Home De dubbele moraal van Alexis de Tocqueville (1805-1859)

De dubbele moraal van Alexis de Tocqueville (1805-1859)

  • Gepubliceerd op: 13 februari 2018
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Otto van de Haar
De dubbele moraal van Alexis de Tocqueville (1805-1859)

De liberale denker Alexis de Tocqueville staat bekend als pleitbezorger van de democratie. Maar dan wel voor christenen. Met de moslims in Algerije had hij minder consideratie. Tegenover hen vond hij massale terreur gerechtvaardigd.

De Franse Revolutie van 1789 bracht met veel geweld de scheiding tussen Kerk en Staat tot stand en brak de macht van de oude aristocratie. De hoogadellijke ouders van jurist en socioloog Alexis de Tocqueville overleefden de gebeurtenissen op het nippertje en zijn overgrootvader eindigde zelfs op het schavot. Tocqueville zou zich er zijn hele leven van bewust zijn.

Het nieuwe regime van koning Louis-Philippe (1830-1848), die een republikeinse achtergrond had, kon hem als voormalig aristocraat maar matig bekoren. Toch was hij bereid te accepteren dat de democratie de toekomst had. De vraag was alleen: wat voor toekomst? Of, zoals hij zelf schreef: ‘Wat mogen we hopen en wat moeten we vrezen?’ Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, besloot hij samen met Gustave de Beaumont, met wie hij rechten had gestudeerd, de democratie aan een nader onderzoek te onderwerpen, en wel in Amerika. In dat land had de democratie zich namelijk met minder bloedvergieten ontwikkeld dan in Frankrijk – dat kwam onder meer doordat het geen machtige aristocratie en invloedrijke kerk kende. Tocqueville verwachtte er een blik in de toekomst van zijn eigen land te kunnen werpen. In 1831 stapten beide heren de loopplank op van zeilschip Le Havre en begonnen op eigen kosten met de reis.

Tekst loopt door onder de afbeelding.

Alexis de Tocqueville en zijn hoogadelijke vader Hervé (rechts).

Aangekomen in de Nieuwe Wereld – met een bevolking van amper 13 miljoen – liepen ze gedurende negen maanden bibliotheken, archieven en drukbezochte lokale bijeenkomsten af en onderhielden ze zich met mensen van allerlei slag en uit alle windstreken.
 

Lovende reacties

Het was geen toeval dat Beaumont vooral de gesprekken voor zijn rekening nam en dat Tocqueville aantekeningen maakte, want soepel in de omgang was hij niet. Ook later, toen hij in de jaren 1840 zitting had in het Franse parlement, hield hij zich liefst wat afzijdig en kon hij maar moeilijk overweg met burgerlijke lieden ‘van mindere komaf’. Daarbij vond hij zichzelf een middelmatig spreker. Schrijven ging hem beter af. De weerslag van het onderzoek, Over de democratie in Amerika, verscheen in 1835. Het boek bevatte een grondige ontleding van de aard en de werking van de democratie. Een tweede deel volgde vijf jaar later. De publicatie was direct een groot succes, ook internationaal. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld schreef zijn liberale vriend John Stuart Mill een lovende recensie.

In Amerika, zo betoogde Tocqueville, bestond op lokaal niveau een levendige debatcultuur. Het land had een decentrale staatsvorm als tegenwicht tegen een oppermachtige overheid. Een bloeiend christelijk geloof vormde er het cement van de samenleving.

Maar hij voorzag ook grote gevaren voor de democratie: de groeiende gelijkheid kon leiden tot een nivellerende tendens, de tirannie van de meerderheid en mogelijk geweld van een in het nauw gebrachte minderheid. De vrijheid – een kernbegrip in zijn liberale denken – zou weleens aan het kortste eind kunnen trekken.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Zicht op Algiers in 1816. Tocqueville is verrukt van de schoonheid van Afrika.

Tocqueville had niet alleen grote belangstelling voor Amerika. Italië, Sicilië, Duitsland en Zwitserland bezocht hij ook. En meer dan eens zijn geliefde Groot-Brittannië. Hij wilde zelfs naar de Britse kolonie India gaan voor onderzoek, maar vanwege zijn zwakke gezondheid ging dit ambitieuze plan niet door.

Het land dat hem naast Amerika het meest bezighield was Algerije. Hij wist er al het nodige van via zijn vriend Louis de Kergorlay, die in de jaren 1830 als officier bij de kolonisatie van de kuststreek betrokken was. Beiden overwogen zelfs om zich er als kolonisten te vestigen, maar ook dit plan ketste af op Tocquevilles kwakkelende gestel.
 

De invloed van Mohammed is eerder schadelijk dan heilzaam

Wel doorkruiste Tocqueville als Algerije-expert van het Franse parlement het land twee keer, in 1841 en in 1846. Voorafgaand hieraan maakte hij studie van het voormalige Ottomaanse bestuur, de cultuur, de geografie, de bevolkingssamenstelling en de Koran. Tocqueville oordeelde dat de Koran net als het christendom verbonden was met de ideeën uit het Oude Testament en zich presenteerde als de voortzetting ervan. ‘Op elke bladzijde kom je Mozes tegen,’ schreef hij in 1837. De Koran was volgens hem ‘concreet’ waar het de strijd betrof, maar ‘vaag’ op het gebied van de moraal. Al was de Heilige Schrift wel duidelijk over hulp aan reizigers en aan armen.
 

Despotisme

Een groot probleem in de Ottomaanse wereld was volgens hem het ontbreken van de scheiding tussen Kerk en Staat, want daaruit vloeide het despotisme voort. Dat deze ‘scheiding’ in het Westen mede te danken was aan de vermaledijde Franse Revolutie, daarop reflecteerde hij niet. In een brief aan een vriend constateerde hij: ‘Mohammed heeft een enorme invloed op de mensheid uitgeoefend, waarvan ik denk dat deze, alles bij elkaar genomen, eerder schadelijk dan heilzaam was.’
 
Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Fransen bestormen Constantine in Noord-Algerije in 1837. Geschilderd door Eugène Flandin.

Toen Tocqueville samen met zijn broer Hippolyte en wederom Gustave de Beaumont in 1841 vanuit Toulon de overtocht begon, nam Frankrijk niet meer alleen genoegen met de Algerijnse kuststreek. Het was bezig ook het binnenland economisch en militair te onderwerpen.
 

Spotprijs

Na een tussenstop op het eiland Menorca naderden ze vroeg in de ochtend de Algerijnse kust, die nog in mist gehuld was. Het deed Tocqueville denken aan de mist van Normandië. Totdat de zon voor opklaring zorgde en ‘het echte Afrika tevoorschijn kwam’. Hij was verrukt van de schoonheid van het land en vergeleek sommige streken met Sicilië en de Elzas. Het leek wel het beloofde land, ‘ware het niet dat je het moet bebouwen met het geweer op je rug’.

Er vonden oriënterende gesprekken plaats met hoge militairen als Thomas-Robert Bugeaud, met koloniale bestuursambtenaren en met de bisschop van Algiers.

De grond, schreef Tocqueville in een nota, moest door Frankrijk voor een spotprijs worden opgekocht of gedwongen onteigend. Voorts diende de infrastructuur te worden verbeterd en de bouw van militaire verdedigingswerken en trainingskampen ter hand genomen. Algerije zou een ‘tweede editie’ van het vaderland moeten worden met kerken, priesters, christelijke scholen en volkshuizen, ‘ter wille van de Franse grandeur’.  
 

Tekst loopt door onder de afbeelding.

Emir Abd el-Kader leidt jarenlang met succes een guerillabeweging tegen de Fransen.


Er zouden twee aparte vormen van wetgeving moeten komen: een voor de Fransen en een voor de tweederangs inheemsen. De succesvolle verovering van India door Groot-Brittannië vormde voor Tocqueville een lichtend voorbeeld.

Frankrijk kreeg te maken met hevig verzet van de autochtone bevolking. Een guerrillabeweging onder aanvoering van emir Abd el-Kader wist de kolonisten tot in de tweede helft van de jaren 1840 het hoofd te bieden. Tocqueville erkende dat de kolonisten met de grondonteigening het bloed onder de nagels van de inheemse inwoners vandaan haalden. Toch keurde hij het meedogenloze beleid van de Franse gouverneur-generaal Bugeaud goed.
 

We houden hen gevangen tussen onze bajonetten en de woestijn

Een grote legermacht moest de Arabier doen beseffen dat niemand Frankrijks positie kon aantasten, vond hij. Mobiele korpsen dienden af te rekenen met de opstandige ‘Algerijnse stammen’. Abd el-Kader moest zo snel mogelijk uit de weg worden geruimd voordat diens invloed zich verder uitbreidde. Tot ergernis van Tocqueville verschool de guerrillaleider – die met zijn hit-and-run-acties zo hard mogelijk terugsloeg – zich achter de godsdienst: ‘met de Koran in de hand.’
 

Razzia’s

In Over de democratie in Amerika zag Tocqueville godsdienst als het cement van de samenleving, maar in Algerije niet, omdat de bewoners niet christelijk waren en dus – in zijn wereldbeeld – niet ‘progressief’. Hij was ervoor hun oogsten te verbranden, silo’s leeg te roven, razzia’s te houden, ongewapende mannen, vrouwen en kinderen gevangen te nemen, het vee in beslag te nemen en vijandelijke ‘kampongs’ met de grond gelijk te maken. ‘Ze krijgen het zwaar te verduren als we hen gevangenhouden tussen onze bajonetten en de woestijn.’ Een Franse generaal legitimeerde dergelijke acties door te verwijzen naar het Bijbelboek Jozua, waarin God immers ook de verschrikkelijkste razzia’s had gezegend.
 

Tekst loopt door onder de afbeelding.

Een pagina uit het manuscript van Over de democratie in Amerika van Tocqueville

 

‘Christenbarbaren’

Om de tegenstand te breken moest volgens Tocqueville de verdeeldheid tussen de autochtone vorsten door omkoping aangewakkerd worden en een verbod worden ingevoerd om handel te drijven. Zo’n verbod veroorzaakte immers de ‘grootst mogelijke schade die wij de inheemse bevolking kunnen toebrengen’. Toen in Frankrijk bekend werd dat honderden Arabieren die hun toevlucht hadden gezocht in grotten door verstikking om het leven waren gebracht door Franse militairen, zweeg Tocqueville.

Hij waarschuwde er wel voor dat de Fransen niet ‘op Turkse wijze’ moesten optreden – dat wil zeggen, ‘dood alles wat je tegenkomt’. Dat zou namelijk contraproductief werken. Want ook al was het optreden van de Ottomaanse Turken destijds barbaars, schreef hij, zij waren in de ogen van de Algerijnen altijd nog ‘moslimbarbaren’; als ‘christenbarbaren’ zouden de Fransen zich extra gehaat maken.
 

In 1847 zitter er al 100.000 Fransen in Algerije

Naar critici in Frankrijk luisterde Tocqueville niet: in een oorlog met Arabieren ontkwam je ‘helaas’ niet aan dergelijke methodes. Het was waar dat ook de Britten het nodige te stellen hadden met revoltes in India, meende hij, maar die opstanden vielen in het niet bij de vechtlust van de Arabieren.
 

Op de knieën

Na afloop van zijn tweede reis sloeg Tocqueville in zijn rapportage uit 1847 een gematigder toon aan. Dat was logisch, want het verzet was – zij het niet overal – op de knieën gebracht. Sinds het begin van de Franse kolonisatie was zowel het aantal militairen als het aantal kolonisten vervijfvoudigd tot ruim 100.000. Hij constateerde dan ook dat er een ‘beschaafde en christelijke maatschappij was gesticht’. Op sommige secundaire bestuursposten mochten de Algerijnen zelfs meebesturen. Trots noteerde Tocqueville dat ‘uit respect voor hun geloof’ op enkele plekken eerder moskeeën dan kerken gebouwd werden. Maar hij bleef toch voorzichtig. Als Frankrijk er niet in zou slagen ‘un bon gouvernement’ te realiseren, lag een verschrikkelijke slachting in het verschiet. Dat het koloniale project met zijn nationalistische grandeur hieraan ten grondslag lag, kon of wilde de liberale theoreticus niet inzien.
 
Otto van de Haar is historicus en publicist.


Meer weten:
Alexis de Tocqueville. Writings on Empire and Slavery (2001) Redactie en vertaling Jennifer Pitts.
Modern Algeria. A History from 1830 to the Present (1991) door Charles-Robert Ageron.
Tocqueville et la doctrine coloniale (1988) door Tzvetan Todorov.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,- Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 2 - 2018