• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 9/2019

    De vergeten slag van Zeeland

    De slag om de Westerschelde, 1944

    Door: Christ Klep

    De opmars van de geallieerden na D-day stokt begin september na de verovering van Antwerpen. De Duitsers controleren de oevers van de Westerschelde, waardoor deze haven niet te gebruiken valt om de geallieerde troepen te bevoorraden. Een zware strijd brandt los om controle over de Zeeuwse delta – een modderig duel, met weinig glamour.


    Nou nee, een hoogst opwindende activiteit kun je de bevoorrading van militaire operaties niet noemen. Weinig jongensboekheroïek, flitsende offensieven of gevleugelde woorden van bevelhebbers. Eerder minutieuze planning en een Mount Everest aan papierwerk. Zolang de bevoorrading keurig in dienst staat van de militaire operaties is er weinig aan de hand. Maar soms loopt het anders. Dan bungelt de opmars aan een kwetsbaar bevoorradingsinfuus. Dat is precies wat begin september 1944 de geallieerde troepen overkomt in hun offensief richting het hart van Duitsland. Geen brandstof? Dan is ook een tank niet veel meer dan een stilstaand kanon op rupsbanden. De alomtegenwoordige Sherman-tank bijvoorbeeld slurpte elke 100 kilometer zo’n 300 liter diesel.

    De ironie is duidelijk: hoe succesvoller de ‘sexy’ opmars, hoe groter de ‘saaie’ bevoorradingsuitdaging. En succesvol is de geallieerde opmars door Noord-Frankrijk en België – in de weken na de uitbraak uit Normandië medio augustus 1944 – absoluut. ‘We snijden met onze tanks door de Duitse linies als een zeis door het koren,’ schrijft een Britse generaal verrukt. ‘Heerlijk, precies het soort oorlogvoering waar ik dol op ben!’ Maar ja, de onverwacht snelle opmars rekt ook het bevoorradingsinfuus vanuit Normandië steeds verder op. Daar komt nog eens bij dat een zware storm half juni de kunstmatige geallieerde havens voor de kust van Normandië zwaar beschadigt.
     

    Een oase in de woestijn

    Appeltje, eitje. Een grote haven dichter bij het front zou het bevoorradingsprobleem grotendeels oplossen. Begin september krijgen de geallieerden zo’n haven nota bene in handen: Antwerpen. Een bevoorradingsdroom met ruim 50 vierkante kilometer havenoppervlak en 35 kilometer kades. Hier kunnen met gemak 1000 schepen in alle soorten en maten aanleggen. Maar met de inname van Antwerpen en zijn havens stokt ook de geallieerde opmars. Slechts vijftien kilometer verderop lonken Bergen op Zoom en de Kreekrak-dam, de toegangspoort tot Zeeland. Deze poort blijft nu open voor de opgejaagde Duitsers, die gehaast via Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren en Zuid-Beveland tienduizenden troepen naar West-Brabant evacueren. Aan paardenvlees is in Zeeuws-Vlaanderen een tijdlang geen gebrek vanwege alle edele viervoeters die de Wehrmacht moet achterlaten.

    Nog belangrijker: de Duitsers houden als voorheen de beide oevers van de Westerschelde in handen. Met hun geschut, radar en mijnenvelden controleren ze zo de toegang tot de havens van Antwerpen. Hitler geeft opdracht de Westerschelde tot de laatste man te verdedigen. En zo hebben de geallieerden geen keus dan opnieuw door de Atlantikwall te breken. Drie maanden na D-day en een paar honderd kilometer verderop. Niet voor niets spreken geallieerde soldaten over Zeeland als ‘het tweede Normandië’.
     
    Soldaten in hun landingsvaartuigen maken zich klaar voor de oversteek van Breskens naar Vlissingen.
    Veldmaarschalk Bernard ‘Monty’ Montgomery is verantwoordelijk voor dit deel van het West-Europese front. Monty heeft eigenlijk weinig zin om in Zeeland te gaan vechten. Hij vecht liever de andere kant op, richting Berlijn. In zijn ogen is dat de enige echte hoofdprijs. Zijn gedurfde poging om medio september met Operatie Market-Garden in één sprong over de Rijn bij Arnhem te komen mislukt echter. Nu zet Montgomery’s baas, generaal Dwight D. Eisenhower, de eigenwijze Britse veldmaarschalk voor het blok: éérst Antwerpen in gebruik nemen. Een haven die, zoals een Britse admiraal verzucht, nu van ‘even groot nut is als een oase in de woestijn’.
     

    ‘Daar gaan we weer!’

    Het openbreken van de Westerschelde deelt Montgomery toe aan het 1ste Canadese Leger, aangevuld met vooral Britse en Poolse divisies. Daar gaan we weer, zal ongetwijfeld menig Canadese militair hebben gedacht. De Canadezen bekruipt namelijk steeds vaker het gevoel dat ze de lastige en weinig glamoureuze klussen toebedeeld krijgen op de linkerflank van Montgomery’s legergroep, zoals het belegeren van de taai verdedigde Kanaalhavens. En nu wacht dus het modderige en kille Zeeland. Niet alleen dat, de geallieerde focus op Operatie Market-Garden heeft de Duitsers ook net een paar weken extra tijd gegeven om Walcheren en Breskens tot een ware Festung uit te bouwen.

    Een snelle blik op de kaart van Zeeland leert dat de provincie een verbrokkeld strijdtoneel oplevert. Overal water, sloten, verhoogde dijkwegen, spoorwegtaluds, her en der dorpjes en steden weggemoffeld in het vlakke landschap. Voor een verdediger best veelbelovend, maar voor een aanvaller is dergelijk pannenkoekplat akkerland een potentiële nachtmerrie. ‘De enige beschutting die we hadden,’ klaagt een Canadese militair na een bloedige aanval, ‘waren de bieten!’

    Het verbrokkelde Zeeuwse landschap vereist volgens de geallieerde planners vier afzonderlijke operaties, die deels overlappen. Een samenspel van aanvallen uit het zuiden, oosten en westen, waarvoor de planners ruim twee maanden uittrekken. De aanvalsmacht is trouwens behoorlijk multinationaal samengesteld: Canadezen, Britten, Polen, Fransen, Noren, Belgen en Nederlanders.
     

    Taaie gevechten – ‘De enige beschutting die we hebben zijn de bieten!’


    Om te beginnen moet het westelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen worden veiliggesteld: Operatie Switchback. Kern van de Duitse verdediging daar is de Breskens Pocket, een enclave van ongeveer 35 vierkante kilometer. Slaagt deze aanval, dan komt de hele zuidoever langs de Westerschelde vrij. Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen had in september namelijk nog geprofiteerd van de snelle geallieerde opmars vanuit België. Ten tweede moet in het oosten de toegangsdeur tot Zuid-Beveland worden opengebroken: Operatie Vitality 1. Daarnaast zullen amfibische troepen oversteken naar het schiereiland Zuid-Beveland zelf in Operatie Vitality 2. Een divisie met de toepasselijke naam 52ste Lowland krijgt deze taak. Ten vierde – als slotstuk – is de bevrijding van Walcheren voorzien via aanvallen uit het oosten (via de Sloe-dam) en landingen vanuit zee bij Vlissingen en Westkapelle.

    Het is, zoals verwacht, hard en taai vechtwerk in de plakkerige modder. Tegenover ruwweg 60.000 geallieerde aanvallers staan ongeveer 45.000 Duitse verdedigers. Vooral de toegang tot Zuid-Beveland wordt zwaar bevochten. Half oktober verliest een van de Canadese bataljons zo’n 90 procent van zijn sterkte. Ook het gevecht om de Sloe-dam – The Satan’s Dam – is zwaar. Een lijnrechte en vlakke dam, een kilometer lang en 40 meter breed. Het is zo koud dat de Canadese soldaten de grendels van hun geweren heen en weer moeten schuiven om te voorkomen dat deze vastvriezen.
     

    Een eiland tot zinken brengen

    In het algemeen verlopen de operaties echter min of meer naar wens. De amfibische landingen op de kusten van Zuid-Beveland en Walcheren zijn succesvol. De ruime geallieerde ervaring met dergelijke operaties begint vrucht af te werpen. Het meest radicale geallieerde instrument is ongetwijfeld het op verschillende plekken kapotbombarderen van de zeedijken van Walcheren. Het eiland ligt grotendeels onder de zeespiegel en in de loop van oktober dringt het water onstuitbaar naar binnen. Dat bemoeilijkt natuurlijk de Duitse bewegingen, maar hun bunkers en geschutsopstellingen liggen meestal hoger. De geallieerde planners zien uiteindelijk echter geen alternatief. Zoals een Britse officier het uitdrukt: ‘To save the island, we had to sink it!’



    Ook al zijn de operaties strikt militair gezien betrekkelijk succesvol, de keerzijde is een behoorlijke hoeveelheid ‘nevenschade’ (collateral damage). De geallieerden beschikken over een groot overwicht aan zwaar materieel in de vorm van artillerie, vliegtuigen en scheepsgeschut. Kerktorens en andere hoge gebouwen worden systematisch in puin geschoten – als de Duitsers deze zelf al niet preventief hebben opgeblazen. Hoge gebouwen zijn immers uitstekende uitkijkposten. Deze brede toepassing van brute force laat zich ook wel weer logisch verklaren. Geallieerde commandanten willen uiteraard zo veel mogelijk eigen slachtoffers vermijden. Soms weten burgers de geallieerden tijdig te waarschuwen en bombardementen te voorkomen. Maar bijna overal moeten inwoners, huizen, dorpen en steden het ontgelden: met name Woensdrecht, West- Zeeuws-Vlaanderen en Walcheren.

    Neem het dorpje Othene, vlak bij Terneuzen. Dat wordt door de Duitsers verlaten, maar een verkenningsvliegtuig ziet waarschijnlijk een groepje schuilende burgers aan voor vijandelijke militairen. De ingeseinde artillerie vuurt onmiddellijk; dertien inwoners komen om. ‘De geallieerden werden op dat moment meer vervloekt dan de Duitsers!’ gromde een woedende inwoner later.
     
    Strooibiljet
    Of neem het lot van Walcheren. De geallieerden strooien vóór ze gaan bombarderen waarschuwingsbiljetten uit, maar die zijn noodgedwongen vaag: ‘Verlaat de eilanden of indien dat niet mogelijk is, verhuist dan ONMIDDELLIJK met uwe families naar een veilige plaats op de eilanden.’ Maar sommige bewoners krijgen nooit een strooibiljet in handen. Boeren laten hun vee ongaarne in de steek. En de bewoners kunnen sowieso fysiek geen kant op. Walcheren verlaten kan alleen via de zwaar verdedigde Sloe-dam. Dus zoeken veel burgers hun toevlucht in stevige schuilkelders en gebouwen, zoals molen De Roos in Westkapelle. Een zware Engelse bom, bedoeld voor de nabijgelegen zeedijk, treft de molen vol. Tientallen burgers komen om; anderen verdrinken in de molenkelder wanneer het zeewater onontkoombaar binnendringt.
     

    Flitsende promotie

    Het natte wapen dwingt de Duitsers inderdaad naar de hoger gelegen terreinen. Het plan om ook de kustbatterijen met bommen uit te schakelen mislukt echter grotendeels. Dus moeten de aan land gezette geallieerde troepen, waaronder ook enkele tientallen Nederlandse commando’s, de Duitse posities een voor een innemen. Daarin slagen ze. Vanaf 3 november is duidelijk dat de Duitsers op Walcheren er genoeg van hebben. Vechten tot de laatste man mag dan wel de opdracht van de Führer zijn, maar de meeste Duitse soldaten denken daar toch genuanceerder over – inclusief hun commandant, generaal Wilhelm Daser. Die bevindt zich in zijn hoofdkwartier in Middelburg, omringd door ongeveer 2000 soldaten die zich als makke schapen in de droge binnenstad hebben verzameld. Daser is evident een man van decorum. Hij wenst zich niet over te geven aan een officier beneden de rang van kolonel. En zo wordt de eerste Britse officier die Daser ontmoet, majoor Hugh Johnston, stante pede tot kolonel bevorderd. Op 7 november geven de laatste Duitsers op Walcheren zich over.
     

    De vergeten slag – ruim 2000 Zeeuwse burgers komen om

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen