Na de Eerste Wereldoorlog verkeerden de economieën van veel westerse landen in chaos. De bazen van de centrale banken van Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten moesten orde op zaken stellen. Maar ze maakten rampzalige keuzes.
Goudkust. Dat was de bijnaam van Long Island, nabij New York, in het begin van de twintigste eeuw: landhuizen met vergulde plafonds en grote tuinen waar de rijken der aarde zich vermaakten met vossenjachten en polowedstrijden. Een veel symbolischer plek hadden de vier bankiers van de belangrijkste centrale banken ter wereld niet kunnen kiezen om samen te komen in de eerste week van juli 1927. Ze wilden een oplossing vinden voor de wereldwijde financiële chaos, die was ontstaan door de uit het lood geslagen verdeling van de wereldwijde goudreserves na de Eerste Wereldoorlog.
De oorlog had niet alleen dood en verderf gezaaid, maar ook enorme economische schade veroorzaakt. De Duitse en Franse economieën waren maar liefst 30 procent gekrompen. Om de oorlog te bekostigen hadden de strijdende partijen op grote schaal geld geleend, vooral van de Amerikanen en hun eigen burgers, en simpelweg geld bijgedrukt.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Om de geldpers te kunnen laten draaien, waren veel landen uit de zogeheten gouden standaard gestapt. In dat systeem was de waarde van een munt gekoppeld aan een bepaalde hoeveelheid goud. Dat betekende dat de goudvoorraad van centrale banken regelde hoeveel geld een land in omloop kon brengen. De goudvoorraad kon groeien door handel: als een land meer exporteerde dan importeerde stroomde het goud een land binnen, en zat het andersom, dan nam de goudvoorraad af. Want handelsoverschotten en -tekorten werden uiteindelijk verrekend in goud. Een afname van de goudvoorraad kon economisch grote schade aanrichten, omdat een land in dat geval de geldhoeveelheid moest verminderen door bijvoorbeeld lonen en prijzen te verlagen. Centrale bankiers speelden hierbij een belangrijke rol: door de rente te verhogen konden ze het aantrekkelijk maken om te investeren in hun land. Ook dat gebeurde via goud, zodat op die manier de voorraad weer kon groeien.

Tijdens de oorlog hadden veel landen meer geld in omloop gebracht dan ze aan goudreserves in de kluis hadden liggen. De inflatie als gevolg daarvan had de waarde van hun munten aanzienlijk verminderd. Frankrijk en Groot-Brittannië kampten met miljardenschulden. En de verdeling van de goudvoorraad was ook nog eens volledig uit balans geraakt. Van de 6 miljard dollar aan beschikbaar goud in de wereld was 4,5 miljard in Amerika beland. Ten slotte hadden de geallieerden Duitsland in 1921 miljarden aan herstelbetalingen opgelegd. Deze ingewikkelde combinatie van financiële problemen bracht vooral de Europese landen in grote moeilijkheden.
Britse pond te duur
Het was aan Montagu Norman van de Bank of England, Benjamin Strong van de Federal Reserve Bank van New York, Hlamar Schacht van de Reichsbank, en Émile Moreau van de Banque de France om de financiële situatie weer op orde te brengen. In die tijd lieten regeringen financiële zaken aan bankiers over. Die hadden daardoor een ongekende macht en een uitzonderlijk aanzien. Maar ze hadden ook een ingewikkelde missie: terugkeer naar de gouden standaard gold als de heilige graal om de economische en financiële orde te herstellen.
De Engelse Norman was op dit vlak een hardliner. Groot-Brittannië was voor de oorlog het financiële centrum van de wereld geweest, maar die positie werd nu bedreigd door New York. Zijn land moest daarom het financiële vertrouwen terugwinnen door de waarde van het pond te herstellen naar de vooroorlogse waarde. De Britse regering deed haar best met loonsverlagingen, bezuinigingen en de invoering van een hogere rente, maar slaagde niet. Desondanks oefende Norman vanaf zijn aantreden in 1920 enorme druk uit op toenmalig minister van Financiën Winston Churchill om het pond tegen de hogere voorlooglogse waarde terug te brengen in de gouden standaard. Die ging uiteindelijk in 1925 overstag: Groot-Brittannië keerde terug naar de gouden standaard tegen de waarde van 1914, ook al betekende het dat het Britse pond eigenlijk veel te duur werd.
Tsjechisch goud
In 1939 speelde Montagu Norman een omstreden rol bij de overdracht van miljoenen aan geroofd Tsjechisch goud naar nazi-Duitsland. Het goud, opgeslagen bij de Bank of England namens de onafhankelijke en neutrale Bank for International Settlements (BIS), werd na de Duitse inval in Tsjechoslowakije door de nazi’s opgeëist. Hoewel de Britse regering alle Tsjechische bezittingen had bevroren, koos Norman er bewust voor de overdracht niet te blokkeren – zelfs zonder zijn politieke superieuren te raadplegen. Uit zijn besluit bleek een voorkeur voor financieel appeasement en een keuze voor de belangen van Londen als financieel centrum, wat zijn nalatenschap zwaar belastte.

De Duitser Schacht speelde een heel andere rol. Opgezadeld met schulden en herstelbetalingen had Duitsland na de oorlog de geldpers flink aangeslingerd. De resulterende hyperinflatie werd pas beteugeld toen de regering met hulp van Schacht een nieuwe munt invoerde, de Rentenmark, en de begroting op orde bracht. Schacht werd daarna bejubeld als ‘financiële tovenaar’ en dat bracht hem in 1923 aan het roer van de Reichsbank. In die hoedanigheid pinde Schacht de nieuwe munt tegen vooroorlogse waarde vast op de gouden standaard.
De Fransman Moreau verscheen later op het podium. Zijn land had de Duitse herstelbetalingen nodig om de begroting en economie op orde te brengen. Maar toen Duitsland verzaakte, kwam Frankrijk in de problemen. Financiële markten verloren het vertrouwen en de franc zakte steeds verder weg. Vanaf 1926 was het aan Moreau om een oplossing te vinden. Hij aasde op Amerikaanse en Britse leningen om de Franse economie te ondersteunen, maar Strong en Norman vonden dat Franrijk eerst financieel orde op zaken moest stellen. Een teleurgestelde Moreau bracht de Franse franc daarna terug naar de gouden standaard, maar tegen een veel lagere waarde dan voor de oorlog.
De Amerikaan Strong kende al deze problemen niet. Europa had voedsel, grondstoffen en oorlogsmaterieel vooral in de VS gekocht. Dat had de Amerikanen enorme economische groei gebracht en de kluizen gevuld met goud. Strong had in 1913 bijgedragen aan de oprichting van het Amerikaanse systeem van centrale banken, het Federal Reserve System. Twee jaar later was hij gouverneur geworden van de belangrijkste bank, die van New York, waardoor hij een van de invloedrijkste personen was op financieel gebied in de VS.
De oorlogsschulden en herstelbetalingen hielden de Europese landen ondertussen in een houdgreep. Duidelijk was dat Duitsland niet aan zijn verplichtingen kon en wilde voldoen. Maar Groot-Brittannië en Frankrijk wilden de voormalige vijand alleen helpen als hun eigen schulden aan de VS ook omlaag gingen. De Amerikanen wilden daar niets van weten. Toch kwam er een oplossing: de Amerikaanse ambtenaar Charles Dawes kwam in 1924 met tijdelijke afspraken over lagere herstelbetalingen en buitenlandse leningen om de Duitse economie te ondersteunen. Dankzij dit Dawes-plan stroomde kapitaal het land binnen en konden de Duitsers hun verplichtingen nakomen. Maar meer ook niet. Het land kon nog steeds geen goudreserves opbouwen en bleef afhankelijk van buitenlandse financiering om de economie draaiende te houden.
Goedkope franc
Strong en Norman hadden als langstzittende centralebankpresidenten een hechte band opgebouwd. Schacht maakte er na zijn aantreden bij de Reichsbank een triumviraat van en kon het vooral met Norman goed vinden. Tussen Moreau en Norman boterde het echter totaal niet. Dat kwam doordat het Britse pond veel te duur was, vooral in vergelijking met de gedevalueerde Franse franc. Britse producten konden niet concurreren met die uit andere landen, bedrijven sloten hun deuren en de werkloosheid steeg. Gebonden aan de gouden standaard kon de Britse regering alleen maar bezuinigen en de lonen verlagen. Het leidde onder meer tot de algemene staking van 1926 waarin miljoenen arbeiders hun werk neerlegden. Brits goud stroomde ondertussen en masse uit de kluizen, vooral naar Frankrijk waar de economie juist stevig groeide door de goedkope franc.

Het maakte Norman woedend. Zelf het pond devalueren durfde hij niet: dat paste niet bij de status van zijn land als financieel centrum van de wereld en de schrik in de financiële wereld zou zo groot zijn dat zelfs het internationale financiële systeem in gevaar zou komen. Terwijl Norman en de Britse regering extra bezuinigingen maatschappelijk ook steeds lastiger konden verkopen. Moreau, die zich nog de weerstand herinnerde toen Frankrijk hulp nodig had, peinsde er niet over te helpen door bijvoorbeeld de waarde van de franc te verhogen.
In de VS had Strong vooral te maken met economisch succes: bedrijven maakten grote winsten en steeds meer mensen wilden daar een graantje van meepikken. Ze leenden massaal geld om aandelen te kunnen kopen. De aandelenkoersen braken record na record. Het gaf Strong het gevoel dat hij de Europese landen, en dan vooral Groot-Brittannië, wel kon steunen.
Op Long Island vergaderde het viertal in juli 1927 over een oplossing. Nou ja, viertal: Moreau sprak geen Engels en stuurde zijn plaatsvervanger Charles Rist. Die onderstreepte nog maar eens dat er voor Groot-Brittannië niets anders opzat dan harde economische maatregelen. Schacht sprak vooral zijn bezorgdheid uit over de Duitse afhankelijkheid van buitenlandse leningen en hoe die op termijn ook de herstelbetalingen bedreigde. Norman ten slotte wilde dat landen met genoeg goud de rente zouden verlagen, zodat er meer leningen werden verstrekt. Zo zou er weer meer goud in omloop komen en daar zou zijn land van kunnen profiteren. Strong was het daarmee eens: een kleine renteverlaging zou Groot-Brittannië al een belangrijke dienst bewijzen. Kort na de bijeenkomst verlaagde de Fed de rente met een half procent.
Beurskrach
Dat bleek de vonk die een groot vuur aanstak. De renteverlaging zorgde voor nieuwe records op de beurs en Amerikanen gingen nog meer schulden aan. Strong kwam onder enorme druk te staan om het tij te keren. Na een half jaar verhoogde hij daarom jaar alweer de rente. Dat had geen effect: de beurs was volledig losgeslagen en liet zich niet meer kalmeren.
Normans problemen werden steeds groter. Investeerders konden op de beurs en door de hoge rente in Amerika een veel beter rendement halen. Ze verplaatsen hun geld (en daarmee hun goud) in sneltreinvaart uit Groot-Brittannië. Het dwong de Britse regering tot nieuwe ingrepen in de economie. Ook Schacht kwam in het nauw. In Duitsland verdwenen de buitenlandse leningen als sneeuw voor de zon, net op het moment dat de tijdelijke lagere herstelbetalingen uit het Dawes-plan ten einde liepen. Hij wist onder deze druk nieuwe afspraken over herstelbetalingen af te dwingen, maar ook Duitsland dook in een diepe economische recessie met als gevolg bezuinigingen, lagere lonen en uitkeringen, en uiteindelijk honger en armoede.

De inspanningen van de centrale bankiers waren uiteindelijk allemaal tevergeefs. In oktober 1929 was het gedaan met de records op de Amerikaanse beurs. Een beurskrach vernietigde het vertrouwen in banken en het financiële systeem. Dat leidde in de jaren erna tot diverse bankencrises in Europa en de VS, die op hun beurt zorgden voor de Grote Depressie van de jaren dertig. Norman zag in 1931 uiteindelijk geen andere keuze dan met Groot-Brittannië uit de gouden standaard te stappen en zijn voorbeeld werd in de jaren erna door veel andere landen gevolgd. Zij hadden allemaal lang geloofd in de werking van de gouden standaard, Nederland haakte als laatste af in 1936. Pas toen dat financieel juk was afgegooid, kregen landen de gelegenheid hun munt te devalueren en daarmee het economisch en financieel herstel in gang te zetten.
De vier centralebankpresidenten speelden geen hoofdrol meer. Strong had vanwege tuberculose al zijn hele leven een slechte gezondheid gehad en was in 1928 aan de complicaties van een darmoperatie overleden. Schacht stapte in 1930 op, omdat hij zich niet kon vinden in de nieuwe afspraken over de herstelbetalingen. Maar hij keerde later onder het bewind van Adolf Hitler weer terug. Moreau maakte een jaar later de overstap naar de private sector. Norman bleef op zijn post tot 1944. Allemaal hadden ze vanuit een diepe overtuiging vastgehouden aan de beginselen van de gouden standaard om de naoorlogse scheve verhoudingen en financiële problemen het hoofd te bieden. Het bleek het verkeerde medicijn met fatale gevolgen.
Werken voor de nazi’s
Hjalmar Schacht bleef zich na zijn vertrek in 1930 verzetten tegen de herstelbetalingen, onder meer als spreker tijdens een tour door Europa en de VS. Politiek verbond hij zich steeds meer met de NSDAP van Adolf Hitler. Die maakte Schacht na zijn machtsovername weer president van de Reichsbank en minister van Economische Zaken. Schacht kon zich echter niet vinden in de economische en financiële koers van de nazi’s en verdween eind jaren dertig van het politieke podium. Na de oorlog moest hij zich verantwoorden bij de Processen van Neurenberg, maar hij werd vrijgesproken. In de jaren vijftig was hij economisch adviseur voor ontwikkelingslanden.

Meer weten:
- Lords of Finance (2020) door Liaquat Ahamed beschrijft de rol van Norman, Strong, Schacht en Moreau in aanloop naar de Grote Depressie.
- 1929 (2025) door Andrew Ross Sorkin gaat in op de rol van bankiers bij de beurskrach in 1929.
- Hitler’s Banker (1999) door John Weitz vertelt over het leven en de carrière van Hjalmar Schacht.
