• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 3/2008

    De Opiumoorlogen

    Hoe supermacht China werd vernederd

    Door: Bart Stol

    Tussen 1839 en 1860 zette Groot-Brittannië met de zogenoemde Opiumoorlogen de verhoudingen met China op zijn kop. De confrontatie betekende een breekpunt in de betrekkingen tussen China en de rest van de wereld; na 1860 waren het de Europeanen die in de onderlinge verhoudingen de dienst uitmaakten. Dat waren de Chinezen niet gewend.

    De militaire vernedering door een Europees land kwam voor veel Chinezen als een volslagen verrassing. Tot diep in de achttiende eeuw was China veruit de machtigste en rijkste staat ter wereld. Volgens het confucianisme was China de door de hemel aangewezen supermacht. De Chinese keizers regeerden per ‘hemels mandaat’. Ze vormden de schakel tussen de hemel en aardse volken, die alle ondergeschikt waren aan het ‘Rijk van het Midden’. Dit gold zeker voor Europa, dat de Chinezen beschouwden als een verzameling primitieve achter-Aziatische vazalstaten.

    Van de Europese handelaren die in de loop van de zeventiende eeuw steeds vaker de Chinese kusten aandeden, waren ze niet onder de indruk. Wat opviel was het rode haar van sommigen; de handelswaar die de Portugese, Hollandse en Britse ‘barbaren’ aanboden interesseerde de Chinezen nauwelijks. Deze legde het af tegen de kwaliteit van hun eigen producten. Het enige waar de Chinezen warm voor liepen was het zilver dat de Europeanen meebrachten; dit was een belangrijk betaalmiddel in de Chinese economie. In ruil voor zilver mochten de Europese handelaren, net als alle andere schatplichtige volkeren, bij de gratie van de keizer in daartoe speciaal opengestelde plaatsen porselein, zijde en thee aanschaffen.

    Op uitbreiding van de betrekkingen zaten de Chinese autoriteiten, in tegenstelling tot de Europese handelaren, niet te wachten. Zij zagen de invloed van buitenlanders, met hun vreemde gebruiken, als een potentieel gevaar voor China’s interne stabiliteit. Het contact moest daarom zoveel mogelijk beperkt blijven tot zakelijke transacties in de kustplaatsen Macau en Kanton.
     

    Chinoiserie

    Hoewel de Europeanen de Chinese kijk op de onderlinge verhoudingen niet onderschreven, stond deze een algemene bewondering voor de geavanceerde Chinese samenleving niet in de weg. In de eerste helft van de achttiende eeuw werd China zelfs ‘cult’; Europa raakte in de ban van de chinoiserie. Terwijl Chinese voorwerpen kleermakers, (tuin)architecten en kunstenaars inspireerden, lieten adel en burgerij zich net als Chinese mandarijnen in modieuze oosterse draagstoelen door de stad vervoeren.

    Voor Europese filosofen was het verre China bovendien een soort utopia waarop ze hun idealen en toekomstvisioenen konden projecteren. Vooral de verhalen over de Chinese keizer en zijn strenge selectie van ambtenaren – die werden uitgezocht op hun kennis – inspireerden; denkers als Leibnitz en Voltaire presenteerden de keizer in hun geschriften als een verlichte vorst, waar de nepotistische en gewelddadige Europese koningen een voorbeeld aan konden nemen.

    Aan het einde van de achttiende eeuw temperde de bewondering voor China echter snel. Juist in deze periode beleefden Europese landen dankzij liberalisme en industrialisering een ongekende ontwikkeling. Op politiek vlak maakte het ideaal van de verlichte despoot langzaam plaats voor dat van de democratische burgerlijke samenleving; op economisch vlak werd vrijhandel het toverwoord. Dat laatste was vooral het geval in Groot-Brittannië, waar het vrijhandelsprincipe uitgroeide tot een quasi-geloof: onbelemmerde handel tussen soevereine en gelijkwaardige staten zou iedereen welvaart brengen, schaarste beëindigen en oorlog overbodig maken.

    Ook het machtige China zou hieraan mee moeten doen. De Britse koning George III zond in 1793 een ambassadeur, de ervaren Ier lord George Macartney, naar China om keizer Qianlong te verzoeken de onderlinge betrekkingen op Europese leest te schoeien. Maar Qianlong, not amused dat een onderhorige vorst hem zomaar voorstelde om voortaan als zijn ‘vriend en broeder’ door het leven te gaan, peinsde er niet over om China open te stellen: ‘Wij bezitten alle dingen. Ik hecht geen waarde aan vreemde objecten en heb geen behoefte aan uw producten. Zeg niet dat u niet gewaarschuwd was. Gehoorzaam en wees niet onachtzaam.’

    Qianlongs reactie vloeide niet alleen voort uit superioriteitsgevoelens; de leerstellingen van het confucianisme stonden niet toe dat hij andere staten als China’s gelijke erkende. Een keizer die dat deed verspeelde zijn hemels mandaat en verloor daarmee het recht om China te regeren.
    Zijn antwoord was echter weer een belediging voor de Britse politici. Zij zagen in de houding van de keizer het bewijs voor de beweringen van de nieuwe generatie liberale politiek denkers als Montesquieu, Rousseau en Adam Smith. Die beschouwden het Chinese keizerrijk als een verkalkte, welhaast achterlijke staat, onmachtig om zich uit eigen beweging aan de nieuwe, door Europa geïnitieerde tijd aan te passen. De gedachte dat het dynamische Groot-Brittannië en niet het ‘onveranderlijke’ en ‘despotische’ China de maat der beschaving was, werd in de negentiende eeuw alleen maar sterker.

    Met het verslaan van het protectionistische Frankrijk van Napoleon (1798-1815) zagen de Britten de superioriteit van hun samenleving bewezen. Meer dan ooit had Groot-Brittannië nu de plicht om de vruchten van het liberalisme over de wereld te verspreiden. Desnoods met behulp van zijn machtige marine. Een botsing met het Rijk van het Midden werd daarmee slechts een kwestie van tijd. Uiteindelijk was het de smokkelhandel in opium uit de Britse kolonie India die de confrontatie veroorzaakte.
     

    Opiumverslaafden

    Opium, van oudsher een genees- en luxe genotsmiddel, werd in de achttiende eeuw snel populair in China. Een sterke bevolkingsgroei zette de Chinese samenleving onder druk. Toenemende armoede, voedseltekorten en sociale onrust zorgden ervoor dat steeds meer Chinezen troost zochten bij de opiumpijp; sinologen schatten het aantal opiumverslaafden rond 1800 op ruim 1 miljoen. In tegenstelling tot Europese regeringen hadden de Chinese keizers opium verboden (zie kader). Chinese geleerden hadden al veel eerder dan hun Europese collega’s vastgesteld dat opiumgebruik tot verslaving leidde en verpaupering, criminaliteit en corruptie in de hand werkte; het was hun stelligste overtuiging dat opium de morele en sociale fundamenten van de samenleving aantastte.

    Het eerste verbod stamde uit 1729, maar had weinig effect. Datzelfde gold voor de vele keizerlijke decreten die volgden. Dankzij de inspanningen van illegale Chinese importeurs en de hulp van corrupte, vaak verslaafde ambtenaren konden Britse handelaren de in India geveilde opium ongehinderd afzetten op de lange en slecht bewaakte Chinese kusten. Tussen 1729 en 1832 steeg de illegale import gestaag van 200 kisten (met elk 65 tot 80 kilo) tot 23.570 kisten opium.

    Voor de Britten had de Chinese opiumverslaving zich in de context van de Chinese handelsbeperkingen ontpopt tot een buitenkansje. Door Chinese verslaafden met zilver voor opium te laten betalen, werd de handel met China een stuk voordeliger. Het zilver dat Britse handelaren nodig hadden om in Kanton producten te kopen – vooral thee – konden ze nu in China zelf verdienen. Dit was een enorme opluchting voor de Britse regering, die jarenlang met lede ogen had moeten aanzien hoe het verschepen van grote hoeveelheden zilver de Britse schatkist met toenemende tekorten opzadelde.

    Ook de East India Company, het Britse equivalent van de VOC, profiteerde. Doordat zij het monopolie bezat op de opiumteelt in het door haar bestuurde India, leverde de opiumhandel haar belangrijke inkomsten op. Dit nam niet weg dat sommige Britse politici met de situatie in hun maag zaten. Zeker toen keizer Daoguang in 1838 een nieuwe, felle anti-opiumcampagne lanceerde en Britse kerken de handel begonnen te bekritiseren, groeide de twijfel. De handel stoppen betekende een financiële aderlating, maar kon de Chinese wens genegeerd blijven?

    De gouverneur-generaal van de East India Company, George Eden, graaf van Auckland, wist het niet: ‘Wat te doen met de smokkel op de Chinese kust blijft een moeilijke en gênante vraag. Ik kan geen bevredigende oplossing bedenken.’ Hij schoof de hete aardappel graag door naar de Britse regering in Londen. Deze wist ook geen oplossing, maar was niet van plan om aan decreten van een oosterse despoot gehoor te geven; zolang de keizer de Britse regering als gelijkwaardige gesprekspartner bleef ontkennen was de opiumkwestie niet haar probleem. Zij legde de lucratieve handel in een voor Britse begrippen legaal product dan ook niets in de weg. ‘Het is niet aan Groot-Brittannië,’ stelde de Britse minister van Buitenlandse Zaken lord Henry John Palmerston cynisch, ‘om de Chinese kusten te bewaken.’

    Het Britse opportunisme was voor keizer Daoguang aanleiding om hard in te grijpen. Vastbesloten om het opiumprobleem uit te roeien stuurde hij een vertrouweling, Lin Zexu, naar Kanton om de ‘Britse vazallen’ tot de orde te roepen. Zoals het een gezant van de keizer betaamde weigerde Lin met barbaren te onderhandelen. In plaats daarvan blokkeerde hij in 1839 de haven van Kanton en beval de Britse handelaren de keizer te gehoorzamen en hun opium op te geven. Pas na een blokkade van zes weken stonden zij hun opium – 20.000 kisten – af, die Lin publiekelijk vernietigde.
     

    Stoomschepen

    Het Chinese optreden deed in India en Groot-Brittannië de alarmbellen rinkelen. Opiumhandelaren voorzagen het einde van hun business; anderen vreesden dat China de kwestie aan zou grijpen om alle handel met Groot-Brittannië stop te zetten. Het opiumzilver, de snel groeiende Britse vraag naar thee, maar ook een ontluikende Chinese interesse voor Brits textiel hadden ervoor gezorgd dat deze handel snel in omvang toenam. Zakenkringen in handelssteden als Londen, Manchester, Liverpool en Glasgow kwamen daarom ook in het geweer.

    Samen vormden zij een krachtige lobby die de Britse regering verzocht actie te ondernemen. Deze stelde voor de opiumkwestie te benutten om de handel met het grillige en gesloten China op een ‘veiliger en meer permanente basis’ te vestigen. Dit was in de diplomatieke taal van het Victoriaanse Engeland niets minder dan een verzoek om de keizer met militaire actie te dwingen zich aan te passen aan de liberale Europese handelsnormen en China open te stellen voor Britse handel.

    De meeste politici reageerden positief. Ook zij vonden dat dit de gelegenheid was om de betrekkingen met China te moderniseren. Voor hen was het bovendien een zaak van prestige – de vernedering van Macartney was nog niet vergeten. Lord Palmerston stelde dat China niet het recht had om zomaar Brits ‘eigendom’ te vernietigen en onderdanen te ‘gijzelen’; zo gingen landen anno 1839 niet meer met elkaar om. De hertog van Wellington, de held van Waterloo en nestor van de Britse politiek, deed er in het House of Lords (de Britse Eerste Kamer) nog een schepje bovenop. Hij eiste dat deze vernederingen, de ergste die hij in vijftig jaar publieke dienst had meegemaakt, gewroken werden.
    De krijgshaftige taal kon echter niet verbloemen dat de kwestie voor velen een pijnlijke bleef; uit brieven van missionarissen was wel gebleken dat het opiumprobleem in China van een andere orde was dan in Groot-Brittannië. De latere premier William Gladstone zei in de Commons (de Britse Tweede Kamer) dat hij geen ‘onrechtvaardiger’ aanleiding voor een oorlog kende – hij stemde echter niet tegen het inschakelen van de marine. Ook de Times – die de term ‘Opiumoorlog’ muntte – kwam terecht in een spagaat. Hoewel de krant de opiumhandel bekritiseerde, verzette zij zich niet tegen een strafexpeditie om de keizer – ‘that silly and presumptuous despot’ – een toontje lager te laten zingen.

    Toen de Britse marine eind 1840 China bereikte, bleek snel hoe de machtsverhoudingen lagen. De Britse vloot, uitgerust met vier stoomschepen – een novum op het gebied van maritieme techniek – maakte in een aantal zeeslagen korte metten met de verouderde Chinese jonken. Mariniers voerden bovendien amfibische bliksemacties uit en veroverden met groot gemak kustplaatsen en forten.

    Het duurde niet lang voordat de Chinezen om onderhandelingen vroegen en alle Britse eisen inwilligden. In het Verdrag van Nanking (1842) stelde de keizer nieuwe kustplaatsen open voor Britse handelswaar; hij maakte een einde aan een keur aan ambtelijke handelsbelemmeringen, en accepteerde het door de Britse regering nadrukkelijk gestelde verzoek om de betrekkingen voortaan op basis van gelijkheid voort te zetten. Hij stemde er zelfs in toe om de gedupeerde opiumhandelaren schadeloos te stellen en de kosten voor de Britse strafexpeditie te betalen.

    Veel sinologen verklaren de Chinese toegeeflijkheid uit de wens van de keizer om de Britse militairen zo snel mogelijk uit China te laten vertrekken. Hun aanwezigheid was een zware slag voor zijn prestige en daarmee een directe bedreiging voor zijn positie in China. Dit was wellicht ook de reden waarom Daoguang weigerde te onderhandelen over de opiumsmokkel, die dankzij de Britse militaire successen weer snel opkwam. Toen de Britse onderhandelaar het onderwerp ter sprake probeerde te brengen, kapten zijn Chinese gesprekspartners hem af. Zij hadden enkel de opdracht om de Britten zo snel mogelijk te doen vertrekken; op een moeilijke, slepende discussie zaten zij niet te wachten. De Britten, die gekregen hadden waarvoor ze gekomen waren, vonden het best – voortzetting van de status-quo was op dit punt voor hen immers niet nadelig.
     

    Ontnuchtering

    In Europa en de Verenigde Staten werd het Britse succes met genoegen bezien. John Quincy Adams, oud-president van de Verenigde Staten, was verheugd dat er een einde kwam aan ‘de arrogante en onhoudbare pretentie van China dat het met de rest van de wereld betrekkingen onderhoudt op basis van de beledigende en degraderende verhouding tussen heer en vazal’. Al snel sloten de Amerikanen en de Fransen hun eigen verdragen met China.

    Toch duurde het nog ruim twee decennia voordat de Chinezen – die Europeanen in hun geschriften bleven aanduiden als ‘vazallen’ – de nieuwe realiteit accepteerden. Nadat de Britse regering haar militairen had teruggetrokken, begon de keizer al snel te dralen met de uitvoering van verschillende toezeggingen. Voor lord Palmerston, inmiddels premier geworden, betekende dat een nieuwe casus belli. Met hulp van de Fransen vaardigde hij een tweede strafexpeditie uit om naleving en uitbreiding van het Verdrag van Nanking af te dwingen.

    Met de Tweede Opiumoorlog (1858-1860), stelden de Britten en Fransen hun positie in China definitief veilig. Na een reeks van nieuwe nederlagen legde de nieuwe, opiumverslaafde keizer Hsien Feng zich neer bij de Europese militaire suprematie. Hij accepteerde, naast de legalisering van het gebruik en de verhandeling van opium, ook de nieuwe eis om Britse en Franse ambassadeurs in het keizerlijke Peking te stationeren – de ultieme bekrachtiging van de wederzijdse erkenning als soevereine en gelijkwaardige staat.

    Voor Groot-Brittannië en Europa waren de Opiumoorlogen dan ook een grote triomf. Hoewel China nooit een handelseldorado zou worden, waren het voortaan westerse principes die de onderlinge relaties bepaalden. Voor de Chinezen waren de ervaringen daarentegen een ontnuchtering. Zij merkten al snel dat in een door Europa gedomineerde wereld sommige staten meer soeverein waren dan andere. In de loop van de negentiende eeuw gebruikten de Europeanen hun militaire overwicht steeds vaker als drukmiddel om nieuwe en grotere economische concessies af te dwingen. Van een gelijke behandeling van het eens zo machtige Rijk van het Midden was in het tijdperk van het moderne Europese imperialisme geen sprake.
     

    Opium in Groot-Brittannië

    In de achttiende en negentiende eeuw was opium in Groot-Brittannië een legaal en veelgebruikt middel tegen talloze kwalen, variërend van diarree en astma tot slapeloosheid, reuma en bronchitis. Arbeidersvrouwen gebruikten het bovendien als slaapmutsje voor huilende baby’s en in artistieke kringen werd het gezien als geestverruimend middel.

    Jaarlijks importeerden de Britten naar schatting 20 à 30 ton opium – veelal uit Egypte en Turkije. Veel artsen achtten opium minder schadelijk dan alcohol en bagatelliseerden de verslavende effecten. Deze werden versluierd doordat de meeste Britten hun opium nuttigden door deze op te lossen in water of alcohol. Hierbij kwamen minder werkzame bestanddelen vrij dan bij het roken van opium, wat in China en andere delen van Zuidoost-Azië gebruikelijk was. Pas halverwege de negentiende eeuw begonnen artsen de gevaren van opiumverslaving te onderkennen. Vanaf 1868 werd de verkoop aan banden gelegd.


    Meer informatie
    Over de Opiumoorlogen zijn de nodige boeken verschenen. The Opium Wars. The Addiction of One Empire and the Corruption of Another (2007) van William Travis Hanes en Frank Sanello is zeer toegankelijk geschreven, maar hier en daar wat suggestief van toon. Een uitgebreidere en beter gedocumenteerde studie is het inmiddels klassieke werk van Peter Ward Fay: The Opium War 1840-1842 (herdrukt in 1997). Fay baseert zich op veel primaire bronnen uit zowel Britse staatsarchieven als collecties van Britse bedrijven en opiumhandelaren. De Chinese kant van het verhaal komt uitgebreid aan bod in Arthur Waleys The Opium War through Chinese Eyes (1958), en in Commissioner Lin and The Opium War van Hsin-pao Chang (1964).

    Wie meer wil lezen over de vroege relaties tussen China en Europa kan terecht bij David E. Mungello: The Great Encounter of China and the West (tweede druk 2005). Jonathan D. Spence heeft de evoluerende kijk op China in Europa prachtig beschreven in The Chan’s Great Continent. China in Western Minds (1998). Spence’ eveneens zeer toegankelijk geschreven The Search for Modern China (tweede druk 1999) geldt nog steeds als het standaardwerk over China’s relatie met het Westen.

    Andere overzichtswerken zijn het academische China und die Weltgesellschaft. Vom 18. Jahrhundert bis in unsere Zeit (1989) van Jürgen Osterhammel en het recent verschenen The Dragon and the Foreign Devils. China and the World, 1100 BC to the Present (2007) van Harry Gelber. Frans van Dongen heeft de bescheiden Nederlandse rol in het openbreken en exploiteren van China goed beschreven in zijn proefschrift Tussen neutraliteit en imperialisme. De Nederlands-Chinese betrekkingen van 1863 tot 1901 (1966).

    Wie ten slotte meer over China wil lezen kan niet heen om de boeken van John K. Fairbank. Het niet meer in druk zijnde China. Tradition and Transformation (1986) is nog steeds de moeite waard; Fairbanks China. A New History (2006) is beknopter, maar handig vanwege de zeer uitgebreide literatuurlijst. Met zijn eigen inhoudsopgave, thematische rangschikking en ruim vijftig pagina’s is deze lijst een document op zich en wellicht het meest betrouwbare startpunt voor iedereen die zich in de Chinese geschiedenis wil verdiepen.