De bronnen waarmee Ekirch ruim twintig jaar geleden zijn theorie onderbouwde, bewijzen niet dat het gebruikelijk was om de slaap op die manier te onderbreken. Zo schreef Erasmus in 1535 dat hij werkte terwijl hij wachtte op zijn ‘tweede slaap’, en Ekirch las dat als een aanwijzing voor het gespleten slaappatroon. Maar zestiger Erasmus werd indertijd gekweld door allerlei pijnen, die hem het slapen moeilijk maakten. Zijn opmerking leert ons dus weinig over algemeen slaapgedrag, stelt Boyce. En hetzelfde geldt volgens hem voor andere voorbeelden van Ekirch.
Openingsbeeld: Slapend meisje. Schilderij door Johannes Vermeer, 1657.
