Home Verzetsheldin Henriëtte Pimentel

Verzetsheldin Henriëtte Pimentel

  • Gepubliceerd op: 26 april 2022
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Twan van den Brand
  • 12 minuten leestijd
Verzetsheldin Henriëtte Pimentel

Haar hele leven had Henriëtte Pimentel zich al ingezet voor kinderen. Toen ze in 1942 de kans kreeg Joodse kinderen te redden, aarzelde ze geen moment. Samen met verzetsmensen bedacht ze een systeem om kinderen weg te smokkelen uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg. Zeshonderd kinderen ontkwamen zo aan deportatie.

Als op vrijdagavond 23 juli 1943 het gestamp van Duitse laarzen in de crèche aan de Plantage Middenlaan echoot en nazi’s in lange zwartleren jassen hun lijsten raadplegen – ja, dan is het over en uit. Ook voor haar, de directrice, een kleine, onverzettelijke vrouw met grijsblauwe ogen, die met hulp van anderen honderden Joodse kinderen naar de veiligheid loodste. Henriëtte Henriquez Pimentel moet naar Westerbork. Ze zal geen verantwoordelijkheid meer dragen, niet langer kunnen zorgen voor háár kinderen.

Ze was kennelijk gewaarschuwd, zoals ze als directrice van de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg wel vaker vooraf iets kreeg ingefluisterd. Eerder die vrijdag heeft ze Johan van Hulst, directeur van de Hervormde Kweekschool twee deuren verderop, gevraagd nog zo veel mogelijk kinderen weg te sluizen. De buurman zit al langer in het complot.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In 1986 vertelt Van Hulst daarover in weekblad Vrij Nederland. ‘Ik vroeg haar wat er met de kinderen ging gebeuren. “Ze gaan waarschijnlijk vannacht allemaal op transport,” zei ze.’ Hij slaagt erin om er twaalf te redden. ‘Dat geef ik u te doen, als je daar staat met zeker honderd kinderen om je heen. Pik er maar een paar uit. Die wel, die niet. Je wist zeker dat de kinderen die achterbleven de dood tegemoet gingen.’

De Duitsers hebben hun razzia’s geïntensiveerd. Nog even en Amsterdam heet Judenrein. Intussen zijn medewerkers van de Joodse Raad aan de beurt. De avond van de 23ste geldt dat ook voor 70 kinderen en 38 personeelsleden van de crèche, onder wie dus Henriëtte Pimentel, 67 jaar en ongehuwd, moeder van velen.

Henriëtte Pimentel komt als sociaal hervormer op voor kinderen en vrouwen. Foto uit 1943.

Maximaal twintig luizen

Deze Henriëtte (Jet) was nummer tien in het gezin van de bemiddelde Portugees-Joodse diamanthandelaar Nathan Pimentel. Van de dertien kinderen haalden er vier hun eerste verjaardag niet. Op haar beurt kreeg Henriëtte te maken met gezondheidsproblemen. In 1916 moest ze de verpleegstersopleiding – een late roeping – vanwege tbc afbreken. Het noopte haar een andere weg in te slaan.

Eerder al was ze directrice van een fröbelschool in Amsterdam. Daar zag een verslaggever – volgens de overlevering een haar onbekende neef – Henriëtte in de weer. ‘Geen hoogvliegster, geen wereldhervormster, geen aanbidster van principes. Haar gekunsteldheid, haar volstrekt argelooze kinderliefde is haar groote kracht,’ schreef Eli d’Oliveira in ‘maandblad voor de huiskamer’ Op de Hoogte. Hij bleek zo onder de indruk dat hij poëzie aandurfde. ‘Ze weet alles van dat vluchtig-mysterieuze dat er zweemt in een kinderziel.’

D’Oliveira zat er deels naast. Henriëtte was wel degelijk een hervormster, en principes had ze ook. Ze omhelsde als schoolleidster de ideeën van de Duitse opvoedkundige Friedrich Fröbel, die kinderen een eigen, speelse ontwikkeling gunde in de Kindergarten, het veelzeggende onderwijsbegrip dat hij introduceerde. Daar was in Nederland nog lang niet iedereen aan toe.

Na de afgebroken verpleegstersopleiding verhuist Henriëtte naar Bussum, waar ze gouvernante wordt én voorvechtster van vrouwenrechten. Al veel eerder, rond de eeuwwende, is ze in Amsterdam bevriend geraakt met Catharina van Tussenbroek, na Aletta Jacobs de tweede vrouwelijke arts van Nederland en een prominente gids in de emancipatiestrijd. Via haar komt Henriëtte terecht bij de Algemeene Nederlandsche Vrouwen Organisatie (ANVO), waarvoor ze in Bussum een afdeling opricht. Later – terug in de hoofdstad – zal ze toetreden tot de soroptimisten.

Kinderen en verzorgsters in de crèche. Links achteraan zonder kapje Pimentel.

Vier jaar na het tegenvallende verkiezingsresultaat voor de ANVO – vrouwen mogen in 1922 voor het eerst stemmen, het levert nul zetels op – wordt ze directrice van de crèche aan de Plantage Middenlaan. Ze gaat er werken en wonen, het wordt haar leven – en haar dood. De opvang van de Vereeniging Zuigelingen-Inrichting en Kinderhuis staat open voor iedereen, maar het zijn aanvankelijk vooral Joodse marktvrouwen die hun peuters en kleuters voor een kwartje per dag uitbesteden. Zelf kunnen ze dan meehelpen in de kraam op het Waterlooplein. Voorwaarde is wel dat hun spruit niet meer dan twintig luizen meebrengt. Op last van Henriëtte wordt er elke dag secuur geteld. Ze is onverbiddelijk: wie meer luizen heeft, komt er niet in.

De crèche biedt plaats aan maximaal honderd kinderen tot zes jaar en zit nagenoeg altijd vol. Het bestuur toont zich dik tevreden. Volgens jaarverslagen beschikt de directrice over ‘gemakkelijke omgangsvormen en de nodige tact om op geschikte wijze met de moeders uit het volk om te gaan’. Medewerkers schetsen haar als streng, maar met een hart van goud, zeer betrokken, volop meewerkend maar gehecht aan hiërarchie, steevast in het wit.

Kinderen weggesluisd

Normaliter zou Henriëtte in april 1941 met pensioen zijn gegaan. Maar juist in bezettingstijd zijn kinderen, de crèche en de daaraan verbonden tweejarige opleiding tot kinderverzorgster gebaat bij haar ervaring en zeker bij haar connecties.

Die worden nog belangrijker als, na tal van andere anti-Joodse maatregelen, de Zentralstelle für jüdische Auswanderung de deportaties opschroeft. In juli 1942 verandert de Hollandsche Schouwburg in een verzamelplaats. Van daaruit worden Joodse mannen, vrouwen en kinderen doorgaans na enkele dagen afgevoerd richting Westerbork, later ook naar Vught.

De kleine schouwburg raakt al snel overvol. Daarom fungeert de crèche vanaf oktober als dependance voor kinderen tot dertien jaar, die op het moment van deportatie teruggaan naar hun ouders. Het hart van Henriëtte huilt, dat van haar staf en van anderen eveneens.

Als het eind 1942 even rustiger is, werken schouwburgbeheerder Walter Süskind, Henriëtte en een voorman van het Amsterdamse studentenverzet, Joop Woortman, een solide plan uit. Dat moet, na instemming van de ouders, zo veel mogelijk kinderen voor deportatie behoeden. De bewaking van de crèche is sowieso minder streng dan die van de schouwburg aan de overkant.

De kleinsten worden vervoerd in vuilnisbakken, dozen of tussen poepluiers

Süskinds rechterhand Raphaël ‘Felix’ Halverstad vervalst de personenregisters die op last van de Duitsers worden bijgehouden. Hij is er een meester in om mensen ‘op papier’ te laten verdwijnen, zodat ze vervolgens ook in werkelijkheid weggesluisd kunnen worden.

De kleinsten vertrekken in vuilnisbakken en jutezakken, in dozen of tussen de poepluiers. Ze krijgen een flesje of koekkruimels in de mond. Tijdens wandelingen met hun verzorgsters haken grotere kinderen af, en worden om de hoek opgevangen. Die uitjes staan de Duitsers opmerkelijk genoeg toe. Bij vertrek en terugkeer tellen bewakers weliswaar de aantallen, maar in nabije panden staan kinderen klaar om opengevallen plaatsen bijtijds op te vullen.

Als na verloop van tijd Johan van Hulst met zijn kweekschool gaat meedoen, blijkt dat een zegen. De tuinen aan de achterzijde lopen in elkaar over. Voor de voordeur van de school hebben de Duitsers nog minder oog dan voor die van de crèche.

Gitzwarte realiteit

Süskind is de spil, Halverstad vervalst, Henriëtte regisseert vanuit haar domein. Drie Amsterdamse verzetsgroepen en het Utrechts Kindercomité vinden onderduikadressen en brengen de kinderen weg, ‘theesurrogaat’ (blonde kinderen) vaak naar Friesland en ‘koffiesurrogaat’ (donker) naar Limburg. Weinigen kennen het hele verhaal, velen doen mee, ondanks de risico’s, en verraad blijft uit. Deze vereende krachten redden zo’n 600 jonge levens, ruim 10 procent van de kinderen die de crèche vanaf juli 1942 tot de sluiting opvangt.

‘Er werd ontzettend veel gefluisterd,’ zegt crèchemedewerkster Elly Stein in ‘Dag pap, tot morgen’, in 2005 uitgegeven bij een expositie in het Verzetsmuseum. ‘Op een gegeven moment kreeg ik door dat er kinderen verdwenen. Pas veel later, na de oorlog, heb ik begrepen hoe.’

De Duitsers sluiten de crèche eind september, enkele maanden nadat ze de directrice hebben afgevoerd. Henriëtte arriveert op zaterdag 24 juli in Westerbork. Daar moet ze barak 65 delen met honderden vrouwen en kinderen, maar niet met háár kinderen. Die zijn toevertrouwd aan andermans zorg. In het kamp zijn de rollen allang verdeeld.

In Westerbork stappen mensen bepakt en bezakt op de trein, 1942.

De crèche blijft haar anderszins bezighouden. In brieven aan achterblijvers in Amsterdam zet ze plannen uiteen voor een nieuwe naoorlogse opvang.

Het zijn dagen van overpeinzing, weken van weerzien en van afscheid. Ze treft bekenden, familie. Haar jongere broer Bram en zijn gezin zitten in de nabije barak 69. Op 24 augustus ziet ze voor het eerst een volgestouwde trein naar Auschwitz vertrekken. De week daarop behoort haar voormalige rechterhand Rebecca Boas tot de ongelukkigen.

En dan, op dinsdag 14 september, is het haar beurt. Om 10.42 uur vertrekt het 76ste transport uit Westerbork. Naar Henriëttes beleving van deze reis is het gissen. Een van haar medepassagiers, Debora de Koning, weet te vertellen hoe ze in somberheid én vrijwel zonder hoop naar Auschwitz denderen. Door de kierende houten wand van haar wagon – nou ja, veewagen; aan de buitenzijde hangt een bordje met GESCHIKT VOOR 30 KOEIEN – ziet ze: ‘De septemberdag is prachtig. De zon schijnt uitbundig. Hoe groot is het contrast met de duisternis binnen.’ Ze schrijft het op in Danse Macabre, een boek dat kort na de oorlog onder het pseudoniem Nora Keizer zal verschijnen.

Voor vertrek heeft ze met haar echtgenoot over hun lotsbestemming gesproken. ‘We moeten het niet zo somber inzien,’ antwoordde Kurt toen. ‘Dat gepraat over gas, dat geloof ik niet.’ De realiteit is gitzwart: slechts 73 van de 1005 gevangenen uit de trein zullen de oorlog overleven, onder wie Debora de Koning. Haar man niet. Henriëtte evenmin. Zij wordt na aankomst in Auschwitz-Birkenau, op 16 september 1943, direct naar de gaskamer gestuurd.

Een halfjaar na de Duitse capitulatie verschijnt er een advertentie in de krant waarin Jeanne Burghoorn om inlichtingen verzoekt. Zij is een voormalige adjunct van Henriëtte. Op last van de Duitsers moest ze in 1942 net als andere niet-Joodse medewerkers bij de crèche vertrekken. Het contact is altijd hecht gebleven.

‘Er verdwenen kinderen. Pas veel later begreep ik hoe’

Jeanne, inmiddels directrice van het Jan Geerkens Huis, een weeshuis, heeft zich eerder ontfermd over Brunie, de onafscheidelijke terriër van Henriëtte, die na de razzia verweesd door de crèche had gelopen. Nu wil ze weten wat er van haar voormalige vriendin geworden is. Een deel van het verhaal kent ze. Zij is een van de achterblijvers die nog vergeefs hebben geprobeerd om Henriëtte, onmisbaar toch voor de crèche, vanuit Westerbork terug te halen naar Amsterdam.

Op 5 november 1945 plaatst ze een oproep in het Algemeen Handelsblad: ‘Henriëtte Pimentel, geb. 17-4-1876, directrice “Crèche”, 24 juli 1943 naar Westerbork en 14 september 1943 naar Polen? Inlichtingen aan mej. A. Burghoorn.’ Enkele jaren later zal de overheid de dood van Henriëtte officieel bevestigen.

Twan van den Brand is journalist.

 

Crèche en schouwburg gesloten

Nadat Henriëtte Pimentel op 23 juli 1943 door de Duitsers is afgevoerd, treedt Virrie Cohen, dochter van de voorzitter van de Joodse Raad, in haar voetsporen. Zij is al langer medewerkster van de crèche en betrokken bij de exodus, die nog even doorgaat. Eind september sluiten de Duitsers de crèche. De Joodse Raad wordt opgeheven, Amsterdam is Judenrein. De Hollandsche Schouwburg gaat op 19 november dicht. Schouwburgbeheerder Walter Süskind en zijn gezin zouden de oorlog niet overleven. Zijn verzetswerk is in 2012 verfilmd.

Aus der Fünten: ‘vage geruchten’

Historicus Bert Jan Flim, gepromoveerd op de hulp aan Joodse kinderen, wilde in 1988 de toen gedetineerde Ferdinand aus der Fünten (een van de ‘Drie van Breda’) spreken. Hij had leidinggegeven aan de deportaties. De gevangenisdirectie stond een gesprek niet toe.

Flim moest het doen met een korte verklaring, waarin de SS-Hauptsturmführer onder meer stelde: ‘Er waren wel vage geruchten over het verdwijnen van kinderen. Op vage geruchten gingen wij nooit in. Er zijn dus geen maatregelen genomen.’

Tijdens de oorlog bezocht Aus der Fünten overigens regelmatig de crèche, waar Henriëtte en Walter Süskind hem met borrels paaiden.

Eerbetoon aan Pimentel

In april 1950 werd aan de Sarphatistraat in Amsterdam een nieuwe crèche geopend: Huize Henriëtte. Want Henriëtte Pimentel moet in ieders gedachten blijven, zei burgemeester Arnold Jan d’Ailly bij de opening. Inmiddels is de opvang ter ziele.

In de stad is nog wel een brug naar Henriëtte vernoemd. In 2020 verscheen haar biografie Wacht maar. En in 2021 kreeg ze de Jewish Rescuers Citation, een onderscheiding voor Joden die in de oorlog andere Joden hielpen, toegekend door B’nai B’rith, een organisatie verbonden aan het Joods Wereldcongres.

Meer weten:

Wacht maar (2020) door Esther Shaya en Frank Hemminga vertelt het levensverhaal van Henriëtte Pimentel.

1943 (2020) door Henk Dijkman en Fokko Weerstra bundelt twaalf verhalen van leden van de familie Pimentel.

Omdat hun hart sprak (1996) door Bert Jan Flim behandelt de geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen in Nederland tijdens de oorlog.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 5 - 2022