Idealisme botst hard op de werkelijkheid in het Franse speelfilmdebuut L’engloutie (‘De verzwolgene’).
Het drama speelt in 1899 in een gehuchtje in de Franse Alpen. Een nieuwe lerares wordt door de bewoners bepaald niet met open armen ontvangen. Ze wantrouwen onderwijs. De lerares houdt hun voor dat lezen en schrijven goed zijn voor de geest. Maar de dorpelingen menen dat verhalen en herinneringen alleen voortleven door ze te vertellen, door ze op te schrijven maak je ze dood. Ook over hygiëne hebben ze zo hun opvattingen. Hun kinderen wassen zij niet, omdat het aangekoekte vuil beschermt tegen ziekten. En rondwarende geesten kun je maar beter te vriend houden. Door een paar ellendige voorvallen in het dorpje komt de spanning tussen de plattelanders en de lerares tot een climax. Als buitenstaander is zij de ideale zondebok.
Regisseur Louise Hémon baseerde L’engloutie op het boek La vie d’hiver dans Le Haut-Vénéon, dat haar oudtante Aimée Bigalllet in 1922 publiceerde. Het beschrijft haar ervaringen als lerares in een Alpengehucht. Met L’engloutie, dat overweldigende beelden van sneeuwlandschappen bevat, levert het een mentaliteitsgeschiedenis op over moderniteit versus traditie. Dat klinkt als een cliché, maar Hémon maakt er iets bijzonders van doordat ze geen oordeel velt over de plattelanders en de lerares. Dat mag de kijker doen.

