• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 1/2020

    Bommen op burgers

    Oorlogvoering

    Door: Koen Vossen

    Het kan niet anders, zeggen veel strategen. Soms vallen er nu eenmaal bommen op de gewone bevolking. Maar zo lang als er vliegtuigen bestaan, zo lang is het bombarderen van burgers al omstreden.

     

    You press a button and death flies down,’ zo karakteriseerde Charles Lindbergh kernachtig zijn werk als piloot van een jachtbommenwerper in 1944 in de Pacific. De beroemde Amerikaanse luchtvaartpionier gaf toe dat hij zich nauwelijks een voorstelling kon maken van wat zich vervolgens onder hem afspeelde. De harde dreun, de paniek en chaos, het geschreeuw, de hitte en de stank, het bloed, de afgerukte ledematen, de totale willekeur.

    Misschien wel doeltreffender dan alle woorden heeft Pablo Picasso de ervaring van een bombardement verbeeld in zijn schilderij Guernica uit 1937, dat hij als protest tegen de luchtaanval op het gelijknamige Baskische stadje maakte. Dit bombardement tijdens de Spaanse Burgeroorlog wordt dikwijls als het eerste grote bombardement op een burgerdoel beschouwd. Helemaal juist is dat niet. Zo gooide de Italiaanse Regia Aeronautica bij de verovering van Abessinië (het huidige Ethiopië) in 1935 al verschillende dorpen en stadjes plat. Terwijl ook in de Eerste Wereldoorlog enkele bombardementen plaatsvonden, waarvoor de Duitsers onder meer zeppelins gebruikten. En in de negentiende eeuw werden vanuit luchtballonnen al bommen op steden gegooid, onder meer op Venetië in 1849 tijdens de eerste Italiaanse onafhankelijkheidsoorlog.

    Maar de schaal en de meedogenloosheid van de vele bombardementen tijdens de Spaanse Burgeroorlog waren tot dan toe ongekend. De Italiaanse en Duitse luchtmacht, die generaal Francisco Franco te hulp had geroepen, beschouwden het conflict in Spanje als een goede gelegenheid om te experimenteren met deze relatief nieuwe manier van oorlogvoering.

    Behalve Guernica gooiden de Duitse en Italiaanse bommenwerpers ook bommen op steden als Jaén, Alicante, Madrid en Barcelona, waarbij duizenden doden vielen. Aan de andere kant van de wereld greep de Japanse luchtmacht eveneens naar dit middel in de oorlog tegen China: onder meer de Chinese steden Guangzhou en Chongqing werden in 1938 grotendeels in de as gelegd.

    Londen na een Duitse luchtaanval, 1940.

    Zo veel mogelijk dood en verderf

    Wereldwijd wekten de bombardementen in China en in Spanje grote afschuw. Vooral de foto’s van dode kinderen, naast elkaar liggend, de voetjes onder dekens uit stekend, golden als symbool van de barbaarse methoden waarmee Duitsers, Italianen en Japanners ten strijde trokken. Geschrokken van alle ophef, besloot Franco de mythe de wereld in te helpen dat de Basken Guernica zelf in brand hadden gestoken om hem in een kwaad daglicht te stellen. Een mythe die in Spanje ook nadien een hardnekkig leven is blijven leiden. Zowel het Britse Lagerhuis als de Amerikaanse Senaat bezwoer eind jaren dertig dat zij zich te allen tijde zouden keren tegen bombardementen van burgerdoelen. Na de Duitse inval in Polen in september 1939 toonde president Franklin D. Roosevelt zich diep geschokt door de bombardementen op Warschau en Wielun, en verklaarde hij dat de Verenigde Staten zich ‘in no event and under no circumstances’ zouden verlagen tot zulke barbaarse middelen.

    Zowel de Britten als de Amerikanen hielden geen woord. Bij de Britten vormde de Duitse aanval op het eigen grondgebied het voornaamste omslagpunt.

    Nadat ze op 14 mei 1940 Rotterdam had verwoest, begon de Duitse Luftwaffe in de zomer van 1940 met bombardementen op Engelse steden. In Londen vielen in de zomer en herfst van 1940 tienduizenden burgerslachtoffers, terwijl de bisschopsstad Coventry vrijwel geheel werd verwoest. Hermann Göring, veldmaarschalk van de Luftwaffe, kondigde aan dat als premier Winston Churchill zich niet snel zou overgeven alle Britse steden zouden worden ‘coventriert’.

    Vernietiging van steden moet de Duitse bevolking knakken

    Met het al in 1936 opgerichte Bomber Command probeerde Churchill terug te slaan, maar vooralsnog ontbrak het aan voldoende materieel en een duidelijke strategie om het Derde Rijk in het nauw te drijven. Dat veranderde toen in de winter van 1942 een nieuwe strategie werd uitgestippeld en met Arthur Harris ook een nieuwe bevelhebber voor het Bomber Command werd benoemd.

    Terwijl de Britse bommenwerpers zich tot dan toe hadden geconcentreerd op industrie en infrastructuur, kregen ze nu de opdracht ook burgerdoelen te bestoken. Doel was om door de stelselmatige vernietiging van de steden het moreel van de Duitse bevolking te knakken – reden waarom de strategie als moral bombing bekend kwam te staan.

    Churchill gaf zijn zegen aan deze strategie, omdat het vooralsnog de enige manier was een ‘tweede front’ in het westen te openen, zoals de Sovjet-Unie wenste. Wetenschappers kregen de opdracht om de meest effectieve methoden te bedenken waarmee zo veel mogelijk dood en verderf kon worden gezaaid. Aldus werd de beruchte ‘vuurstorm’ bedacht, die kon worden ontketend door een combinatie van brisantbommen en duizenden brandbommen op een stad af te werpen.

    De meest geslaagde uitvoering van dit plan was de aanval op Hamburg op 24 juli 1943, waarbij naar schatting 40.000 doden vielen in een vuurstorm waarbij de hitte opliep tot 1400 graden Celsius. Ook in steden als Darmstadt, Kassel, Duisburg en Keulen eisten vergelijkbare vuurstormen duizenden doden. De meeste aanvallen vonden plaats in de winter van 1944-1945, toen het Derde Rijk op instorten stond en steden als Pforzheim, Würzburg, Potsdam en Dresden vrijwel met de grond gelijk werden gemaakt. Het aantal Duitse burgerslachtoffers wordt geschat op meer dan een half miljoen, onder wie 70.000 kinderen.

    Tokyo hard getroffen

    De Amerikanen, die pas na de Japanse aanval op Pearl Harbor in 1941 bij de oorlog waren betrokken, waren aanvankelijk terughoudender met het bombarderen van niet-militaire doelen. Maar gaandeweg liet ook de Amerikaanse legerleiding alle morele bezwaren varen. In de laatste fase van de oorlog tegen Japan imiteerde de United States Army Air Forces (USAAF) de strategie van het Britse Bomber Command. Met de enorme B-29- bommenwerpers wierpen de Amerikaanse piloten tussen januari en augustus 1945 honderdduizenden bommen op zeker zestig Japanse steden, waaronder Osaka, Yokohama, Kobe en Nagoya.

    40.000 inwoners van Hamburg komen om tijdens een vuurstorm

    Miljoenenstad Tokyo werd het hardst getroffen. In de nacht van 9 op 10 maart 1945 ontketenden 282 B-29’s met hun bommen een vuurstorm in de Japanse hoofdstad die naar schatting 100.000 dodelijke slachtoffers heeft geëist. Dat aantal is sindsdien nooit meer overtroffen, ook niet door de atoombommen die de Amerikanen op 6 en 9 augustus op Hiroshima en Nagasaki hebben geworpen. Het dodental in beide steden (respectievelijk 78.000 en 35.000) zou later wel oplopen tot neer dan 200.000 dankzij de vrijgekomen straling.

    ‘Shock and awe’

    De verwoesting van Duitsland en Japan is na de Tweede Wereldoorlog veelal gepresenteerd als een noodzakelijk kwaad. Hoe hadden die bloedfanatieke Duitsers en Japanners anders moeten worden verslagen? En waren zij bovendien niet zelf begonnen met deze barbaarse methoden? Toch was er ook kritiek, waarbij vooral de bombardementen op Hiroshima, Nagasaki en Dresden als voorbeelden van zinloze massadestructie golden. Maar in de Vierde Geneefse Conventie van 1949, waarin de rechtsregels in oorlogstijd werden aangescherpt, werd onder druk van de Amerikanen en Britten niets gezegd over het bombarderen van burgerdoelen. Daarmee zouden zij immers met terugwerkende kracht schuld hebben bekend. De Amerikaanse luchtmacht had daardoor ook de handen vrij om tijdens de Korea-oorlog en Vietnam-oorlog weer naar hartenlust burgerdoelen te bestoken. In Noord-Korea, Vietnam, Laos en Cambodja vielen wederom honderdduizenden burgerdoden dankzij Amerikaanse bommen.

    Toen in 1977 een nieuw protocol werd toegevoegd aan de Geneefse Conventie, waarin het opzettelijk bombarderen van burgerdoelen werd verboden, weigerden de Verenigde Staten wederom te tekenen. Groot-Brittannië tekende dit keer wel, maar dat betekende niet dat de meeste Britten inmiddels met groot schuldbewustzijn op de tijd van moral bombing terugkeken. In 1992 kreeg Arthur ‘Bomber’ Harris ondanks protesten uit Duitsland een standbeeld in Londen, dat werd onthuld door de koningin-moeder.

    Het boek Der Brand (2002) van Jörg Friedrich, over de vernietiging van de Duitse steden, leidde behalve in Duitsland ook in Groot-Brittannië tot soms verhitte debatten. Zo publiceerde de bekende Britse filosoof A.C. Grayling Among the Dead Cities (2006), waarin hij de geallieerde bombardementen met terugwerkende kracht scherp veroordeelde. Niet alleen waren deze volgens Grayling moreel zeer twijfelachtig, ze waren bovendien in het geheel niet effectief. De Duitse en de Japanse capitulatie waren minder het gevolg van bombardementen dan de Britse en Amerikaanse legerleiding hadden doen geloven. Zo capituleerde Japan niet zozeer vanwege de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, maar vanwege de dreigende Russische deelname aan de strijd in de regio.

    Grayling was bepaald niet de eerste die de effectiviteit van moral bombing in twijfel trok. Wel stelde hij op basis daarvan dat de bombardementen, zoals de Amerikanen en hun bondgenoten die in 2003 onder het mom van shock and awe in Irak hadden uitgevoerd, moreel noch strategisch te rechtvaardigen waren.

    Hoewel de bombardeertechniek sinds 1945 sterk is verfijnd, waardoor precisieaanvallen mogelijk zijn, blijft de kans op collatoral damage – lees: burgerdoden – nog steeds groot. Het aantal dodelijke burgerslachtoffers van de bombardementen tijdens de Irak-oorlog en de daaropvolgende strijd tegen Islamitische Staat in Syrië en Irak wordt zelfs in de meest conservatieve schattingen op enkele tienduizenden geschat.

    Daartoe behoren, zo weten we sinds kort, ook zeventig burgers die zijn omgekomen na een aanval van een Nederlandse F-16 op de Iraakse plaats Hawija in juni 2015. Dat de minister-president enigszins nonchalant verklaarde dat hij zich niet meer kan herinneren of en wanneer hij hiervan van op de hoogte werd gesteld, vormt een wrang bewijs dat burgerdoden bij bombardementen nog steeds als een noodzakelijk kwaad worden beschouwd.

    Koen Vossen is historicus, publicist en docent politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

    Kaders:

    Strafexpedities zonder nut: Arthur ‘Bomber’ Harris

    Als bevelhebber van het Engelse Bomber Command is Arthur Harris (1892-1984) de belichaming van de vernietigende bombardementen op Duitse steden als Keulen, Hamburg en Dresden. In de meeste geschiedenisboeken komt hij naar voren als een hoekige, autoritaire persoonlijkheid die het platgooien van Duitse steden als een heilige missie was gaan beschouwen. Daarbij liet hij zich in toenemende mate leiden door gevoelens van wraakzucht en almacht, en niet door militair-strategische motieven. Zo waren de bombardementen op Pforzheim, Dresden en Würzburg in februari en maart 1945 weinig meer dan wraakzuchtige strafexpedities die militair geen enkel nut meer hadden.

    Toch was ‘Bomber’ Harris vooral de uitvoerder van een strategie die was uitgestippeld door sir Charles Portal, de stafchef van de Royal Air Force, en die was goedgekeurd door Winston Churchill. Het fanatisme waarmee Harris de opdracht uitvoerde, zou volgens zijn biograaf te maken hebben met zijn frustraties over het gebrek aan waardering en prestige dat hem in zijn leven ten deel was gevallen. Als jongste van zes kinderen had hij wegens geldgebrek niet de opleiding gekregen die zijn oudere broers wel hadden genoten.

    Na een periode waarin hij als boer in Rhodesië fortuin probeerde te maken, meldde hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog aan bij de Royal Air Force. Na de oorlog wierp hij in Irak en in India bommen op opstandige regio’s en klom hij op tot commandant van het Bomber Command. Tot zijn grote frustratie merkte hij dat piloten van bommenwerpers niet de status van de vechtpiloten, tankcommandanten of mariniers hadden. Ter overcompensatie snoefde hij dat zijn Bomber Command Duitsland zonder hulp van andere eenheden op de knieën kon krijgen. Na de oorlog kreeg Harris diverse onderscheidingen en werd hij geridderd, en acht jaar na zijn dood in 1984 werd er zelfs een standbeeld van hem onthuld.
    Verwoester van Guernica: Wolfram Freiherr von Richthofen

    Lange tijd stond Wolfram von Richthofen (1895-1945) vooral bekend als de neef van de ‘Rode Baron’. De drie jaar oudere Manfred von Richthofen kreeg deze bijnaam vanwege de rode driedekker Fokker waarmee hij tijdens de Eerste Wereldoorlog tientallen luchtgevechten won, totdat hij op 20 april 1918 zelf werd neergehaald.

    Wolfram von Richthofen sloot zich in 1917 ook aan bij de prestigieuze Kaiserliche Luftstreitkräfte, maar zijn prestaties staken bleek af bij die van Manfred. Vastbesloten om zijn neef te overtreffen, liet Von Richthofen zich in 1937 benoemen tot commandant van het Condor Legion, een Duitse luchtmachteenheid die in Spanje streed aan de zijde van Franco. Von Richthofen was onder meer verantwoordelijk voor het bombardement op Guernica. Zijn ster was daardoor zo sterk gerezen dat hij benoemd werd tot luchtmachtgeneraal en een belangrijke rol speelde in de luchtoorlog tegen Groot-Brittannië.

    In april 1941 gaf hij leiding aan het bloedige bombardement op Belgrado, waarbij bijna 20.000 burgers omkwamen. Ook in de strijd om Stalingrad liet de meedogenloze Von Richthofen zich niet onbetuigd: zijn piloten gooiden in augustus 1942 de Russische stad vrijwel helemaal plat, waarbij naar schatting 40.000 slachtoffers vielen. In november 1944 werd bij hem een hersentumor geconstateerd, waaraan hij op 12 juli 1945 op 49-jarige leeftijd in een Amerikaans gevangenenkamp overleed.
    Geen morele scrupules: Curtis LeMay

    ‘Fikkie stoken’, zo noemde Curtis LeMay (1906-1990) de vele bombardementen op Japanse steden in 1945 eufemistisch. Als generaal-majoor was LeMay de architect van deze meedogenloze strategie om Japan op de knieën te krijgen, waarbij meer dan een half miljoen burgers omkwamen. Veel morele scrupules had hij niet, want er bestonden in zijn ogen geen onschuldige Japanners.

    Na de oorlog gaf LeMay onder meer leiding aan de bekende Berlijnse luchtbrug en werd hij in 1961 door John F. Kennedy benoemd tot chef-staf van de luchtmacht. In die functie pleitte hij tijdens de Cuba-crisis voor nucleaire raketten op Cuba. Ook was hij al begin jaren zestig voorstander van bombardementen op Vietnam onder het motto ‘We’re going to bomb them back into the Stone Age’. Met zulke drastische voorstellen botste LeMay steeds vaker met minister van Defensie Robert McNamara. In 1965 werd hij dan ook met vervroegd pensioen gestuurd.

    Daarop besloot hij de politiek in te gaan. Hij werd in 1968 de running-mate van George Wallace, een populistische kandidaat die met zijn pleidooien voor segregatie vooral in de zuidelijke staten populair was. Tijdens de campagne snoefde LeMay meermalen dat hij er niet voor zou terugdeinzen om kernwapens te gebruiken. De Independent Party van Wallace en LeMay wist als derde partij toch nog 13,5 procent van de stemmen te halen. Na 1968 vestigde LeMay zich in Florida, waar hij in 1990 overleed. Hij stond model voor de oorlogszuchtige generaal Buck Turgidson in de bekende film Dr. Strangelove or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb (1964).

    Door vergissingen van de geallieerden: 10.000 Nederlandse burgerdoden

    Zoals bekend is ook Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar getroffen door bombardementen. Minder bekend is dat de meeste slachtoffers het gevolg waren van geallieerde bombardementen. Omstreeks 10.000 doden vielen er als gevolg van geallieerde luchtaanvallen, terwijl de Duitse bombardementen iets meer dan 1000 slachtoffers eisten.

    De geallieerde bombardementen waren voor een deel opzettelijke luchtaanvallen op Duitse militaire doelen, zoals op opslagplaatsen voor Duitse V2-raketten, scheepswerven, strategisch belangrijk geachte verkeers- en spoorbruggen of geschutstellingen. Veel van deze doelwitten waren gelegen nabij woonwijken. Door fouten in de uitvoering en door gebrekkige apparatuur eisten veel bommen dan ook veel mensenlevens. Zoals het grote bombardement op 3 maart 1945 op V2-opslagplaatsen in het Haagse Bezuidenhout, waarbij zeker 500 doden vielen. Of het bombardement op de haven van Breskens op 11 september 1944, dat 199 inwoners het leven kostte.

    Daarnaast waren er ook ‘vergissingsbombardementen’, waarbij geallieerde vliegtuigen meenden een Duitse stad te bombarderen. Onder meer grenssteden als Enschede, Geleen en Arnhem trof dit lot. Zonder meer het bekendste vergissingsbombardement is dat op Nijmegen op 22 februari 1944. De historicus Joost Rosendaal heeft echter aangetoond dat de Amerikaanse piloten het spoorwegemplacement in Nijmegen als gelegenheidsdoel hadden uitgekozen omdat hun eigenlijke doel – de Duitse stad Gotha – niet bereikt kon worden.

    Hoewel door fouten in de uitvoering bijna 800 burgerdoden vielen, was van een vergissingsbombardement in de strikte zin van het woord dus geen sprake. Na 1945 kregen de geallieerde bombardementen in Nederland lange tijd beduidend minder aandacht dan de Duitse bombardementen. De vele burgerslachtoffers pasten slecht in het beeld van de geallieerden als de bevrijders van het vaderland.
    Meer weten:

    De brand. De geallieerde bombardementen op Duitsland, 1940-1945 (2004) door Jörg Friedrich.
    Among the Dead Cities. Was the Allied Bombing of Civilians in WWII a Necessity or a Crime? (2006) door A.C. Grayling.
    Bombing Civilians. A Twentieth-Century History (2010) door Yuki Tanaka en Marilyn B. Young.