Om tien voor drie ’s middags op 1 oktober 1946 schoof de houten deur in zaal 600 van de rechtbank in Neurenberg geruisloos open, en stapte Hermann Göring naar binnen. Göring was onder meer opperbevelhebber van de Duitse luchtmacht geweest, vertrouweling van Adolf Hitler en daarmee een van de invloedrijkste leiders van het naziregime. Hij keek kort om zich heen en greep naar de koptelefoon voor de vertaling van de zitting.
De voorzittende rechter Geoffrey Lawrence las de straftoemeting voor, die slechts uit één zin bestond: ‘het internationale militair tribunaal veroordeelt u ter dood door ophanging.’ Göring maakte een lichte buiging, maar reageerde verder niet. In de ochtend had Lawrence al geoordeeld dat hij schuldig was aan onder meer het plannen en voeren van de Tweede Wereldoorlog. ‘Er kan geen twijfel bestaan dat Göring de drijvende kracht voor een agressieoorlog was, slechts op Hitler na’, zei hij.

Zo werd Göring de eerste persoon die werd veroordeeld voor het plannen en voeren van een oorlog. Diezelfde middag werden nog achttien andere mannen veroordeeld, drie werden vrijgesproken.
Oorlogen waren onvermijdelijk
Het tribunaal in Neurenberg werd door de geallieerden opgericht om de hoofdverantwoordelijken voor de oorlog te kunnen vervolgen. Oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid vormden de ene helft van de aanklacht. Maar nog spectaculairder waren de ‘misdrijven tegen vrede’: het plannen, voorbereiden, initiëren of voeren van de oorlog. ‘Het hoogste internationale misdrijf, dat zich van de andere oorlogsmisdrijven onderscheidt doordat het het verzamelde kwaad van het geheel bevat’, zoals de rechters in het oordeel schreven.
In Neurenberg ging het niet meer alleen om misdrijven tijdens de oorlog, maar voor het eerst ook om de oorlog zelf. Daarmee veranderde de internationale kijk op militair geweld fundamenteel: het recht om oorlog te voeren veranderde in een misdrijf. Tot het begin van de twintigste eeuw domineerde de opvatting dat oorlogen een onvermijdelijk onderdeel van de internationale politiek waren en geweld hooguit door regels beperkt kon worden, bijvoorbeeld door bepaalde wapens te verbieden, maar niet af te schaffen. Bij gebrek aan een internationaal gerechtshof of andere organisatie was het aan landen zelf om hun gelijk te halen, desnoods met militaire middelen.
Nog in 1918, na het einde van de Eerste Wereldoorlog, wees de Australische premier William Hughes het idee af dat de Duitse keizer vervolgd zou kunnen worden. ‘Je kunt geen man voor het voeren van oorlog aanklagen,’ zei hij in een kabinetsvergadering. ‘Hij had het goed recht om de wereld in een oorlog te storten, en nu wij hebben gewonnen hebben wij het recht om hem te doden, niet omdat hij de wereld in een oorlog heeft gestort, maar omdat wij hebben gewonnen.’ Hij verwoordde daarmee wat velen nog steeds vonden.
Tegelijk begon de Eerste Wereldoorlog wel het denken te veranderen. In het Verdrag van Versailles werd bijvoorbeeld de oprichting van een tribunaal vastgelegd. Maar omdat keizer Wilhelm II naar Nederland was gevlucht en dat land hem niet wilde uitleveren, vond er nooit een proces tegen hem plaats.
Artikel 231 van het verdrag bevestigde de verantwoordelijkheid van Duitsland en zijn bondgenoten voor de schade die hun ‘agressie’ had veroorzaakt. Dat begrip kreeg daarmee voor het eerst een centrale plaats in de internationale rechtsorde. Het impliceerde dat Duitsland niet gestraft werd omdat het de oorlog had verloren, zoals in het verleden, maar omdat het een oorlog was begonnen en de vrede had geschonden.
‘Misdrijf tegen vrede’
In de jaren twintig ontwikkelden juristen en politici dat idee verder. Zo bande het Briand-Kelloggpact in 1928 oorlog uit als instrument van nationale politiek. Hoewel het woord ‘misdrijf’ in het verdrag niet voorkomt – het bestaat uit slechts drie artikelen – gebruikten de geallieerden het pact na de Tweede Wereldoorlog voor de aanklachten bij de tribunalen in Neurenberg en later in Tokyo.
Zo gaven de geallieerden het ‘misdrijf tegen vrede’ in 1945 gestalte: de planning, voorbereiding, initiëring of het voeren van een agressieoorlog, of deelname aan een gezamenlijk plan ervoor. Daarmee was het mogelijk om Göring en de andere nazileiders niet slechts voor oorlogsmisdrijven te vervolgen, maar ook voor de oorlog zelf.

De Sovjet-Unie speelde daarbij een belangrijke rol. De Wit-Russische, Joodse jurist Aron Trainin stelde al in 1937 – voor het begin van de Tweede Wereldoorlog – voor om oorlog als misdrijf te beschouwen en een internationaal strafhof ervoor op te richten. Zijn plannen werden in de jaren veertig door de leiders van de Sovjet-Unie overgenomen. Hun idee, een showproces waar de Duitsers aan het einde zouden worden opgehangen, week weliswaar af van het voornemen van andere geallieerden om een eerlijk proces te organiseren, maar de Sovjet-invloed bleek cruciaal. Het was bijvoorbeeld Trainin die de term ‘misdrijf tegen vrede’ bedacht en meeschreef aan het statuut van het tribunaal.
Geen duidelijke rechtsbasis
De grootste zwakte was dat nergens gedefinieerd was wat een agressieoorlog überhaupt was, merkte hoofdaanklager Robert Jackson op in zijn openingsspeech. Ook de rechters hadden moeite het concept in woorden te vatten, maar uit de uitspraak blijkt dat het bij ‘agressie’ om oorlogen moet gaan die gevoerd worden ter bezetting of verovering van een andere staat of om steun aan een land dat zo’n oorlog voert.
In 1945 was het concept juridisch nog wankel. Het gebrek aan een duidelijke rechtsbasis was ook een hoofdargument voor de verdediging. Het Briand-Kelloggpact en het Handvest van de Volkenbond verboden weliswaar oorlogen, maar nergens stond dat staatsmannen ervoor vervolgd zouden kunnen worden, schreven Görings advocaat Otto Stahmer en de andere advocaten in een motie aan het tribunaal. De meeste historici delen tegenwoordig de opvatting dat er in 1945 in het internationaal recht nog geen grondslag was voor het nieuwe ‘misdrijf tegen vrede’ en dat het Duitse bezwaar tegen de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid terecht was.

Ook de eenzijdigheid van het tribunaal – alleen Duitsers werden vervolgd – leidde tot kritiek. De bombardementen op Duitse steden, waarbij honderdduizenden burgers gedood werden, waren bijvoorbeeld geen onderdeel van het proces. Ook voor de Sovjet-bezetting van de Baltische staten of de grootschalige verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger werd in Neurenberg niemand aangeklaagd. Over de misdrijven van de Sovjets werd pas vanaf de jaren zestig gesproken.
Een nieuw tribunaal
Het begin van de Koude Oorlog belemmerde de verdere ontwikkeling van het internationaal recht. Overeenstemming binnen de Verenigde Naties werd moeilijker. De Algemene Vergadering werd het in 1974 uiteindelijk eens over een definitie van ‘agressie’, maar in de praktijk werd het concept niet meer toegepast. De internationale politiek richtte zich op het voorkomen van een oorlog tussen de machtsblokken, niet de strafbaarstelling ervan. Velen zagen daarvoor een machtsbalans als de beste manier, niet het recht.
Pas toen landen in 1998 onderhandelden over de oprichting van het Internationaal Strafhof in het Statuut van Rome, kreeg het ‘misdrijf van agressie’ weer een plek. Het gebruik van geweld tegen een andere staat is volgens het VN-Handvest van 1945 verboden, behalve bij zelfverdediging of met toestemming van de Veiligheidsraad. Door het Statuut van Rome is het ook een misdrijf, waarvoor individuele personen ter verantwoording kunnen worden geroepen.
Nog steeds is de toepassing lastig, ondanks het Strafhof. Maar tachtig jaar na de laatste veroordeling proberen landen een nieuwe stap te zetten. Een nieuw tribunaal moet in de toekomst onder meer de Russische leiders berechten die verantwoordelijk zijn voor de agressieoorlog tegen Oekraïne. Daarmee keert het baanbrekende idee van Neurenberg terug in de internationale politiek: dat het voeren van agressieoorlogen verboden is en individuele leiders ervoor vervolgd kunnen worden.
Meer weten:
- ‘Crimes against Peace’ and International Law (2013) door Kirsten Sellars behandelt de evolutie van agressiewetgeving van 1918 tot aan de processen van Neurenberg en Tokyo.
- Soviet Judgment at Nuremberg (2020) door Francine Hirsch laat de cruciale rol van de Sovjet-Unie zien in de Neurenbergprocessen.
- Unimaginable Atrocities: Justice, Politics, and Rights at the War Crimes Tribunals (2012) door William Schabas bespreekt naast de historische tribunalen ook de hedendaagse dilemma’s.
