In 1973 had Nederland te maken met een energiecrisis toen Arabische landen de oliekraan dichtdraaiden. Deze landen wilden westerse landen straffen voor hun pro-Israëlische houding tijdens de Jom Kippoeroorlog. Voor hulp hoefde Den Haag niet op zijn Europese partners te rekenen.
‘Het embargo tegen Nederland leidde in eerste instantie tot paniek,’ vertelt emeritus hoogleraar geschiedenis Duco Hellema. Hij schreef over deze kwestie onder meer het boek Doelwit Rotterdam. ‘Premier Joop den Uyl hield een dramatische toespraak, waarin hij aankondigde dat het nooit meer zou worden zoals het was. Er werden maatregelen genomen om het energieverbruik te beperken. En er werd over nagedacht hoe we de afhankelijkheid van Arabische olie konden verminderen.’
Daarnaast probeerde Nederland één front te vormen met andere EG-landen, maar dat verliep moeizaam. ‘Pogingen om geïmporteerde olie via de EG onderling te verdelen liepen spaak. Frankrijk verweet Nederland dat het eerdere Franse voorstellen voor een gezamenlijke energiepolitiek niet had gesteund. Engeland vond dat Nederland het embargo aan zichzelf te wijten had met zijn sterk pro-Israëlische standpunt. Frankrijk en Engeland probeerden bilaterale verdragen te sluiten met Arabische OPEC-landen. Het was ieder voor zich in de EG. De oliecrisis dreigde de haven van Rotterdam hard te treffen, maar dat kwam sommige andere landen wel uit.’
Uiteindelijk bleek het olie-embargo vooral een psychologisch spel. De Arabische landen hadden verschillende belangen en trokken niet één lijn. Ze zagen niet goed toe op de handhaving van het embargo, zodat oliemaatschappijen toch volgens contract konden leveren. Ons land kwam er goed vanaf: het was een milde winter, Nederland had volop aardgas in eigen bodem en er waren nog olievoorraden. Wat weer tot ergernis bij andere EG-landen leidde. In juli 1974 werd het embargo opgeheven.
