Niemand had gedacht dat ‘inlandse’ marinemannen zelfstandig een slagschip konden besturen. Maar op 4 februari 1933 namen Indonesische matrozen De Zeven Provinciën over. Terwijl een groot deel van de bemanning op Noord-Sumatra aan wal was, lukte het hun om het pantserschip, dat zij liefkozend ‘Kapal Toedjoeh’ (‘Schip 7’) noemden, onder stoom te brengen en ermee weg te varen.
Hun einddoel was Soerabaja, waar honderden marinemensen zaten opgesloten omdat zij protesteerden tegen de voorgenomen bezuinigingen op de marine, waaronder een oneerlijk grote loonsverlaging voor het Indonesische personeel. In een telegram, dat wereldwijd het nieuws haalde, kozen de schepelingen van De Zeven Provinciën partij voor de gevangenen: ‘[We] stoomen op naar Soerabaja, geen geweld in den zin, doch protest onrechtvaardige salariskorting en gevangenneming marinemannen in Soerabaja, alles wel aan boord.’
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Nederland reageerde hardhandig. Minister-president Hendrikus Colijn wilde dat de muiters hard werden aangepakt. Het gezag moest koste wat kost worden gehandhaafd. Het gerucht ging rond dat de muiters waren geïnspireerd door het communisme, wat de paniek alleen maar groter maakte. De marineleiding stuurde schepen en vliegboten achter De Zeven Provinciën aan om de bemanning over te halen hun actie op te geven.
De muiterij eindigde in een bloedbad op volle zee. Een vliegenier miste de orders om eerst te waarschuwen en gooide zonder aankondiging een bom midscheeps. Zestien Indonesiërs en drie Nederlanders vonden de dood, het pantserschip moest zwaar beschadigd doorvaren naar de haven. De rest van de muiters werd jarenlang opgesloten. In de jaren daarna bleef het verhaal van De Zeven Provinciën functioneren in het politieke debat. De conservatieve elite zag de muiterij als signaal van het oprukkende communisme en Indonesische nationalisme, terwijl linkse politici de bom op de boot aanwezen als teken van het falende koloniale beleid.
Journalist en schrijver Herman Keppy biedt met Kapal 7 veel nieuws. Waar historici voorheen vanuit Nederlands perspectief keken, besteedt Keppy aandacht aan de aanloop naar de muiterij en de ervaringen van de Indonesische schepelingen. Hij traceert, onder meer via het verhaal van zijn opa Tjak Keppy, de levens van mannen die in Nederlandse dienst werkten. Hiervoor gebruikt hij onder meer interviews. Zo geeft hij een levendig beeld van het marineleven in de jaren dertig en de invloed van het nationalisme op de matrozen. Het boek had wel kunnen winnen bij een scherpe eindredactie – soms verstoren paginalange citaten de vaart van het goedgeschreven verhaal. De fraaie illustraties wekken het verhaal tot leven.
Kapal 7. Marine, matrozen en de muiterij van 1933
Herman Keppy
288 p. Uitgeverij West, € 29,50

