• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 9/2015

    Willem I en de Algemene Rekenkamer

    Toen Willem I in 1813 aantrad, kreeg Nederland een algemene rekenkamer. Het was de bedoeling dat die een ‘onbenevelde kennis’ opleverde van ’s lands financiën. In werkelijkheid was de Rekenkamer vooral loyaal aan de koning. Een machtsvacuüm en wanorde dreigden toen de Franse bezettingstroepen in november 1813 vertrokken uit Nederland. Om dat te voorkomen vormde de conservatieve politicus Gijsbert Karel graaf van Hogendorp met een select gezelschap een Voorlopig Bewind. Ze noemden het zelf ‘een Bestuur tot redding van het vaderland’, bedoeld om ‘regeringsloosheid’ te voorkomen. Prins Willem Frederik, op dat moment in ballingschap in Londen, werd uitgenodigd om terug te keren naar het vaderland om daar te worden uitgeroepen tot ‘hooge overheid’. Ondertussen probeerden Van Hogendorp en de zijnen met spoed een effectief bestuur op poten te zetten. Daarbij hoorde een deugdelijk toezicht op de financiën. Daarom werd al op 30 november 1813 besloten tot de oprichting van een ‘Rekenkamer der Vereenigde Nederlanden’. Maar op dat moment moest er erg veel worden geregeld. Het besluit tot oprichting van een rekenkamer werd vergeten. De commissie die een nieuwe grondwet voorbereidde, kwam er op het allerlaatst achter. Snel werd nog een artikel toegevoegd met de nogal algemene tekst: ‘Er zal eene algemeene Rekenkamer zijn.’ De tot ‘hooge overheid’ uitgeroepen prins van Oranje werd al snel koning Willem I. Hij was een monarch die volksinspraak maar lastig vond. In veel opzichten gedroeg hij zich als een absolute heerser. Willem I wilde vorst, minister-president en opperambtenaar tegelijkertijd zijn. Hij toonde een obsessieve belangstelling voor details, begon aan veel zonder alles af te maken en schoof eerder gewaardeerde adviezen en functionarissen soms makkelijk aan de kant.

    Willem I wilde vorst, minister-president en opperambtenaar tegelijk zijn

    Ook de leiding van de Rekenkamer was sterk afhankelijk van Willems luimen. De president van het orgaan werd om de drie maanden door de vorst benoemd. Daarna was hij wel herbenoembaar, maar het moge duidelijk zijn dat degenen die het in de ogen van de koning hadden verbruid daar geen kans op maakten. Willem I bijsturen was moeilijk. De monarch hield niet van tegenspraak. Het nieuwe koninkrijk stond er financieel slecht voor. Van haar voorgangers erfde de regering een gigantische staatsschuld. Nederland had voor 1,7 miljard gulden aan leningen uitstaan. De helft van de rijksinkomsten ging linea recta naar rentebetalingen. Van aflossingen was nog niet eens sprake. Het zorgde ook voor extra verdeeldheid. In het zuidelijke deel van het koninkrijk hadden ze toch al het gevoel aan de leiband van Holland te lopen. Nu draaiden ze ook nog eens op voor de tekorten daar. Omdat gewestelijke schulden plots een nationale schuld werden, moest iedereen mee betalen. In het latere België werd vanwege de toegenomen belastingdruk geklaagd over ‘de broedermoord door de noordelijken’. Terecht. Het Noorden was goed voor 95 procent van de gemaakte schulden. De Rekenkamer luisterde naar de koning. Gecontroleerde en vastgestelde rekeningen werden naar hem en alleen naar hem gestuurd. Hetzelfde gold voor gevraagde en ongevraagde adviezen. Direct of indirect contact tussen Rekenkamer en parlement was uit den boze. Als er verslag van de financiële situatie werd gedaan aan de volksvertegenwoordiging, gebeurde dat alleen op initiatief van de vorst zelf. Het commentaar van de Rekenkamer zat daar nooit bij. Aanvankelijk viel de aan de begroting in twee delen uiteen. De koning wilde een langetermijnbeleid kunnen uitzetten en daarbij niet afhankelijk zijn van de dagkoersen in het parlement. Dus was het voorstel om de vaste kosten van de staat eens en voor altijd vast te stellen en op dezelfde manier om te gaan met de dekking daarvan. Buitengewone uitgaven - bijvoorbeeld als gevolg van oorlogen of andere niet te voorziene omstandigheden - zouden wel elk jaar worden voorgelegd.

    De koning had een inkomen van 2,4 miljoen gulden per jaar

    Op aandrang van vertegenwoordigers uit het zuiden van het nieuwe koninkrijk werd besloten dat de volksvertegenwoordiging niet in één keer voor altijd met de begroting voor vaste kosten hoefde in te stemmen, maar eens in de tien jaar zou worden geraadpleegd. Het budgetrecht van het parlement stelde weinig voor. Bij begrotingsbehandelingen stond in de stukken per departement slechts één bedrag, soms met een summiere toelichting in de bijlage. Alle begrotingsuitgaven waren te vinden in één enkele wet en omdat de Tweede Kamer nog niet het recht had om amendementen in te dienen, kon er slechts ja of nee worden gezegd. Verwerping van de begroting was een des te grotere stap omdat ministeriële verantwoordelijkheid ontbrak. Een nee werd daarmee meteen een motie van wantrouwen tegen de koning. En die kon de Kamer ook zomaar ontbinden. Het fenomeen rekenkamer was niet nieuw. De Griekse wijsgeer Aristoteles wees al in de vierde eeuw voor Christus op het belang van een zeker georganiseerd wantrouwen binnen het systeem van een staat. Tegenover elke overheidsinstantie die publiek geld uitgaf hoorde een instantie te staan die daar controle op uitoefende, vond hij. In het eerste deel van Middeleeuwen werd dat soort raad nog in de wind geslagen. Feodale heersers konden hun stand ophouden dankzij inkomsten uit hun domeinen. Van een scheiding tussen publieke en privéfinanciën was nog geen sprake. In Napels, Engeland en Frankrijk werden de eerste stappen gezet op weg naar iets meer scheiding en systematiek. Het hertogdom Bourgondië begon met een rekenkamer in Dijon (1386). In de decennia daarna volgden rekenkamers in Rijssel (Lille) en Brussel. Nadat Holland en Zeeland in 1428 onder Bourgondisch beheer waren gekomen, probeerde Filips de Goede ook financieel grip te krijgen op deze gebieden. Die taak droeg hij op aan twee leden van de centrale hertogelijke raad, die ook als rekenmeester actief waren in Rijssel en Brussel. In 1448 kreeg Den Haag een afzonderlijke rekenkamer. Tussen 1463 en 1477 wilde Bourgondië een centraal controleorgaan voor alle noordelijke gebieden; daarna kwam er weer meer gewestelijke autonomie met een rekenkamer voor Holland, Zeeland en Friesland, gevestigd in Den Haag. Financiële spanning tussen het grote rijk en de afzonderlijke delen daarvan droeg onder de Habsburgers bij aan het ontstaan van de Nederlandse Opstand. Eenmaal op eigen benen liet de Republiek het financieel beheer aanvankelijk vooral over aan de Raad van State, toen nog een soort ministerraad. En later de Staten-Generaal, maar in 1607 werd besloten dat er een afzonderlijk instituut bij moest komen. Dat werd de Generaliteitsrekenkamer. Die moest functioneren ‘tot dienste der Verenigde Landen, weghneminge van alle wantrouwen, invoeringe van liefde, vriendtschap, ende goedt betrouwen onder de respective Vereenighde Provincien’. Dat lukte in de bijna twee eeuwen die volgden heel behoorlijk. Het scherpe toezicht van de Generaliteitsrekenkamer droeg mede bij aan het succes van de Republiek. In de oude situatie stonden de controleurs geheel en al ten dienste van de feodale heerser. Dat was nu heel anders. De generaliteit had geen eigen inkomsten. Haar geld moest komen van de provincies en de generaliteitslanden. In ruil voor die vaak knarsetandend verleende bijdragen werd inspraak geëist. Daarom rapporteerde de Rekenkamer nieuwe stijl aan de Staten-Generaal. De gewesten betaalden het instituut en benoemden de leden; elke provincie had er twee. In de Franse tijd was het gedaan met de Generaliteitsrekenkamer. De taak ervan werd overgenomen door de Commissarissen van de Nationale Rekening, later door de Nationale Rekenkamer en het Hof van Rekeningen. De naamgeving geeft al aan wat de beoogde verandering was. De Fransen streefden een eenheidsstaat na. Wat Parijs betreft bleef de inspraak van de landsdelen en de gebieden daar weer binnen beperkt. Het nieuwe controleorgaan rapporteerde net als in Bourgondische tijden bij voorkeur aan de regering en niet aan de Staten-Generaal. In de praktijk bleek het vaak nog lastig om door de diep ingesleten macht van de gewesten heen te breken, en ook koning Lodewijk Napoleon probeerde tot afgrijzen van zijn broer, de Franse keizer, een behoorlijk zelfstandige koers te varen. Naarmate de jaren vorderden, trok Parijs de teugels steeds strakker aan. Zelfs rekenkamerachtig toezicht op Nederlandse uitgaven werd toen deels aan de boorden van de Seine uitgeoefend.

    Nederland kampte met een financieringstekort van 33 procent

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen