In zijn reisverslag Over de democratie in Amerika uit 1835 legt Alexis de Tocqueville de vinger op gevaren die het politieke systeem van binnenuit bedreigen. Bijna tweehonderd jaar later klinken zijn waarschuwingen profetisch.
Wie in 2025 de kranten openslaat, kan er moeilijk omheen: de zorgen om het democratische bestel in de Verenigde Staten groeien met de dag. ‘De Amerikaanse democratie sterft niet in de voorspelde duisternis, maar op klaarlichte dag,’ kopte NRC op 18 april. In haar hoofdredactioneel commentaar van 22 augustus meldde de Volkskrant dat er ‘voorlopig geen einde komt’ aan de ‘vrije val waarin de Amerikaanse democratie verkeert’. Zelfs de doorgaans terughoudende NOS vroeg zich onlangs af: ‘Is Amerika nog een democratie?’.
Er is ruimschoots aanleiding voor deze zorgen. Want in tijden waar de Amerikaanse president publiekelijk roept dat de verkiezingen gestolen zijn, rechterlijke uitspraken negeert, onwelgevallige overheidstakken wegbezuinigt en gewapende bendes het Capitool laat bestormen, maken de checks and balances van het land een ongekende stresstest door.
Of de Amerikaanse instituties overeind zullen blijven? De Harvard-politicologen Steve Levitsky en Daniel Ziblatt raden af daar zomaar op te vertrouwen. In hun veelgeprezen boek Tyranny of the Minority (2023) betogen zij dat de Amerikaanse constitutie – de oudste ter wereld – een aantal ‘weeffouten’ bevat die de democratie onvoldoende beschermen tegen eenentwintigste-eeuwse bedreigingen. ‘Onze instituties gaan onze democratie niet redden. Dat zullen we zelf moeten doen,’ luidt hun ontnuchterende conclusie.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Levitsky en Ziblatt zijn verre van de eersten die wijzen op de kwetsbaarheden van het Amerikaanse staatsmodel. Hun conclusies echoën het gedachtegoed van de Franse filosoof Alexis de Tocqueville, die tussen 1831 en 1832 door de Verenigde Staten trok om te zien hoe een land zonder koning of aristocratie kon functioneren. Na terugkomst in Frankrijk legde hij zijn inzichten vast in De la démocratie en Amérique (Over de democratie in Amerika), dat in 1835 verscheen.
Enerzijds beschouwde De Tocqueville de VS als een voorbeeld voor Europa, anderzijds ontdekte hij fundamentele zwaktes die de Amerikaanse democratie van binnenuit dreigden te ondermijnen. Hoogleraar politieke geschiedenis Annelien de Dijn noemt hem daarom ‘niet alleen de eerste theoreticus van de democratie, maar ook de eerste theoreticus van de crisis van de democratie’. En zijn negentiende-eeuwse inzichten zijn voor Amerika onder Trump relevanter dan ooit.
‘Enorme hoeveelheden voedsel’
De reden waarom De Tocqueville naar Amerika reisde, had te maken met de politieke situatie in Frankrijk. Alexis was 25 jaar oud en werkte als onderzoeksrechter in Versailles, toen in 1830 de Julirevolutie uitbrak. De conservatieve Franse koning Karel X werd afgezet en vervangen door zijn liberale neef Lodewijk Filips I. De omwenteling bracht Alexis, als telg uit een oud adellijk geslacht uit Normandië, in een lastig parket. De vader van Lodewijk Filips had actief de Franse Revolutie van 1789 gesteund, terwijl Alexis’ ouders destijds ternauwernood aan de guillotine waren ontsnapt. Voor hen was het onverteerbaar dat hun zoon als ambtenaar trouw zou zweren aan de nieuwe koning. Bovendien was Alexis een relatie begonnen met een protestants meisje uit Engeland – een schande voor zijn conservatieve familie. Alexis zocht een uitweg uit deze gespannen situatie.

Samen met zijn vriend en mede-magistraat Gustave de Beaumont bood hij aan het ministerie van Justitie aan om een studiereis naar de VS te maken, en daar het ‘hypermoderne’ Amerikaanse gevangeniswezen te bestuderen. Het voorstel werd aangenomen en op 8 april 1831 zetten de twee vrienden vanuit Le Havre koers richting New York. Uit hun brieven blijkt dat deze studiereis vooral een goed excuus was om de VS te kunnen verkennen. ‘We gaan naar Amerika om de gevangenissen te bestuderen, maar wat ons vooral aantrekt, is de samenleving zelf, de democratie in werking,’ schreef hij begin 1831 aan zijn broer Édouard.
Na aankomst in New York toonde De Tocqueville zich aanvankelijk sceptisch. In zijn eerste brieven naar huis klaagde hij steen en been over de Amerikaanse cultuur: van de ‘monotone architectuur’ tot vrouwen die ‘geen idee hebben hoe zich te gedragen in gezelschap.’ Ook van het eten moest de Fransman maar weinig hebben: ‘Aanvankelijk vonden we het ontbreken van wijn bij maaltijden een ernstige ontbering, maar wij zijn nog verbaasder over de enorme hoeveelheid voedsel die mensen hier op de één of andere manier naar binnen werken,’ schrijft hij in 1831 aan zijn moeder. ‘Behalve ontbijt, lunch en thee, waarbij de Amerikanen ham eten, hebben ze zeer uitgebreide diners en vaak ook een tussendoortje. Tot nu toe is dit het enige opzicht waarin ik hun superioriteit niet betwist.’
Standsgelijkheid
Maar naarmate De Tocqueville langer in Amerika verbleef, veranderde zijn blik. De jonge Fransman raakte steeds meer onder de indruk van de VS, vooral op politiek vlak. In 1832 schreef hij aan een van zijn vrienden lovend over de ‘brede gemeenschappelijkheid aan overtuigingen’ die hij overal in Amerika aantrof – van het grote New York tot de kleine dorpjes langs de Mississippi. ‘Daar, mijn beste vriend, heb je wat ik de “overtuigingen” van dit land zou noemen. Ze geloven oprecht in de uitmuntendheid van hun regering; ze geloven in de wijsheid van de massa, mits deze goed geïnformeerd is, en lijken niet te worden vertroebeld door het vermoeden dat de bevolking nooit zal beschikken over de speciale kennis die onmisbaar is voor het besturen van een staat.’
Al reizend door de VS kwam De Tocqueville tot een voor zijn tijd revolutionaire conclusie: de komst van de democratie was onvermijdelijk en bovenal wenselijk. Veel Europese denkers zagen dit radicaal anders: democratie was misschien leuk voor het Wilde Westen aan de andere kant van de oceaan, maar niets voor het geciviliseerde Europa. ‘Democratie is niets anders dan de dictatuur van het grootste aantal, en het grootste aantal is meestal de laagste, de onwetendste, de meest onbeschaafde menigte,’ aldus zijn Franse tijdgenoot Joseph de Maistre.

Maar De Tocqueville dacht er anders over. Volgens hem had Europa sinds de zevende eeuw een ingrijpende sociale transformatie doorgemaakt. De traditionele, hiërarchische standenmaatschappij had er geleidelijk aan plaatsgemaakt voor een samenleving waarin verschillen tussen arm en rijk nog altijd bestonden, maar niet meer zo rigide waren als in de tijd van de aristocratie en de bourgeoisie. De Tocqueville noemde deze ontwikkeling ‘l’égalité des conditions’ – vaak vertaald als ‘standsgelijkheid’. Volgens hem was het onvermijdelijk dat deze sociale gelijkheid vroeg of laat ook politiek vorm zou krijgen. ‘Een grote democratische revolutie voltrekt zich onder ons. Iedereen ziet hem, maar niet iedereen beoordeelt haar op dezelfde manier’, schreef hij in Over de democratie in Amerika. ‘Vroeg of laat zullen wij net als de Amerikanen uitkomen bij een bijna volledige standsgelijkheid.’
De opkomst van democratische regeringsvormen beschouwde De Tocqueville dus als een logisch gevolg van een eeuwenlange maatschappelijke ontwikkeling. De VS waren het land waar deze ontwikkeling ‘haar natuurlijke grenzen bereikt’ had. Met name het gedecentraliseerde federale bestuur, de levendige burgerparticipatie en de smerende rol van religie maakten diepe indruk op hem.
Tirannie van de meerderheid
Ondanks zijn bewondering voor de Amerikaanse democratie zag de Fransman ook een aantal ‘natuurlijke defecten’. Een van de belangrijkste weeffouten was ‘de almacht van de meerderheid’. Deze leidde op termijn tot een ‘vergroting van de wetgevende instabiliteit die democratieën eigen is’. Hiermee bedoelde hij dat kiezers en politici werden beïnvloed door emoties, modeverschijnselen en kortetermijnbelangen. Het probleem van Amerika, zo beargumenteerde hij, was dat het land deze instabiliteit institutioneel had verankerd: verkiezingen – van de president of de volksvertegenwoordiging – vonden elke twee jaar plaats en werden gekenmerkt door een winner-takes-all-systeem. Daardoor wisselden de grootste partijen stuivertje en konden ze elkaars wetten intrekken of wijzigen.
De Tocqueville waarschuwde dat de Amerikaanse democratie kon uitdraaien op een ‘tirannie van de meerderheid’, waarbij machthebbers enkel nog oog hadden voor de belangen van hun eigen achterban. In tegenstelling tot veel andere Europese denkers zag hij niet de bestuurlijke zwakte, maar juist de ‘overweldigende kracht’ van de Amerikaanse democratie als gevaarlijk. ‘Ik ben minder bevreesd voor de buitensporige vrijheid die in dat land heerst, dan voor de zeer gebrekkige waarborgen die bestaan tegen die tirannie.’
Dit laatste illustreerde De Tocqueville met een voorbeeld: ‘Wanneer een man of een partij in de Verenigde Staten onrecht lijdt, tot wie kan hij zich dan wenden? Tot de publieke opinie? Zij is juist de kracht achter de meerderheid. Tot de wetgevende macht? Die vertegenwoordigt de meerderheid en gehoorzaamt haar blindelings. Tot de uitvoerende macht? Die wordt benoemd door de meerderheid en dient haar als een passief instrument. Tot de gewapende macht? De gewapende macht is niets anders dan de meerderheid onder de wapens. Tot de jury? De jury, dat is de meerderheid bekleed met het recht vonnissen te vellen; zelfs de rechters worden in sommige staten gekozen door de meerderheid. Hoe onrechtvaardig of onredelijk de maatregel ook is die u treft, u moet zich er kortom bij neerleggen.’
‘Zelfs de rechters worden in sommige staten gekozen door de meerderheid’
Collectieve apathie
Twee eeuwen later zijn de woorden van De Tocqueville opvallend actueel. Zo is onder Donald Trump de claim om namens een ‘silent majority’ te spreken een vast wapen geworden om instituties die tegenmacht moeten bieden – zoals rechters, media en federale instanties – af te schilderen als vijanden van de natie. Wie zich tegen de president keert, wordt niet benaderd als een legitieme politieke tegenstander, maar als iemand die het democratische proces saboteert. Dat is precies waar De Tocqueville in 1835 voor waarschuwde: een meerderheid die afwijkende stemmen niet alleen tegenspreekt, maar structureel poogt te marginaliseren.
Trump vertegenwoordigt niet eens een echte meerderheid. Bij zijn verkiezing in 2016 verloor hij de popular vote en bij opiniepeilingen is zijn approval rating nog nooit boven de 46 procent uitgekomen. Levitsky and Ziblatt stellen dan ook dat ‘tirannie van de minderheid’ eigenlijk een betere beschrijving is van de hedendaagse Amerikaanse politiek. Hoe is het mogelijk dat een minderheid haar wil oplegt? Dat heeft te maken met een ander democratisch defect dat De Tocqueville signaleerde: apathie.
Na het succes van Over de democratie in Amerika zette De Tocqueville zich aan het schrijven van een vervolg. In dit tweede volume, dat in 1840 verscheen, trok hij een iets andere conclusie dan in deel één. Democratieën kenden niet alleen het gevaar van een almachtige meerderheid, maar konden ook ten onder gaan aan de onverschilligheid van burgers. Deze onverschilligheid was in zijn optiek een bijproduct van de égalité des conditions: met het verdwijnen van de formele standenmaatschappij viel ook de hiërarchische band weg die mensen verplichtte zich met het gemeenschappelijk belang bezig te houden. Vroeger hadden aristocraten bepaalde verantwoordelijkheden tegenover hun land of hun ondergeschikten; boeren en burgers zaten vast in overkoepelende structuren en tradities. Maar in een democratische samenleving, zo stelde De Tocqueville, werd ieder individu teruggeworpen op zichzelf.
Het gevaar hiervan was dat het politieke leven steeds meer werd overgelaten aan een kleine groep activisten, terwijl de meerderheid zich afsloot in een ‘kleine kring van familie en vrienden.’ De Tocqueville waarschuwde dat dit uiteindelijk kon leiden tot een vorm van ‘collectieve apathie’ jegens de publieke zaak. En deze desinteresse verschafte ruimte aan demagogen en autocraten: ‘Het is die apathie die maakt dat de uitvoerende macht op de ene dag […] in staat is te onderdrukken; en dat de dag erna, wanneer een partij dertig man op de been kan brengen, ook die partij in staat is te onderdrukken. Geen van beide kan iets blijvends vestigen: wat hen gemakkelijk doet slagen, verhindert hen om langdurig te slagen. Zij rijzen op omdat niets hen tegenstaat en zij vallen omdat niets hen draagt.’
Partijen ‘rijzen op omdat niets hen tegenstaat en zij vallen omdat niets hen draagt’
Ook hier lijkt zijn analyse amper aan relevantie te hebben ingeboet. Een deel van de Amerikaanse bevolking is zeer activistisch – veelal via sociale media of partijpolitieke acties – terwijl een ander, vooral jong deel van het electoraat zich steeds verder van het democratische proces afwendt. Recente peilingen tonen dat slechts twee op de tien Amerikanen van dertig jaar of jonger nauwgezet de binnenlandse politiek volgt. Ruim een derde vindt dat stemmen weinig tot geen zin meer heeft: ‘The system is too broken to be fixed.’
De Tocqueville zag al scherp dat een dergelijke dynamiek de democratie kwetsbaar maakt. Wanneer de publieke zaak geen gezamenlijke verantwoordelijkheid meer is, krijgen populisten ruimte om via eenvoudige slogans en vijandbeelden de macht te grijpen. Ook bij Donald Trump was dit een belangrijke drijfveer: via beloftes als ‘Drain the swamp’ en ‘Make America Great Again’ wist hij de brede afkeer van de gevestigde politieke orde om te zetten in het presidentschap. Het feit dat zijn campagne voor een groot deel bestond uit leugens deed daar weinig aan af.
Wat niet helpt, is dat Amerikanen niet langer in een gedeelde werkelijkheid leven. Terwijl De Tocqueville de publieke opinie nog omschreef als ‘een macht die bijna overal aanwezig is’ en ‘een individu belet te handelen naar zijn eigen overtuiging’, is de publieke opinie van 2025 enorm gefragmenteerd geraakt. Burgers kunnen tegenwoordig hun eigen nieuwsbronnen kiezen, waarbij algoritmes bestaande overtuigingen alsmaar versterken. Zelfs basale feiten worden zo onderhandelbaar. Trump maakt hier maar al te graag gebruik van: alle berichtgeving die hem niet welgevallig is, zet hij weg als ’fake news’. En zijn achterban slikt het als zoete koek. Burgers trekken zich dus niet alleen terug hun eigen privésfeer, maar ook in een afgescheiden informatiesfeer. Dat heeft zelfs De Tocqueville niet kunnen voorzien.
Is de democratie nog te redden? Aan het slot zijn reisvlag deed De Tocquevilles een oproep: ‘Belangrijk is daarom om niet zozeer anarchie of depotisme te bestrijden, maar vooral de apathie zelf – want die kan bijna willekeurig het een of het ander voortbrengen.’ Twee eeuwen later klinkt dat wellicht als een tegelwijsheid, maar wel eentje die onverminderd waar blijft: een democratie is slechts zo sterk als de mate waarin haar burgers haar koesteren.
Meer weten
- De Dijn, A. (2008). French Political Thought from Montesquieu to Tocqueville: Liberty in a Levelled Society. Cambridge: Cambridge University Press.
- Sommer, M. (2017). De kleine Tocqueville: Zonder burgers geen democratie. Amsterdam: Uitgeverij Prometheus/Bert Bakker.
- de Tocqueville, A. (2010). Letters from America. (F. Mélonio & J. Schleifer, Eds.; J. T. Schleifer, Trans.). New Haven, CT: Yale University Press.
- Levitsky, S., & Ziblatt, D. (2023). Tyranny of the Minority: Why American Democracy Reached the Breaking Point. New York: Crown Publishing Group.
