Home De mannen van Ravensbrück

De mannen van Ravensbrück

  • Gepubliceerd op: 25 april 2023
  • Laatste update 05 mei 2023
  • Auteur:
    Bram de Graaf
  • 12 minuten leestijd
Een groep gevangenen marcheert weg vanuit Dachau, 1945.

Concentratiekamp Ravensbrück staat bekend als vrouwenkamp. Maar in een apart deel verbleven ook 20.000 mannen, onder wie 350 Nederlanders. De omstandigheden waren er zwaarder dan in het vrouwenkamp. Sommige mannen ‘leken geen mensen, maar geesten en ze hadden zo geleden dat ze gek waren geworden’.

‘Het lag daar zo schitterend, je zag allerlei kleine huisjes en een vijver. De hele aanleg was prachtig,’ vertelde Jacob Donker (1910-1977) uit Putten over zijn aankomst in concentratiekamp Ravensbrück op zaterdag 14 april 1945. ‘Maar toen we eenmaal de eerste mooie laan door waren, zagen we weer hekken en prikkeldraad, en we realiseerden ons dat we nog steeds gevangenen waren.’

Meer lezen over de Tweede Wereldoorlog? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Een week eerder was hij in het ‘overvolle en ongelofelijk smerige’ kamp Watenstedt met zo’n 1600 medegevangenen op transport gezet. Op weg naar de vrijheid, hoopte hij, na maanden vol ontberingen. Met tachtig man waren ze in open veewagons gepropt. Onderweg stonden ze uren stil vanwege herstelwerkzaamheden aan gebombardeerde stations en spoorwegen; één keer moesten ze omkeren omdat de geallieerden het gebied al hadden ingenomen. Ze reisden onder meer langs Braunschweig, Bergen-Belsen en Sachsenhausen. Donker: ‘Waar we ook kwamen, niemand kon ons bergen en dan reisden we maar door naar een ander kamp.’

Vrouwelijke gevangen van Ravensbrück
Vrouwelijke gevangen van Ravensbrück aan het werk, 1939.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Slechts een paar keer kregen ze wat brood en werd er een emmer water in de wagon gezet, waarna het recht van de sterkste gold. Sommigen dronken hun eigen urine, anderen sprongen uit radeloosheid uit de wagon als ze een sloot zagen. ‘Maar voordat ze daar waren hadden de SS’ers hen al doodgeschoten,’ herinnerde soldaat Melis van Twillert (1922-2010) uit Spakenburg zich.

’s Nachts was het snijdend koud, overdag heet. Bij aankomst in Ravensbrück haalden Russische hulpsoldaten tientallen lijken uit de trein. In Twillerts wagon hadden slechts 45 mannen de reis overleefd.

Ook Ravensbrück was overvol. Veel gevangenen kwamen uit het eerder ontruimde Auschwitz. Concentratiekamp Ravensbrück lag 85 kilometer boven Berlijn, in een bos- en merenrijk gebied bij het pittoreske stadje Fürstenberg/Havel, gelegen tussen de Schwedtsee en Röblinsee. In de herfst van 1938 werd aan de oostzijde van de Schwedtsee begonnen met de bouw van een speciaal kamp voor vrouwen. Mannelijke gedetineerden uit het vijftig kilometer zuidelijker gelegen kamp Sachsenhausen verrichtten de werkzaamheden en sliepen in een afgebakend stuk aan de oostzijde van het nieuwe kamp.

Openbare executies in Ravensbrück

Op 15 mei 1939 werd het vrouwenkamp officieel in gebruik genomen. Het was berekend op 3000 vrouwen, maar dat aantal groeide snel. Verschillende malen werd het kamp uitgebreid. Ook kwamen er werkplaatsen, fabrieken en een speciaal jeugdkamp. Daarvoor moesten de moerassen om het kamp heen eerst worden drooggelegd, daarna werd het terrein geëgaliseerd. Het loodzware werk eiste veel slachtoffers onder de mannen. 

Het werd omslachtig om ze elke keer uit Sachsenhausen te halen en daarom werd in het voorjaar van 1941 besloten een permanent mannenkamp in te richten. Eerst bestond dat uit drie barakken, waarbij de ongeveer 350 mannen gebruikmaakten van de keuken- en sanitaire faciliteiten in het vrouwenkamp. Uiteindelijk stonden er vijf grote barakken met eigen voorzieningen, met eromheen een hoog hek met prikkeldraad. In augustus 1943 zaten daar 3100 mannen, aan het eind van dat jaar bijna 10.000. In totaal zouden 20.000 mannen tussen 1941 en 1945 Ravensbrück bevolken, tegen ruim 132.000 vrouwen in het hoofdkamp. De meesten waren Polen, Duitsers en Russen; er zaten ongeveer 350 Nederlanders. Veel van hen, zoals Donker en Twillert, arriveerden pas in april 1945.

Hoewel het merendeel – 80 procent – politiek gevangenen waren, stonden zij in de kamphiërarchie onder de criminelen. Die werden door de Duitsers aangewezen als kapo’s of opzichters. Zij waren verantwoordelijk voor de discipline in hun barak en sloegen er zo nodig op los.

Politiek gevangenen stonden in de hiërarchie onder de criminelen

De omstandigheden in het mannenkamp waren veel zwaarder dan in het vrouwenkamp, en de wreedheid was er groter. Vooral Russen waren daarvan het slachtoffer. Anders dan bij de vrouwen vonden executies in het openbaar plaats. Als een mannelijke gevangene de regels had overtreden werd hij publiekelijk opgehangen, terwijl de rest moest toekijken.

De meeste mannen werkten in het vrouwenkamp, sommigen in fabrieken erbuiten en bij Duitse boeren en middenstanders – dat waren de beste baantjes, want daar kregen ze soms extra eten. In 1942 was al een grote groep aan het werk gezet in het buitenkamp Peenemünde, waar de V1 en V2 werden geproduceerd.

Contact met de vrouwen was streng verboden, zelfs zwaaien was niet toegestaan. Een Poolse gevangene die betrapt werd op een nachtelijk bezoek aan zijn vrouw werd ter plekke door een SS-officier doodgeschoten.

Gevangenen Ravensbrück kregen beschimmeld brood

De Nederlanders dachten bij aankomst in Ravensbrück in april 1945 het ergste achter de rug te hebben. Veel van hen hadden het najaar ervoor in wind en regen tankgrachten in Noordwest-Duitsland gegraven. ‘Ik had dat ternauwernood overleefd,’ vertelde Engelandvaarder en geheimagent Bram Grisnigt (1923-2019), die in februari 1944 in Amsterdam was gearresteerd. ‘Toch had ik nog een beetje menselijke waardigheid. Maar dat verdween in Ravensbrück.’  

Ze kregen bij betreding van het kamp een stuk brood dat er ‘groen en beschimmeld’ uitzag. Grisnigt: ‘Voor ik er erg in had doken een paar Russen op me en sloegen het uit mijn handen. Ik had geen kracht om me te verweren.’

Witte bussen

Geschokt door de zorgelijke voedsel- en sanitaire situatie in Ravensbrück benaderde diplomaat en vicepresident van het Zweedse Rode Kruis, graaf Folke Bernadotte, begin 1945 SS-leider Heinrich Himmler. Himmler, die hoopte op afzonderlijke vredesbesprekingen met de geallieerden, gaf toestemming zo’n 7500 Scandinavische en 250 Nederlandse vrouwen uit het kamp te evacueren. Met witte bussen en vrachtwagens werden ze opgehaald en naar Zweden vervoerd. Onderweg kwamen enkelen van hen om het leven door een aanval van geallieerde jachtvliegtuigen. Over het mannenkamp werd niet gesproken door Bernadotte en Himmler.

Witte bussen bij Ravensbrück.
Ruim 7500 vrouwen mogen met witte bussen naar Zweden vertrekken.

Elke morgen om vijf uur knuppelden de kapo’s de gevangenen hun barakken uit. Na het appel, dat soms tot één uur duurde, moesten ze buiten blijven. Het was vaak ijzig koud – ‘Mecklenburgisches Klein-Siberien’ werd de streek genoemd. De enige plek die wat beschutting bood was de lijkenstapel; de penetrante geur ervan rook je overal. Donker: ‘Daar zat ik dag aan dag tegenaan geleund. We waren volkomen immuun geworden.’

Maar de smerigheid en honger vond hij het ergst. ‘Ik maakte per dag 600 à 700 luizen dood en waste me driemaal, maar na een paar uur was het weer hetzelfde.’

De enige plek die beschutting bood was de lijkenstapel

Eten kregen ze zelden. En als het er was, waren er geen schaaltjes. ‘Dan groef je als een hond in de grond om een schaaltje te zoeken. Meer dan een halve liter kregen we nooit. Elke dag was het weer hopen en wachten.’

Grisnigt: ‘We riepen allemaal: “Roeren!” tegen de opschepper. Want onderin zaten de knollen en aardappels. Kreeg je die, dan had je kans een paar dagen langer te leven.’

In het kamp heerste een complete anarchie. De Nederlanders vormden groepjes om bendes Russen en Polen te weerstaan die het op hun eten en schaarse bezittingen hadden voorzien. De SS schepte er genoegen in om eten tussen een menigte te gooien, die er dan om ging vechten, zei Twillert. ‘En dan sloeg de SS ze met ijzeren staven uit elkaar.’

Een enkele keer kregen ze een Rode Kruis-pakket. De sigaretten en chocolade waren daaruit al door de bewakers en kapo’s gestolen. Twillert ruilde eens boter uit zijn pakket met een Rus voor soep met vlees. Toen het op was, hoorde hij dat het vlees van een overleden kameraad was. ‘Ik stond even raar te kijken, maar troostte me ermee dat het me lekker had gesmaakt, en die man merkte er toch niets van. Je was meer dier dan mens.’

De Nederlanders vochten met bendes Russen en Polen

De barakken waren tochtig. Meerdere gevangenen – soms drie, soms vier – deelden op het drie lagen tellende stapelbed een strozak en deken. Iedereen had last van dysenterie en diarree. Degenen die op het onderste bed sliepen waren de pineut. Ook Grisnigt leed aan diarree. Terwijl hij zich op een nacht naar de latrine haastte, liet hij in de barak de boel per ongeluklopen. De Duitse kapo dwong hem het met zijn blote handen op te ruimen. Zonder wassen moest hij daarna terug naar zijn bed. ‘Het was de laatste druppel.’ Het zou nooit meer goed komen tussen hem en de Duitsers.

Volksverhuizing

In de laatste weken van de Tweede Wereldoorlog draaide de vernietigingsmachine in Ravensbrück op volle toeren. In een nieuwe gaskamer vonden tussen eind januari en eind april bijna 6000 mensen de dood, onder wie 100 mannen. Op 26 april 1945 ontving commandant Fritz Suhren een ontruimingsbevel. In het mannenkamp zaten toen nog 3000 gevangenen. Velen van hen lagen in de ziekenboeg of waren niet meer in staat om te lopen. Suhren schijnt aan zijn superieuren in Berlijn te hebben voorgesteld de mannen over te dragen aan het internationale Rode Kruis, maar het antwoord luidde dat de mannen niet levend in vijandelijke handen mochten vallen.

Al dagen hoorden ze in het kamp het Russische kanongebulder dichterbij komen. De ontruiming werd als een grote teleurstelling ervaren. Veel mannen hadden geen goed schoeisel, niet iedereen had een deken. Op 28 april, daags na de vrouwen, vertrokken ze in groepen van zo’n 200 man. De ernstig zieken mochten achterblijven. De gedachte aan de naderende bevrijding gaf Grisnigt kracht. Het tempo lag hoog, maar opgeven was er niet bij: aan het eind van de colonne schoten bewakers de achterblijvers dood. ‘De moffen sloegen en trapten erop los, en waren weer stapelgek,’ zei Donker.

Lijkzakken in Ravensbrück.
Zieke gevangenen worden aan hun lot overgelaten, 1945.

Einddoel was subkamp Malchow, 100 kilometer noordwestwaarts. Onderweg leek het wel een volksverhuizing, aldus Donker. ‘Ik heb meer mensen gezien dan landschap. Heel Duitsland heb ik daar op de vlucht gezien, alles was volkomen en désordre.’

Tijdens een pauze kreeg Grisnigt toestemming in het bos zijn behoefte te doen. Ondertussen zette de colonne zich weer in beweging. Niemand lette op hem en hij wist te vluchten. ‘Ik was op. Als ik zou blijven, zou ik ook een genadeschot hebben gekregen.’

Terwijl hij op zijn rug naar de sterren lag te kijken ervoer hij die nacht een onbeschrijflijk gevoel van geluk. De volgende ochtend liep hij terug naar Ravensbrück, waar hij tegen de avond aankwam. De bewakers waren verdwenen, herinnerde hij zich. ‘Bij de geopende hoofdpoort lag een stapel naakte lijken. Op elkaar gegooid, alsof het voorwerpen waren. Ik heb er minutenlang vol verbazing naar gekeken.’

In de huizen van de kampbewakers zag hij borden rode kool op tafel staan. Blijkbaar waren ze in grote haast vertrokken. Inmiddels waren achtergebleven vrouwen een kijkje gaan nemen in het ontruimde mannenkamp. Tot hun ontsteltenis troffen ze daar honderden mannen aan, van wie de meesten stervende of al dood waren. ‘Ze hadden al een week geen water gehad en stierven van honger en dorst,’ schreef een van hen. ‘Het leken geen mensen maar geesten en ze hadden zo geleden dat ze gek waren geworden.’  

Iedereen had last van dysenterie en diarree

Zo goed het kon verzorgden ze de mannen. Grisnigt hielp daarbij en ontfermde zich over de 45-jarige Simon Goede uit Landsmeer, die hem de weken daarvoor moed had ingepraat en zich als een vader voor de jongeren had opgesteld. Er bleek voedsel in overvloed, want de pakhuizen lagen vol. Rond het middaguur op maandag 30 april verschenen de eerste Russische bevrijders. Die schrokken van de aanblik, en hun veldkeukens begonnen meteen goulash voor de uitgehongerde gevangenen te maken. Grisnigt: ‘Onze magen konden dat helemaal niet aan, sommigen stierven erdoor. Veel van hen terwijl ze hun behoefte deden, viel me op.’

Dat er ook verkrachtingen van vrouwen plaatsvonden, heeft hij niet gezien. Zelf voelde hij niets bij de aanblik van vrouwen. Van zijn libido was niets meer over.

Donker en Twillert werden in Malchow op 2 mei bevrijd door de Russen. Ze behoorden tot de 48 van de 659 in oktober 1944 weggevoerde mannen uit Putten die de oorlog overleefden.

Bevrijde mensen uit Ravensbrück waren zwak en apatisch

Op maandag 7 mei bezocht een Nederlandse delegatie Ravenbrück. Ze bestond uit officieren uit het krijgsgevangenkamp Neubrandenburg, aangevoerd door luitenant Van Ameyden van Duym. Zijn opdracht was zich op de hoogte te stellen van de situatie van daar aanwezige Nederlandse vrouwen, onder wie zijn eigen echtgenote. Ze hadden een wagen met paarden bij zich en fietsen om Nederlanders mee terug te nemen.

Een Belgische officier verzocht hem in Ravensbrück dringend mee te gaan naar het voormalige mannenkamp. ‘Aldaar werd ik aangesproken door een totaal vervuilde Nederlander die zich bekendmaakte als sergeant Reyer Abraham Grisnigt,’ schreef hij in zijn rapport. Grisnigt verbleef ‘met zeven andere Nederlanders in een onbeschrijflijk vuile barak. De zeven landgenoten waren zeer zwak en apathisch doch het deed hen kennelijk goed de bevrijding van Nederland en de spoedige komst van Nederlandsch personeel in het kamp te vernemen. Zij hadden thans goed te eten en ruimschoots Amerikaansche sigaretten uit het SS-magazijn.’

Bevrijding van kamp Ravensbrück.
Bevrijding van kamp Ravensbrück door het Rode Leger, 1945.

In het kamp werkten vier artsen ‘die echter zelf gevangen waren geweest en fysiek niet geheel in staat, hun zeer zware taak te volbrengen’. In het crematorium trof hij 400 lijken aan; dagelijks stierven nog 20 à 30 man. Hoewel er voldoende voedsel aanwezig was, was er te weinig personeel en heerste er gebrek aan medische verzorging en middelen. ‘Hulp was dringend nodig.’

Inwoners van Fürstenberg werden alvast ingezet om het opruimingswerk te verrichten.

Grisnigt reisde mee naar Neubrandenburg. Tot zijn schaamte op de wagen, en niet op de fiets. ‘Ik zat er helemaal doorheen.’

Een week later was hij terug in Nederland, terwijl zijn familie dacht dat hij was overleden. In Ravensbrück stierven naar schatting 28.000 mensen, onder wie op 24 juni 1945 Simon Goede – in totaal zouden daar zestig Nederlandse mannen zijn overleden. In een laatste brief aan zijn familie had Goede nog de hoop het te halen, want hij was door Grisnigt ‘zo goed verzorgd’.

Meer weten

  • Ravensbrück. Geschiedenis van het concentratiekamp voor vrouwen (2015) door Sarah Helm geldt als het standaardwerk, maar gaat nauwelijks in op de mannen.
  • Das KZ Ravensbrück, Geschichte eines Lagerkomplexes (2003) door Bernhard Strebel besteedt ruim aandacht aan het mannenkamp.
  • Spion van Oranje (2016) door Bram de Graaf behandelt het oorlogsverhaal van Engelandvaarder Bram Grisnigt.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 5 - 2023