Home Dossiers Negentiende eeuw Westers of Aziatisch?

Westers of Aziatisch?

  • Gepubliceerd op: 24 augustus 2022
  • Laatste update 08 nov 2022
  • Auteur:
    Koen Vossen
  • 12 minuten leestijd
Westers of Aziatisch?
Cover van
Dossier Negentiende eeuw Bekijk dossier

In hoog tempo nam Japan in de tweede helft van de negentiende eeuw alles wat westers was over. Het kreeg wolkenkrabbers,  boulevards, lichtreclames, taxi’s, trams en treinen. Maar het vond geen politieke aansluiting bij het Westen. Nationalisten zagen daarin hun gelijk bevestigd: Japan moest terug naar vroeger.

Geen land in de moderne geschiedenis maakte in korte tijd zo’n dramatische transformatie door als Japan. Het begon in 1853. In dat jaar had de Amerikaanse admiraal Matthew Perry op last van het Witte Huis de Japanners min of meer gedwongen hun land open te stellen voor buitenlandse handel. Twee eeuwen lang was het Land van de Rijzende Zon vrijwel hermetisch afgesloten geweest voor buitenlanders. Met uitzondering dan van de kleine Nederlandse handelspost op Deshima, een artificieel, twee voetbalvelden groot eilandje in de baai van Nagasaki.

Het Japan dat Perry aantrof was na deze eeuwen van isolement een exotisch, bijna mythologisch land met geheel eigen gebruiken en regels, een uitgebreid verfijnd ceremonieel en een voor westerlingen nauwelijks te begrijpen standenstructuur. De keizer stond als een soort orakel bovenaan, maar de wereldlijke macht was in handen van de shogun, de adellijke opperheerser, lokale landheren (de daimio) en de samoerai, de gewapende ridders met hun beroemde haarknot, pantserkleding en imposante zwaarden. Daaronder bevond zich de grote massa van Japanse boeren, vissers en ambachtslieden met hun strooien mantels, eenvoudige yukata-kimono’s en traditionele rijsthoeden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In navolging van de Amerikanen stuurde ook de Nederlandse regering in 1854 een handelsdelegatie naar Japan onder leiding van marineofficier Gerhardus Fabius. Tijdens zijn drie reizen naar Japan, in 1854, 1855 en 1856, dacht Fabius niet alleen aan handel. Op het eiland Deshima ontving hij honderden Japanners om hun onderricht te geven in werktuigkunde, navigatie, telegrafie en artilleriegebruik. Namens de Nederlandse regering schonk hij het schip de Soembing en een elektromagnetische telegraaf aan de gouverneur-generaal van Nagasaki. Als dank werd Fabius geridderd met twee traditionele eresabels, een eer die nog nooit een buitenlander ten deel was gevallen.

Japans handelsschip, schilderij door Utagawa Sadahide, 1861.

Zelf had Fabius grote verwachtingen van wat hij als zijn tweede vaderland ging beschouwen. ‘Japan gaat naar het mij voorkomt met snelle schreden groote gebeurtenissen tegemoet. Gebeurtenissen die zoowel op dit rijk met meer dan dertig millioenen inwoners als op andere gewesten eene groote invloed zullen uitoefenen,’ zo noteerde hij bij zijn vertrek.

Grote snelheid

Het bleken profetische woorden. Toen zijn achterneef, de journalist Jan Fabius, op 22 april 1934 in Kobe arriveerde, trof hij een heel ander land aan dan zijn oudoom. ‘Grote in moderne stijl opgetrokken gebouwen, silo’s van geweldige afmetingen, brede wegen en enorme hijskranen, het typische beeld van elke grote Europese haven,’ noteerde hij bij aankomst in de Japanse havenstad.

Van een agrarische, geïsoleerde en feodale samenleving had Japan zich binnen één generatie opgewerkt tot een hypermoderne industriële en militaire grootmacht die zich kon meten met West-Europa en de Verenigde Staten. In 1854 hadden de Japanners nog met open mond de door Matthew Perry meegenomen miniatuurstoomlocomotief bewonderd, in 1934 zoefde Jan Fabius in een uiterst comfortabele trein met grote snelheid van Kobe via Osaka en Yokohama naar miljoenenstad Tokyo.

’s Avonds stapte hij uit bij het Centraal Station van Tokyo, dat zich bevond in het zakendistrict Marunouchi, op dat moment misschien wel het technologisch meest geavanceerde stukje aarde. Na een enorme aardbeving in 1923, waarbij grote delen van Tokyo en buurstad Yokohama in de as waren gelegd en meer dan 100.000 inwoners waren overleden, was dit zakendistrict opgebouwd volgens de modernste stedenbouwkundige inzichten. Met zijn brede boulevards, wolkenkrabbers, overdadige lichtreclames, elektrische trams en duizenden taxi’s deed de wijk Fabius denken aan Metropolis, de futuristisch stad uit de gelijknamige film van Fritz Lang uit 1927.

Met open mond liep hij door Ginza, het uitgaansgebied vol jazzbars en bioscooppaleizen, tussen de massa’s rondslenterende zakenlieden en kantoorbedienden in hun ‘smetteloze witte pakken’ en kleine vrouwen in fleurige kimono’s. Hij nam zijn intrek in het Imperial Hotel, een spectaculair gebouw van de Amerikaanse sterarchitect Frank Lloyd Wright, dat met zijn excentrieke bakstenen torentjes, zandbetonnen ornamenten en grillige vormen bijna buitenaards aandeed. Hoe had Japan in de korte tijd tussen het bezoek van Gerhardus en Jan Fabius zo kunnen veranderen? Welke krachten waren hier aan het werk geweest?

Mystieke kern

De razendsnelle modernisering van Japan was bovenal ingegeven door de angst om hetzelfde lot te ondergaan als veel andere Aziatische landen: kolonisatie door een westerse mogendheid. Om zichzelf te kunnen blijven moest Japan veranderen. Of zoals de nationale mentor Fukuzawa Yukichi het formuleerde: ‘Op het ogenblik is de enige plicht van de Japanners de unieke nationale identiteit veilig te stellen.’

Om zichzelf te blijven moest Japan veranderen

Dit besef drong vooral door toen in 1868 de 16-jarige keizer Mutsuhito aan de macht kwam. Na zijn overlijden in 1912 kreeg hij met terugwerkende kracht de erenaam Meiji, ofwel de ‘Verlichte’ of ‘Heldere’. Het meest verlichte aan Meiji was waarschijnlijk dat hij zijn eigen beperkingen onderkende en het praktische regeren daarom overliet aan een groep aristocraten, de genro. Velen van hen hadden, onder meer door studiereizen naar Europa en de Verenigde Staten, grondig studie gemaakt van het westerse politieke systeem en daaruit vergaande conclusies getrokken. Ze maakten korte metten met het semi-feodale stelsel en de bestuurlijke versnippering. Ze vormden Japan om tot een uniforme eenheidsstaat met een modern belastingsysteem, een nationale munt, een parlement en een grondwet, waarin de rechten en plichten van alle Japanners waren vastgelegd. Daartoe behoorde sinds 1872 een leerplicht (dertig jaar eerder dan in Nederland) en vanaf 1877 ook een algemene dienstplicht. Onder het credo ‘Rijk land, sterke strijdkrachten’ werden school en kazerne de hoekstenen van het nieuwe Japan.

Militaire parade in Aoyane, schilderij door Utagawa Kunisada, 1889.

Dit rationele politieke systeem draaide wel om een uiterst mystieke kern: Japan als een uitverkoren natie onder leiding van een almachtige keizer, die direct zou afstammen van God. Als ‘kinderen van de Zon’ werden alle Japanners geacht om zich tot het uiterste in te spannen om de grootsheid van het keizerrijk te bevorderen. Iedere ware Japanner diende volgens de onderwijswet een sterk nationaal plichtsbesef te hebben ‘waardoor hij zijn leven geringschat als stof, vol vuur aanrukt en bereid is zichzelf omwille van de natie op te offeren’.

Alle westerse kennis die gebruikt kon worden om Japan op te stuwen in de vaart der volkeren verdiende grondige studie; duizenden Japanse studenten vertrokken daarom naar buitenlandse universiteiten om gewapend met de modernste wetenschappelijke inzichten en technologische kennis terug te keren. De staat nam tegelijkertijd het voortouw in de industrialisering van het land, onder meer door de aanleg van een modern spoornetwerk – in 1900 al 10.000 kilometer lang – en de oprichting van industriële staatsbedrijven. Japanse fabrieken produceerden de twee grootste stoomschepen ter wereld. Het verarmde platteland leverde een groot reservoir aan arbeiders die zonder veel morren bereid waren dagelijks voor keizer en vaderland tien tot twaalf uur te werken.

Voor keizer en vaderland wilden arbeiders tien tot twaalf uur per dag werken

Een andere les die uit het Westen was overgenomen, was dat een modern industrieel land koloniën nodig had voor de levering van grondstoffen en als mogelijke afzetmarkt. Met zijn superieure vloot en leger versloeg Japan in 1894-1895 allereerst het Chinese Keizerrijk, waarna in 1904-1905 zelfs het tsaristische Rusland eraan moest geloven. Vooral die laatste overwinning maakte bijzonder veel indruk, omdat het de eerste maal was dat een niet-westers land een Europees land had verslagen.

Vernederingen

Aan het einde van de Meiji-periode in 1912 gold Japan als een industriële en militaire grootmacht met tal van koloniën en concessies in heel Oost-Azië, zoals Korea, Taiwan en het Chinese schiereiland Liadong. De Eerste Wereldoorlog gaf de Japanse economie een flinke impuls: het land profiteerde ervan dat de Europese handel met Azië was stilgevallen en kon volop oorlogsmaterieel leveren. De industriële productie vervijfvoudigde in deze jaren. Omdat Japan daarnaast hand- en spandiensten had geleverd aan de geallieerde overwinnaars hoopte het te delen in de oorlogsbuit. Dat viel tegen. De Japanners kregen slechts enkele tamelijk onbeduidende Duitse koloniën in Oost-Azië toebedeeld. Ook werd het Japanse voorstel verworpen om een principiële gelijkberechtiging van alle rassen op te nemen in het internationale recht. Bovendien moest Japan accepteren dat zijn vloot slechts half zo groot mocht zijn als de Britse en Amerikaanse.

Hoezeer de Japanners ook hun best hadden gedaan, duidelijk werd dat de westerse mogendheden hen nooit als gelijkwaardige partners zouden beschouwen, om de simpele reden dat zij geen Europees, maar een Aziatisch volk waren. Deze buitenlands-politieke tegenvallers vielen uitgerekend in een periode dat het land begon te democratiseren – in 1925 werd zelfs het algemeen mannenkiesrecht aanvaard – en de arbeidersbeweging zich meer begon te roeren. Daarnaast kwam een meer hedonistische, westerse levenswijze op onder jongeren, met modieus geklede, rokende mobo’s (modern boys) en frivole, lipstick dragende moga’s (modern girls).

Moga’s, modern girls, gekleed in westerse ‘pyjama-stijl’, 1928.

Nationalisten zagen de buitenlands-politieke vernederingen als het verdiende loon voor de kritiekloze imitatie van de westerse cultuur ten koste van de eigen superieure Japanse cultuur. Zelfs de zware aardbeving van 1923 en de economische crisis van 1929 golden er als goddelijke waarschuwingen aan een volk dat het spoor bijster was. Japan moest terug naar zijn wortels, terug naar de pioniersmentaliteit van de Meiji-periode en de onverschrokken strijdbaarheid van de samoerai.

Vooral in het leger wemelde het van geheime, mystieke nationalistische clubjes met fraaie namen als het Genootschap van de Zwarte Draak, de Vereniging van de Kersenbloesem en het Bloedverbond. Allen wilden de on-Japanse democratie afschaffen en vervangen door een soort militaristische theocratie, waarin een heilig verbond gold tussen het leger en keizer Hirohito, de verlegen en kippige kleinzoon van Meiji. Om de keizer van dienst te zijn probeerden leden van deze genootschappen de democratie en samenleving te ontwrichten met moordaanslagen op prominente politici en zakenlieden die westers gezind en dus anti-Japans heetten te zijn. Ook bezette een groep Japanse militairen, die in China gelegerd waren, in de herfst van 1931 de Chinese provincie Mantsjoerije, zogenaamd in de geest van de keizer. Noch de Japanse regering, noch de keizer of zijn raadgevers hadden hiertoe opdracht gegeven.

Nationalisten pleegden aanslagen om de democratie te ontwrichten

Zo kwam Jan Fabius, net als zijn oudoom in 1856, in 1934 aan in een Japan dat op een kruispunt stond. Zouden de westerse, democratische krachten overeind blijven of won het xenofobe, antidemocratische nationalisme verder terrein? We weten nu dat het laatste het geval zou zijn. Opgejut door activistische, nationalistische officieren kwam Japan in de jaren dertig in steeds radicaler vaarwater terecht. Nadat in 1937-1938 grote delen van China werden ingenomen, volgde in 1941-1942 een veroveringsoorlog in Oost-Azië en de Pacific. Met als westers antwoord de verwoestende atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

 

Koen Vossen is historicus, publicist en docent politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

 

Verbazing en racisme

De Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905) was een gevolg van de botsende expansiedrang van het tsaristische Rusland en het Keizerrijk Japan in het noordoosten van China. Rusland was op zoek naar een warmwaterhaven en dacht deze gevonden te hebben in Port Arthur, op het Chinese schiereiland Liadong, terwijl Japan zijn zinnen had gezet op Korea en Mantsjoerije, dat voor een deel door Rusland werd gecontroleerd. De oorlog liep uit op een duidelijke overwinning van Japan, zowel te land als op zee.

In mei 1905 troffen de Russische mariniers de Japanse vloot onder leiding van admiraal Togo in de Straat van Tsushima. Togo wist met een aantal verrassende manoeuvres vrijwel de gehele Russische vloot te vernietigen. Het was de beslissende slag. De westerse pers nam de overwinning met een mengeling van verbazing en onverholen racisme voor kennisgeving aan. ‘’t Kleine gele, scheefogige dwergenvolk doet ’t toch maar’, zo heette het bijvoorbeeld in de Haagsche Courant. In het Verenigd Koninkrijk was er meer waardering voor de prestaties van de Japanners: admiraal Togo kreeg er tal van koninklijke onderscheidingen.

Toppunt van smaak

In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond in Europa een Japan-rage. Het houtsnijwerk, de kalligrafie, de kimono’s, parasols en kamerschermen golden als het toppunt van smaak. Volgens velen bood de verfijnde eenvoud van de Japanse cultuur een prettig tegenwicht tegen de protserigheid die Europa op dat moment in zijn greep leek te hebben. Tal van Europese kunstenaars raakten geïnspireerd door ‘het japonisme’ – onder hen Vincent van Gogh. Hij schreef zijn broer Theo dat Japanse kunst ‘doet terugkeren naar de natuur, ondanks onze opvoeding en ons werk in een wereld vol conventies’. Enkele van zijn schilderijen, onder meer Les Courtisanes, waren sterk op Japanse voorbeelden geïnspireerd.

Ook schrijver Louis Couperus raakte verslingerd aan Japanse kunst en poëzie, omdat die een authentieker en eerlijker levensgevoel zouden weerspiegelen. Toen hij het land in 1922 bezocht, was hij teleurgesteld. De oosterse verfijndheid was in zijn ogen teloorgegaan door de westerse aspiraties van de Japanners. Het Japanse volk was daardoor ‘hybridisch geworden, een amfibie tussen Oosten en Westen’.

 

Meer weten

Modern Japan (2016) door Christopher Goto-Jones biedt een overzicht van de moderne Japanse geschiedenis.

De trage revolutie (1991) door Hans Righart (red.) bevat een analyse van de Japanse modernisering.

Gerhardus Fabius (1806-1888) (1999) biografie door Herman Stapelkamp.

Dai Nippon (1940) door Jan Fabius, over de vijf jaar dat hij in Japan woonde.

 

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 9 - 2022