• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 7/2022

    ‘We moeten anders over vrijheid denken’

    Interview met Annelien de Dijn

    Door: Teun Willemse

    Een vrije samenleving houdt tegenwoordig in dat de overheid zich zo min mogelijk met de burgers bemoeit. Maar volgens historicus Annelien de Dijn gold eeuwenlang een andere opvatting van vrijheid: een volk was vrij als het zichzelf regeerde. De Dijn pleit voor een terugkeer naar dat klassieke collectieve vrijheidsideaal. ‘Burgers moeten het gevoel hebben dat zij de wetten hebben opgesteld, in plaats van een klein clubje politici in achterkamertjes.’

    In 2021 schreef de Stichting Toekomstbeeld en Techniek een verkiezing uit voor de beste protestslogan van het jaar. De afgetekende winnaar: ‘Als een QR-code je vrijheid moet bewijzen ben je die kwijt.’ Het was een veelgehoord protest tijdens de coronacrisis: de maatregelen tasten onze vrijheid aan. Uit naam van die vrijheid demonstreerden boze burgers tegen lockdowns, QR-codes en mondkapjes. Ze eisten een wereld waarin de overheid de gewone man met rust laat.

    Deze individuele, liberale benadering van vrijheid is volgens Annelien de Dijn een relatief modern verschijnsel. Voor haar boek Vrijheid: een woelige geschiedenis deed ze tien jaar lang onderzoek naar de geschiedenis van het westerse vrijheidsdenken. Dat draaide oorspronkelijk niet om minimale staatsinterventie of bescherming van individuele rechten, concludeert ze. De oude Grieken zagen vrijheid juist als een collectief ideaal: een volk dat zichzelf bestuurde, was vrij. Dat klassieke vrijheidsconcept bleef eeuwenlang de norm, totdat er een radicale verschuiving plaatsvond. De Dijn schrijft die verandering niet toe aan hervormers van de Reformatie of verlichtingsdenkers, maar aan antidemocratische contrarevolutionairen uit de achttiende eeuw.

    Het vrijheidsbegrip werd volgens u geboren in het oude Athene. Zagen de Grieken hun wereld als the land of the free?
    ‘De oude Grieken vonden zichzelf het toppunt van vrijheid. Niet omdat ze mochten doen en laten wat ze wilden, maar omdat ze zichzelf bestuurden. Een gemeenschap van volwassen mannelijke burgers nam in Athene de collectieve beslissingen. Dit noem ik de democratische opvatting van vrijheid; het draait niet om het leven onder zo min mogelijk wetten, maar om het feit dat een volk zich die wetten zelf heeft gesteld, via een democratisch besluitvormingsproces. Vrijheid is volgens die opvatting niet de mate waarin je geregeerd wordt, maar de manier waarop.

    De Grieken vergeleken hun systeem vooral met dat van de Perzen, die alle belangrijke beslissingen door één man lieten nemen: de grote koning. Zo schreef de Griekse historicus Herodotus over een gesprek tussen twee Griekse gezanten en een Perzische satraap. Deze militaire bevelhebber bekleedde een hoog ambt in het Perzische Rijk, maar volgens de Grieken was hij toch een slaaf: “Als jouw koning zegt dat je moet springen, spring je.” De Grieken leefden ook volgens wetten, vertelden ze, maar dat waren wetten die ze zelf hadden gemaakt.

    ‘De oude Grieken vonden zichzelf het toppunt van vrijheid’

    Het klassieke idee van vrijheid van de Grieken en Romeinen werd een voorbeeld voor latere revolutionairen. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de beeldtaal bij de Atlantische Revoluties in de achttiende eeuw. In de Romeinse tijd was het vrijheidshoedje het symbool van vrijheid: als een Romeinse slaaf werd geëmancipeerd, kreeg hij een kegelvormig hoedje. Tijdens de Renaissance werd dat hoedje herontdekt als vrijheidssymbool; het is terug te zien op schilderijen. Franse revolutionairen begonnen de hoedjes zelf te dragen.’

    Maar bij de Grieken en Romeinen hadden vrouwen en slaven geen inspraak. Hadden tijdgenoten destijds ook al kritiek?
    ‘De dominante kritiek op het democratisch systeem was dat gewone burgers er het verstand niet voor hadden. Iemand die niet te spreken was over de democratie, was de Griekse filosoof Plato. In zijn Politeia schreef hij dat dit systeem tot chaos zou leiden. Een democratie zou een situatie opleveren waarin niemand nog gezag aanvaardt. Vrouwen zouden in opstand komen tegen hun mannen, slaven tegen hun meesters en ezels zelfs tegen hun ezeldrijvers. Het respect voor gezag zou in een democratie volledig verdwijnen.

    Gemarginaliseerde groepen gingen zich pas vanaf de negentiende en twintigste eeuw op het vrijheidsbegrip beroepen. Hun voorbeelden waren dan ook niet de Grieken en Romeinen, maar de achttiende-eeuwse revolutionairen. Feministische bewegingen vergeleken zich in de negentiende eeuw bijvoorbeeld expliciet met de Franse revolutionairen, en de vrijgemaakte slaaf Frederick Douglass beriep zich vaak op de symboliek van Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijders: “Wij willen de belofte van de Amerikaanse revolutie voor iedereen waarmaken.”’

    De Griekse demagoog Perikles spreekt zijn medeburgers toe. Schilderij door Philipp Foltz, circa 1852.

    Hoe keken de humanisten aan tegen de democratische ideeën van de Grieken en Romeinen?
    ‘Nadat ze geschiedschrijvers als Herodotus en Titus Livius hadden gelezen, kwamen de humanisten tot de conclusie dat de oude republieken anders werkten dan hun eigen vorstendommen. Vanaf de veertiende eeuw begon een aantal van hen te beargumenteren dat het klassieke regeringsmodel moest worden hersteld. Een van die humanisten was Machiavelli. We kennen hem vooral van zijn kleine boekje De vorst, maar hij schreef ook over vrijheid. Volgens Machiavelli imiteerden Italianen de Oudheid al in hun kunst en schrijfwerk, maar moesten ze ook de politiek uit die tijd in ere herstellen. Dat was volgens hem de enige manier waarop Italianen opnieuw vrij konden zijn.’

    Veranderde de opkomst van het christendom het westerse vrijheidsbegrip?
    ‘Er wordt vaak gezegd dat religie daarin een belangrijke rol speelde, maar het idee van christelijke vrijheid hangt op geen enkele manier samen met autoriteitsrelaties in de samenleving. De christelijke vrijheid is een spirituele vrijheid: als je oprecht in Christus gelooft ben je vrij, zelfs al word je onderdrukt. Bijbelteksten zijn wel gebruikt om de wereldlijke autoriteit aan te vallen, maar de belangrijkste bijdrage van het christendom in het denken over vrijheid is het spiritualiseren ervan. Dat had niets met bestaande machtsrelaties te maken. Kijk bijvoorbeeld naar de Reformatie: Maarten Luther schreef veel over vrijheid en vond het een belangrijk begrip, maar hij had het alleen over spirituele vrijheid. Volgens Luther was je vrij wanneer je als christen leefde, zelfs als je ondertussen een vorst moest gehoorzamen die een ketter was.’

    De Reformatie wordt vaak genoemd als een bepalend moment in ons vrijheidsdenken. Wat vindt u daarvan?
    ‘Historici noemen meestal de Reformatie als ze het hebben over de herkomst van de huidige liberale ideeën over vrijheid. Door de scheiding tussen Kerk en Staat zou er een nieuwe waardering voor de privésfeer zijn ontstaan, die beschermd moest worden tegen staatsinterventie. Een ander populair verhaal is dat het individualistische begrip van vrijheid tijdens de Verlichting ontstond. Met die stroming kwam het natuurrechtsdenken op: het idee dat mensen onvervreemdbare individuele rechten hebben. Vrij zijn betekende dat die natuurlijke rechten beschermd moesten worden, terwijl de overheid zich verder buiten het leven van burgers hield.

    Maar deze culturele omwentelingen hebben in werkelijkheid weinig tot geen impact gehad in ons denken over vrijheid. We moeten daarvoor niet naar protestantse hervormers of verlichtingsdenkers kijken, maar naar de contrarevolutionairen aan het eind van de achttiende eeuw.

    ‘Voor ons betekent vrijheid dat de overheid je niets oplegt’

    In die periode streden Amerikaanse en Franse bewegingen voor democratie. Zo wilden de jakobijnen in Frankrijk in naam van de vrijheid een democratie stichten. Dat riep een tegenbeweging op van mensen die niets in een democratisch systeem zagen. Deze contrarevolutionairen beargumenteerden dat een democratie in het beste geval niet tot vrijheid zou leiden, maar tot een tirannie van de meerderheid. De wil van de meerderheid zou de belangen van de minderheid onderdrukken. In het slechtste geval leidt een democratie tot totale chaos en anarchie. Om echt vrij te zijn, betoogden de antidemocraten, moeten we de vrijheid waarborgen door de staat de individuele rechten van burgers te laten beschermen.

    In de loop van de negentiende eeuw ontstond het idee dat vrijheid inhield dat je met zo min mogelijk overheidsinterventie leeft. Die manier van denken is in onze huidige samenleving dominant; als we het vandaag de dag over vrijheid hebben, gaat het meestal over de vrijheid om te doen wat je wilt, zonder dat de overheid je van alles oplegt. Dat is een duidelijke breuk met het klassieke idee van vrijheid.’

    Hoe keken de liberalen aan tegen vrijheid?
    ‘Zij wilden in tegenstelling tot de contrarevolutionairen niet terug naar een ancien régime of autoritaire vorst; ze waren voorstanders van parlementaire stelsels. De parlementaire regimes die de liberalen voor ogen hadden waren echter niet democratisch, maar elitair. Toen de liberalen in 1830 aan de macht kwamen in Frankrijk, voerden ze een systeem in waarbij slechts 1 à 2 procent van de mannelijke bevolking stemrecht kreeg. Frankrijk werd in feite een oligarchie, maar de liberalen noemden dit échte vrijheid. Er was immers geen sprake meer van vorstelijk absolutisme; er was een rechtsstaat die de vrijheid garandeerde.

    Voor liberalen als Johan Rudolf Thorbecke betekent vrijheid vooral dat de overheid individuele rechten garandeert.

    In de eeuwen daarna bleef dit een belangrijk thema in het liberaal discours: het is niet de democratie die ons vrij maakt, maar de bescherming van individuele rechten − in het bijzonder het recht op eigendom. De liberalen bleven dit benadrukken in hun verzet tegen opkomende socialistische bewegingen en de welvaartsstaat, die zij als een bedreiging van de vrijheid zagen.’

    De socialistische bewegingen wilden toch wel een sterke staat?
    ‘Ze zetten zich af tegen de liberale claim van minimale overheidsinterventie. In feite zetten ze daarmee de revolutionaire traditie en ideeën voort: vrijheid kun je niet afmeten aan een kleinere staat, maar aan de mate waarin je democratische controle kunt uitoefenen over die staat. De socialisten deden bovendien een nieuwe uitspraak: vrijheid betekent ook dat er democratische controle moet zijn over de economische sfeer. In hun discours verschilden de socialisten dus van de achttiende-eeuwse revolutionairen, maar ze beriepen zich in wezen op hetzelfde vrijheidsbegrip. Onder invloed van de Koude Oorlog werd het liberale vrijheidsdenken uiteindelijk bepalend.’

    Leven wij nog steeds met dat vrijheidsbegrip?
    ‘Tijdens de Koude Oorlog werd het vrijheidsdenken dominant dat historicus Isaiah Berlin “het negatieve beeld van vrijheid” noemt: het leven zonder wetten. De retoriek in de Koude Oorlog ging over een tegenstelling tussen de totalitaire staat in het oosten, waar de overheid tot in alle hoeken van de samenleving doordrong, en het vrije Westen, waarin de overheid de samenleving vrijliet. De liberale boodschap werd na de Tweede Wereldoorlog dominant omdat die werd afgezet tegen het communisme.’

    Door de oorlog in Oekraïne dreigen we opnieuw in een Koude Oorlog te belanden. Versterkt dat ons liberale idee van vrijheid?
    ‘Als het conflict in Oekraïne tot een nieuwe Koude Oorlog leidt, denk ik dat dit de liberale manier van denken over vrijheid juist zal ondermijnen. De huidige tegenstelling tussen het Rusland van Poetin en de West-Europese landen is anders dan die in de Koude Oorlog. Het gaat nu niet over een totalitaire staat tegenover het vrije Westen, maar over een dictatoriaal regime tegenover een democratisch systeem.’

    Strijdt Oekraïne voor het klassieke vrijheidsideaal?
    ‘Dat vind ik wel. Oekraïne vecht duidelijk voor zijn soevereiniteit als land, maar ook voor democratie. Een belangrijke reden dat de Oekraïners zo boos zijn over de Russische poging hun land te bezetten, is dat zij geen zin hebben om naar het pijpen van een man als Poetin te dansen. Dat grijpt terug op het vrijheidsideaal van de oude Grieken: het gaat erom dat een volk zichzelf regeert. De Oekraïense democratie is misschien niet perfect, maar Zelenski zit op zijn plek omdat hij op een vrije manier is verkozen. De Oekraïners nemen geen genoegen met de mannetjes die Poetin uitzoekt, ze willen hun eigen bestuur kiezen.’

    ‘Oekraïners willen geen mannetjes van Poetin; ze willen zelf hun bestuur kiezen’

    Hoe staat u tegenover het individuele vrijheidsdenken in het Westen?
    ‘Ik betreur het dat we van het democratisch vrijheidsbegrip naar een individualistisch, liberaal vrijheidsconcept zijn afgegleden. Met onze huidige manier van denken geven we politici die tegen collectieve oplossingen zijn een wapen in handen. Die zien er geen heil in dat we de macht van de staat gebruiken om bepaalde vraagstukken op te lossen, terwijl sommige problemen wel om collectieve antwoorden vragen. Een simpel voorbeeld: roken op publieke plaatsen. Tegenstanders beriepen zich op het vrijheidsbegrip om de wetgeving hierover te bestrijden. Maar als je roept dat alles wat de staat doet je vrijheid bedreigt, kun je dit soort problemen niet aanpakken. Het rookverbod is een klein voorbeeld, maar er zijn ook grote problemen die de overheid collectief moet oplossen. Denk bijvoorbeeld aan de coronacrisis en de klimaatcrisis. Problemen van die omvang kunnen we alleen oplossen door de macht van de staat erop te zetten.

    De overheid moet slagvaardig zijn, maar wel onder ons collectieve zelfbestuur blijven staan. Een van de belangrijkste aspecten van dat zelfbestuur is het kiezen van volksvertegenwoordigers. Wij verkiezen hen om de uitvoerende macht in de gaten te houden en ervoor te zorgen dat wat de overheid doet in het belang is van gewone burgers. Maar er zijn ook andere manieren om controle uit te oefenen: het recht op demonstreren en het recht om de overheid aan te klagen.’

    Dat klinkt als een systeem dat Nederland al heeft.
    ‘De Nederlandse democratie functioneert volgens mij vrij goed, al is het absoluut problematisch wat er in de hoofden gebeurt van bestuurders die misschien al te lang op hun plaats zitten. Ook dat laat zien waarom het belangrijk is om een democratie te hebben: als iemand te lang aan de macht is, begint hij of zij te denken alles beter te weten. Dat zie je in de geschiedenis steeds gebeuren: macht corrumpeert. Zelfs mensen die met de beste bedoelingen de politiek in gaan, raken uiteindelijk vervreemd van de rest van de bevolking.

    Ik maak me dus niet veel zorgen over de Nederlandse democratie, maar wel over de situatie in de Verenigde Staten. Daar loopt het helemaal fout. Amerika heeft een systeem waar veel te veel blokkeringsmechanismes zijn ingebouwd. Het is voor Amerikaanse geprivilegieerde minderheden, of dat nu om extreem conservatieve christenen of oligarchen gaat, veel te makkelijk om elk besluitvormingsproces lam te leggen. Elementen in het Amerikaanse politieke systeem die ooit zijn ingevoerd om de tirannie van de meerderheid te voorkomen, zijn nu zo sterk dat er sprake is van een tirannie van de minderheid.’

    Heeft de Amerikaanse elite het vrijheidsidee gekaapt?
    ‘Ja, zij gebruiken vrijheid in politieke discussies steeds als principiëel argument. Bij het tegenhouden van strengere wapenwetten is het hun naar eigen zeggen niet te doen om de winst van de wapenverkoop, maar om de persoonlijke vrijheid om een wapen te dragen. Het is ook onbegrijpelijk dat Amerika er niet in slaagt zijn zorgsysteem op orde te brengen. Het land heeft een van de meest inefficiënte zorgsystemen ter wereld, en slaagt er door die historische blokkeringsmechanismes niet in om dat aan te pakken. De focus van Amerikanen op hun constitutional rights maakt hun systeem veel te weinig responsief aan wat de meerderheid van de bevolking wil. Dat heeft allerlei averechtse gevolgen: het vertrouwen in de politiek daalt en burgers gaan niet meer naar de stembus. Amerika heeft nu een van de laagste verkiezingsopkomsten van alle westerse landen.’

    Vrijheidsmars tegen coronamaatregelen in Rotterdam, 6 februari 2022.

    Verkeert de vrijheid in het Westen in een crisis?
    ‘Het wordt hoog tijd dat we op een andere manier over vrijheid gaan denken. Vrijheid is een belangrijk ideaal en dat moet het blijven, maar we moeten grondig nadenken wat we er precies mee bedoelen. Tijdens de coronacrisis discussieerden we wel over de grenzen van individuele vrijheid, maar we moeten het vrijheidsbegrip radicaler herdenken dan dat. We moeten ons het democratische vrijheidsbegrip gaan herinneren. Het moet niet meer over het aantal regels en restricties gaan; de hamvraag moet zijn of we die regels via de juiste democratische procedures hebben opgesteld. Hebben burgers het gevoel dat zij de wetten maken, in plaats van een klein clubje politici in achterkamertjes?’

    Maar hoe voorkomen we dat een sterkere overheid ontaardt in totalitarisme?
    ‘Het verschil tussen ons systeem en de totalitaire systemen van vroeger en nu is dat er voor ons een manier is om zaken te agenderen die wij als onrechtvaardig ervaren. Wij mogen ons organiseren, en pas als een groep er niet in slaagt om via de democratische weg – via demonstraties, krantenartikelen of het mobiliseren van volksvertegenwoordigers – de rest van de bevolking te overtuigen, moet die groep zich erbij neerleggen. Het is dus extreem belangrijk dat je als burger de mogelijkheid hebt om onrechtvaardigheden aan te kaarten.

    Dat is bijvoorbeeld het grote verschil met China, dat geen democratie heeft, maar eerder een oligarchie of dictatoriaal regime. De Communistische Partij besloot tijdens de coronacrisis een zero-covid-policy in te voeren. Dat blijkt nu een doodlopend spoor, maar ze willen er niet van afwijken. Er is geen enkele mogelijkheid om de Chinese koers bottom-up te veranderen. Dat is wat er gebeurt als je wel een sterke overheid hebt, maar geen democratische controle over die overheid.

    De opkomst van autoritaire regimes laat zien waarom we niet zomaar het kind met het badwater mogen weggooien. Vrijheid wordt momenteel vooral gebruikt om egoïstische belangen te verdedigen, maar dat mag voor ons geen reden zijn om het niet meer over vrijheid te hebben. We moeten erover praten en ons bewust worden van de oude, democratische traditie van vrijheid.’

    Teun Willemse is redacteur van Historisch Nieuwsblad.

    Annelien de Dijn

    (1977) is hoogleraar moderne politieke geschiedenis en voorzitter van de afdeling Politieke Geschiedenis van de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek richt zich op de geschiedenis van het politieke denken in Europa en de Verenigde Staten van 1700 tot heden. Haar meest recente boek Vrijheid: een woelige geschiedenis werd door de American Association of Publishers bekroond met de 2021 PROSE Prize in Philosophy.