsdag recht heeft op een zetel in de raad van toezicht van het monument, en de partij daar ook aanspraak op heeft gemaakt. ‘De persoon die door de AfD naar voren werd geschoven, niet van het type Höcke, kwam uiteindelijk stemmen tekort om in de raad te mogen plaatsnemen.’ Kerpel-Fronius maakt zich er geen zorgen over of er nu een AfD’er in de raad zit of niet. ‘Dat orgaan bestaat uit meer dan twintig personen – één persoon maakt niet zoveel verschil.’

    Sommige musea en herinneringsplekken mengen zich gretig in allerlei politieke debatten, maar voor het Holocaustmonument geldt dat volgens Kerpel-Fronius niet. ‘Wij concentreren ons op onze taak en zullen daarmee doorgaan. Al ben ik er zelf allerminst zeker van dat het bezoeken van een monument of een plek als Auschwitz een tegengif tegen intolerantie en antisemitisme is. Het ligt complexer dan dat.’ Het Holocaustmonument blijft de tongen in elk geval losmaken – gewild of ongewild. ‘En dat is geen slechte zaak,’ aldus Kerpel-Fronius. ‘Als Shapira wil zeggen dat mensen zich weinig respectvol gedragen of als Höcke een probleem heeft met het monument, betekent dat dat zij geraakt worden door de plek. Dat maakt het Holocaustmonument alleen maar relevanter.’

    Laurens Bluekens is historicus en journalist.

     

    Het Amsterdamse Holocaustmonument

    Dit najaar opent in Amsterdam aan de Weesperstraat het Holocaust Namenmonument: muren van 250 meter lang met daarin de namen van de meer dan 102.000 in Nederland wonende Joden, Sinti en Roma die tijdens de oorlog door de nationaal-socialisten werden vermoord. Initiatiefnemer is Jacques Grishaver van het Nationaal Auschwitz Comité, die zich sinds 2006 sterk maakt voor het monument. Het ontwerp is van de Pools-Amerikaanse architect Daniel Libeskind, ook bekend van het Jüdisches Museum Berlin.

    Net als in Berlijn was er in Amsterdam felle strijd rondom het monument. Vanuit de buurt is er bijvoorbeeld kritiek op de enorme omvang: het monument zal het zicht op de Hermitage ontnemen. Bovendien moest een aantal bomen worden gekapt voor de aanleg ervan. Omwonenden maken zich ook zorgen over de overlast die de bezoekers van het monument kunnen veroorzaken, terwijl anderen het ontwerp niet geschikt vinden, de procedure ondemocratisch, of het sowieso niet nodig vinden dat er een nationaal Holocaustmonument komt, omdat er in Amsterdam en elders al genoeg andere herinneringsplekken zijn.

     

    Meer weten

    The Ghosts of Berlin (2018) door Brian Ladd gaat over de vele beladen plekken In de stad.

    Prisoners of History (2020) door Keith Lowe bespreekt monumenten voor de Tweede Wereldoorlog wereldwijd.

    Field of Otherness (2020) interview met architect Peter Eisenman op YouTube.