• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 7/2014

    Zeepfabriek: Britse propaganda in de Eerste Wereldoorlog

    Een Britse zeepbel

    Door: Pien van der Hoeven

    In 1917 zochten de Engelsen een manier om de haat tegen Duitsland aan te wakkeren. Daarom suggereerden ze dat hun vijand lijken van soldaten tot zeep verwerkte. Deze leugen bleek zeer effectief.

    De Eerste Wereldoorlog was de eerste oorlog die niet alleen met het zwaard, maar ook met het woord werd uitgevochten. Door de opkomst van de massapers aan het eind van de negentiende eeuw waren de propagandamogelijkheden geweldig toegenomen. In de Spaans-Amerikaanse Oorlog en de Boerenoorlog was dat al merkbaar, maar in Eerste Wereldoorlog kreeg propaganda een nieuwe dimensie: de verspreiding van partijdige informatie werd regeringsbeleid. De Engelse regering richtte in september 1914 een propagandabureau op naar het voorbeeld van Duitsland, dat in dit opzicht aanvankelijk vooropliep en al een vloed van posters en pamfletten over het binnen- en buitenland had uitgestort. Uiteindelijk sorteerde Engeland het meeste effect met zijn propaganda. Het wist de neutrale landen werkelijk te beïnvloeden.

    Tegen 1917 was het patriottistisch enthousiasme waarmee de oorlog was begroet verdwenen. De beloofde bliksemoorlog was een uitputtingsslag geworden. Na de Slag aan de Somme, waar 420.000 Engelse soldaten het leven lieten - en een nog groter aantal Duitsers -, was er vrijwel geen Brits gezin dat nog al zijn zonen telde. De bevolking was oorlogsmoe en de kritiek op de oorlog groeide, terwijl de overwinning juist de inzet van de hele bevolking en alle nationale middelen vergde. Daarom was het nodig, zoals de schrijver Robert Graves het later uitdrukte, ‘to make the English hate the Germans as they had never hated anyone before’.

    Tot dan toe werd het propagandabeleid gecoördineerd door Charles Masterman, die invloedrijke kunstenaars zoals H.G. Wells wist te rekruteren. Masterman ging uit van het principe dat propaganda alleen effectief kon zijn als die steunde op feiten. Verzonnen verhalen zouden volgens hem de geloofwaardigheid van de overheid aantasten en als een boemerang terugkomen. Maar met het aantreden van David Lloyd George als minister-president in december 1916 werd het propagandabeleid op een nieuwe leest geschoeid.

    Volgens de nieuwe premier en zijn adviseur Robert Donald, hoofdredacteur van de Daily Chronicle, vroeg de situatie waarin het land verkeerde om een offensieve propaganda. Begin 1917 werd het Department of Information opgericht, waarin het bureau van Masterman werd geïncorporeerd. De druk nam toe om met spectaculair materiaal naar buiten te komen.

    Die kans deed zich een paar weken later voor. In een Belgische krant stond op 1 april 1917 het bericht dat in Nederland een wagon vol dode Duitse soldaten was aangetroffen. De trein had de bestemming Luik gehad, waar de lijken tot zeep zouden worden verwerkt. Per ongeluk was de trein echter in Nederland terechtgekomen. Kort daarop verstrekte het Office Belge, een kantoor in Den Haag van de gevluchte Belgische regering, een uitvoerig communiqué aan de pers over een fabriek in het Duitse plaatsje Gerolstein, waar een dergelijke lijkenverwerking plaatsvond. Tot in detail werd hierin beschreven hoe de lijken aan een ketting met grote haken gedesinfecteerd en gedroogd werden, en vervolgens in een oven met stoom werden behandeld en in stukken gebroken.
     

    Opzettelijk verkeerd vertaald

    Het communiqué van het Office Belge werd door de Nederlandse pers genegeerd, maar door Belgische kranten overgenomen, compleet met alle weerzinwekkende details. Ook de emigrantenkrant L’Indépendance Belge, die in Londen verscheen, plaatste het communiqué op 10 april 1917. Hoewel het verhaal over de lijkenverwerking de aandacht had van alle bij de Britse propaganda betrokken partijen, namen Engelse kranten het niet meteen over. Dat gebeurde pas toen wakkere geesten een reisverslag in een Berlijnse krant tegenkwamen, dat als aanvullend ‘bewijs’ kon dienen.

    In de Berliner Lokalanzeiger stond, eveneens op 10 april, een verslag van een reis die correspondent Karl Rosner had gemaakt naar het front ten noorden van Reims. De Lokalanzeiger was een gevestigde, aan de regering gelieerde krant en Rosner was een bekende Oostenrijkse journalist, die het vertrouwen genoot van de Duitse keizer. Ergens in zijn reportage maakte hij melding van een ‘Kadaverwertungsanstalt’ in Evergnicourt, die hij al van ver kon ruiken. In een enkele zin beschreef Rosner dat hier uit kadavers verkregen vet tot smeerolie werd verwerkt en dat beenderen vermalen werden tot een pulver dat gebruikt werd voor varkensvoedsel en kunstmest.

    Verwerking van dieren tot nuttige producten was een over de hele wereld toegepast procedé, waar niets opzienbarends aan was. Daarom beschreef Rosner de fabriek ook zonder schroom in zijn reportage; hij wist dat de lezer begreep dat hier de kadavers werden verwerkt van aan het front gesneuvelde legerpaarden. De Engelse propagandisten, die op deze alinea in de reportage van Rosner stuitten, moeten zich gerealiseerd hebben hoeveel schade ze de Duitsers konden berokkenen door het woord Kadaver verkeerd te vertalen als corpse in plaats van carcass.

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen