Home Gestrande walvissen voorspelden groot onheil

Gestrande walvissen voorspelden groot onheil

Timmy, de aangespoelde bultrug die Duitsland wekenlang in zijn greep hield, is na een grootse reddingsactie alsnog overleden. Tegenwoordig wekken gestrande walvissen medeleven, maar tijdens de Tachtigjarige Oorlog joegen ze kustbewoners de stuipen op het lijf. De verschijning van een ‘zeemonster’ interpreteerden ze als goddelijke waarschuwing.

Drie gestrande potvissen bij Ter Heyde. Gravure door Jan Wierinx, 1577.
Drie gestrande potvissen bij Ter Heyde. Gravure door Jan Wierinx, 1577.

Tim Groot

Gepubliceerd op: 18 mei 2026

Wetenschappers en geestelijken, schrijvers en kunstenaars: van heinde en verre reisden ze in 1598 af naar Berckhey, een vissersdorpje tussen Katwijk en Scheveningen. Daar was op 14 februari namelijk een dode potvis aangespoeld. Zijn kadaver bleef vier dagen lang op het strand liggen, waarna het voor 136 gulden aan de hoogste bieder werd geveild.

Meer historische context bij het nieuws van vandaag?

Meld u aan voor de gratis nieuwsbrief van Historisch Nieuwsblad.
Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Voordat de potvis in stukken werd gehakt, was er nog genoeg tijd om hem grondig te bestuderen. Zo maakte de Haarlemse meester Hendrick Goltzius een gedetailleerde schets van het dier, waarvan zijn leerling Jacob Matham een gravure maakte. Deze afbeelding werd vervolgens in meerdere geschiedenisboeken overgenomen, zoals de Neederlandsche Historien van P.C. Hooft en Histoire des Provinces-Unies des Pays-Bas van Jean Leclerc. Zo werd de walvisstranding bij Berckhey in het collectieve geheugen bijna net zo belangrijk als de veldslagen en belegeringen van de Tachtigjarige Oorlog.

Gestrande walvis bij Berckhey door Jacob Matham
Gestrande walvis bij Berckhey door Jacob Matham, 1598.

De populariteit van walvisprenten zoals die van Matham werd niet alleen gedreven door wetenschappelijke interesse. Schrijver Hugo de Groot merkte op dat de meeste Nederlanders geloofden dat de gestrande potvis een bovennatuurlijke betekenis had. Volgens een vers zou hij uit Spanje naar Nederland zijn gezwommen om het volk met ongeluk te bestoken, maar dankzij zijn noodlottige stranding waren zijn kwade plannen op tijd verijdeld. Dat een aangespoelde potvis zoveel ophef veroorzaakte, was niet uniek. Het gewone volk zag in elke walvisstranding een onheilsteken.

De Leviathan

Walvisvrees was aan het begin van de zeventiende eeuw niets nieuws. Al eeuwenlang schreven en lazen mensen met ingehouden adem over reusachtige zeedieren, die vaak fantasierijk werden beschreven. Zo schreef de Romeinse geleerde Plinius de Oudere dat walvissen wel 300 meter lang waren. Een oud Joods manuscript deed daar nog een schepje bovenop: een schip zou er maar liefst drie dagen over hebben gedaan om van het hoofd naar de staart van een walvis te varen.

Hoewel walvissen dus al langere tijd ontzag inboezemden, werden ze pas na de opkomst van het christendom als monsters gezien. Vroege christenen dachten de bijbelse Leviathan in de walvis te herkennen, en beschreven het dier daarom als een duivels teken of de duivel zelve. Aangespoelde potvissen deden ook denken aan het Bijbelverhaal over de profeet Jona, die zijn opdracht van God verzaakte en na een lange omweg in de buik van een ‘grote vis’ terechtkwam.

Militaire nederlagen

In de Lage Landen waren de duivelse trekjes van walvissen al voor de Opstand bekend. Zo tekende Pieter Bruegel de Oude de poort van de hel als een mond van een grote vis. En de zegswijze ‘een vat voor de walvis gooien’ betekende het afwenden van ongeluk. Maar volgens historicus Simon Schama begonnen walvisstrandingen in Nederlandse pas echt tot de verbeelding te spreken tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In zijn boek Overvloed en onbehagen beschrijft hij hoe de jonge Republiek continu vreesde om haar hard bevochten vrijheid weer te verliezen. In tijden van rampspoed gingen de Nederlanders daarom driftig op zoek naar voortekenen, waarvan walvisstrandingen een van de populairste waren.

'Gestrande walvis bij Beverwijk door Jan Saenredam
Gestrande walvis bij Beverwijk door Jan Saenredam, 1602.

Veel walvisprenten bevatten allegorische verwijzingen die de onheilspellende betekenis verduidelijkten. Zo maakte de tekenaar Jan Saenredam in 1602 een gravure van een aangespoelde potvis bij Beverwijk, met in de omlijsting een Nederlandse leeuw op bewegende aarde en de Dood die de Amsterdamse stedenmaagd met pijlen bestookt: een verwijzing naar de aardbeving en de pestepidemie die land en stad hadden getroffen. In het bijschrift verwijst Saenredam voor de goede orde ook terug naar de walvisstranding bij Berckhey en vermeldt hij de militaire nederlagen die daarop volgden.

Op walvisjacht

In de late zeventiende eeuw verloren aangespoelde walvissen hun onheilspellende betekenis. Een van de redenen was dat er gewoon minder onheil was. In 1648 kwam de Tachtigjarige Oorlog dankzij de Vrede van Munster tot een eind, waardoor de positie van Nederland een stuk minder benard werd. Tegelijkertijd groeide de walvisvangst uit tot een omvangrijke industrie: tegen 1700 verdienden zo’n 10.000 Hollanders hun geld aan boord van jachtschepen en in traankokerijen. Wie op expeditie naar Groenland tien walvissen ving zonder vervloekt te raken, was een stuk minder geneigd om de beesten als duivels te zien.  

Hoewel de bloeiende jacht sterk bijdroeg aan het demythologiseren van walvissen, bleven zeemansverhalen over de dieren nog eeuwenlang de ronde doen. De Amerikaanse auteur Herman Melville zou bij het schrijven van zijn beroemde Moby-Dick niet alleen inspiratie uit zijn schippersdagen hebben geput, maar ook uit zijn kerkelijke opvoeding en Nederlandse afstamming.

Meer weten?

Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw (1988) door Simon Schama.

Loginmenu afsluiten