Home Dossiers Tweede Wereldoorlog Het verdwenen KNIL-regiment van de Armidale

Het verdwenen KNIL-regiment van de Armidale

  • Gepubliceerd op: 23 april 2024
  • Laatste update 02 mei 2024
  • Auteur:
    Twan van den Brand
  • 10 minuten leestijd
Inspectie van een KNIL-detachement bij Darley Camp, nabij Melbourne, 1943
Hitler in de Tweede Wereldoorlog
Dossier Tweede Wereldoorlog Bekijk dossier

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €1,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Zonder goede luchtbescherming vaart de Armidale van Australië naar Timor. Het schip is een makkelijke prooi voor Japanse bommenwerpers. Bij de ondergang komen zeker honderd opvarenden om, onder wie tientallen KNIL-militairen. Slechts twee van hen overleven. 

De HMAS Armidale is pas een half jaar operationeel als het schip op 1 december 1942 door Japanners wordt getorpedeerd. De korvet, voorzien van Oerlikon-luchtafweergeschut, telt een Australische bemanning van 83 koppen. Daarnaast zijn er drie Australische militairen en 63 manschappen van het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger) aan boord. 

Meer lezen over de Tweede Wereldoorlog? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Als de Javaanse fuselier Tasmoen in het water duvelt, houdt zijn horloge ermee op. De wijzers staan om tien over drie stil. De Armidale, die hem vanuit Darwin naar Timor zou brengen, maakt slagzij en verdwijnt in de golven. De fuselier raakt bij de aanval gewond, maar overleeft. Hij worstelt maar even in het water. Met twee collega’s en andere gewonden wordt hij al gauw in een gemotoriseerde reddingsboot gehesen. Daarin zitten gezagvoerder David Richards van de Armidale en enkele bemanningsleden, die nog mans genoeg zijn om te roeien als de benzine opraakt. Verder zijn de opvarenden die de aanval hebben overleefd verspreid geraakt over een sloep en twee vlotten. 

De bemanning van de reddingsboot krijgt daags na het drama de zegen van haar lotgenoten op de vlotten om op zoek te gaan naar hulp. Ondertussen dobberen twintig KNIL-soldaten een dikke week rond op een vlot, snakkend naar water en voedsel, uitgedaagd door zon, wind, regen en haaien. Zij mogen dan nog hopen op redding. 

De Armidale in de haven  van Port Moresby, 1942.
De Armidale in de haven van Port Moresby, 1942.

Die hoop leeft ongetwijfeld op als ze op 7 december – 60 kilometer verwijderd van de onheilsplek – worden gelokaliseerd door Australische gevechtstoestellen. En al helemaal wanneer een dag later een Catalina nadert. Maar landen kan het watervliegtuig niet, de Timorzee is te woest. Het moet zijn voorraden afwerpen nabij het vlot.

Wanneer de Catalina op woensdag 9 december terugkeert voor een hernieuwde reddingspoging, zijn de KNIL-soldaten in het grote niets verdwenen. De dagen daarop volgen vergeefse zoekacties, vanuit de lucht en vanaf het water. Het lot van het verdwenen detachement zal nooit worden opgehelderd. Dat laat ruimte voor tal van speculaties. De meest voor de hand liggende: een Japans vliegtuig of een oorlogsschip heeft de weerlozen ontdekt en naar een zeemansgraf geschoten. Bewijzen ontbreken en Tokyo zegt van niets te weten. Archieven bieden evenmin soelaas. Behalve de manschappen van het KNIL komen zo’n 40 van de 83 Australische bemanningsleden van de Armidale om het leven. In totaal vallen er zeker honderd doden. 

Guerrilla op Timor

De Japanners bezetten het eiland Timor in februari 1942. Op het westelijke, Nederlandse, én het oostelijke, Portugese deel, van het eiland ontrolt zich een guerrilla-oorlog die een jaar duurt. Australische troepen en het KNIL voeren in kleine groepen aanvallen uit. De Armidale voert 63 KNIL-militairen aan en moet 176 moegestreden manschappen mee terugnemen naar de Noord-Australische stad Darwin, een tocht van zo’n 700 kilometer over de Timorzee.

De guerrilla op Timor eindigt begin 1943 na de terugtrekking van KNIL en Australiërs. Voor de evacuatie wordt onder meer de Nederlandse torpedobootjager Hr. Ms. Tjerk Hiddes ingezet.      

Alarmbellen 

De Japanse bommenwerpers en jachtvliegtuigen, de Zero’s, zijn die 1ste december bepaald niet onverwachts opgedoken. Daags tevoren hebben ze de Armidale voor het eerst bestookt. Hun bommen belanden in het water, ze zijn inderhaast afgeworpen omdat de Australische luchtmacht dan nog wel met enkele jachttoestellen komt opdagen. Door de aanval loopt de missie van de Armidale vertraging op. Maar ze moet hoe dan ook doorgaan, seint bevelvoerend marineofficier Cuthbert Pope vanuit Darwin. Hij meent dat ‘luchtaanvallen bij de routine van oorlogsvoering horen’. Zo staat het in de later geopenbaarde logboeken. De missie gaat inderdaad door – met de ondergang als gevolg. 

Een Mitsubishi A6M jachtvliegtuig, een ‘Zero’
Een Mitsubishi A6M jachtvliegtuig, een ‘Zero’. Bron: Getty Images.

In Darwin gaan de alarmbellen af zodra het radiocontact met de Armidale stokt. De Australische luchtmacht weet de reddingsboot – inmiddels zonder brandstof – op zondag 6 december te lokaliseren. Bij het aanbreken van de nacht worden negentien inzittenden gered. Een van de drie gewonde KNIL-soldaten is intussen overleden. Als gezagvoerder Richards na de redding doorgeeft waar zijn schip is gekelderd, kunnen luchtmacht en marine gerichter zoeken. Ze vinden op 9 december nog eens tientallen overlevenden, bemanningsleden die in een smalle sloep vooruit proberen te komen. Hun redding heeft plaats op de dag dat elders op de Timorzee de KNIL-manschappen en de Australiërs niet meer worden teruggevonden. Na een heftige ruzie zijn deze groepen uit elkaar gegaan. 

In zijn boek HMAS Armidale, the ship that had to die beschrijft Frank B. Walker hoe het eraan toeging op de twee vlotten. Hij baseert zijn verhaal louter op het verslag van Australische overlevenden. Walker: ‘De KNIL-troepen beschikten over messen en pistolen, hetgeen de Australiërs zorgen baarde.’ Op de overbevolkte vlotten moeten de mannen bij toerbeurt in het water hangen. De KNIL-troepen, aldus Walker, ‘waren bang van het water en verstijfd van angst voor haaien. Er speelden zich een paar lelijke incidenten af toen de soldaten hun beurt weigerden en zij de Australiërs met hun voeten in het water terugduwden of met drijfhout sloegen.’ 

Haaien en andere groote visschen’ vallen de drenkelingen aan 

De Australiërs gaan verder op een platform van restmaterialen die ze bijeen hebben gebonden, de manschappen van het KNIL op een zogenoemde Carley-raft, afkomstig van de Armidale. Het gaat om een vlot met een opstaande rand. Beide partijen blijven wel bij elkaar in de buurt. De piloten die hen kort voor de verdwijning lokaliseren, spreken volgens Walker over ‘30 tot 40 man op raft en wrakstukken’. 

Niets meer vernomen van de Armidale

Het drama op de Timorzee blijft in Nederland onder de radar. Als heel het land is bevrijd, ook van de Duitse censor, vatten kranten de aanval samen in een bericht van enkele regels. Er zijn jaren verstreken, de oorlog heeft intussen vele wonden geslagen. Vanuit Melbourne bericht persbureau ANP in september 1945 over de ‘Nederlandsche helden ter zee’. 

Twee van die helden hebben in de maand na hun redding een uitgebreide verklaring afgelegd. Majoor Henk de Vries, verbonden aan de generale staf, tekent uit de mond van fuselier Tasmoen en infanterist Ponggohon, afkomstig van Celebes, onder meer op: ‘Twee bommen troffen ons schip, één ongeveer midscheeps en één op het voordek. (…) Hoewel wij benedendeks zaten konden wij, doordat het schip slagzij had, goed zien wat er in de lucht gebeurde. Wij zagen plotseling twee Japanse bommenwerpers zeer laag op ons afkomen (…) elk een torpedo loslatend. De Armidale verdween bijna onmiddellijk na getroffen te zijn in de diepte. Wij kwamen allen in zee terecht. De Zero’s vlogen rakelings over ons heen en mitrailleerden ons. Verschillende in het water liggende personen werden getroffen en verdwenen in de diepte.’ Als de vijandelijke toestellen zijn vertrokken, komt het gevaar uit het water. Tasmoen en Ponggohon verklaren hoe ze ‘herhaalde malen door haaien en andere groote visschen’ worden aangevallen. ‘Wij verjoegen deze dieren door met roeiriemen op het water te slaan en lawaai te maken.’ 

‘De Zero’s vlogen rakelings over ons heen en mitrailleerden ons’ 

De troepen aan boord van de Armidale zouden de collega’s op Timor aflossen. Het KNIL vecht op het eiland zij aan zij met de Australiërs in een guerrilla tegen de Japanse bezetter. Het nieuwe detachement staat onder leiding van kapitein Jacques Stoll, geboren in Soerabaja en op de Koninklijke Militaire Academie in Breda tot officier gekneed. De 32-jarige commandant kent Timor van recente missies. Hij heeft kort voor vertrek om uitstel van de overtocht gevraagd, omdat zijn mannen onvoldoende zijn getraind. De generale staf wijst zijn verzoek af. 

Stoll is een van de mannen die na het zinken van de Armidale op de Carley-raft terecht zijn gekomen. ‘Van Kap. Stoll en de overige Ned. Ind. Militairen hebben wij nimmer meer iets gehoord,’ luiden de dramatische laatste regels die majoor De Vries optekent in de verklaring van Tasmoen en Ponggohon. Behalve Stoll zitten nog twee officieren op de vlotten, zo weten de getuigen zeker. Dat zijn de 33-jarige luitenant Pierre Bodel Bienfait, afkomstig uit Medan op Sumatra, later woonachtig in Bloemendaal, en de even oude officier van gezondheid Roelof Frank, geboren in het Overijsselse Steenwijk. Die laatste heeft zich in de jaren dertig als huisarts gevestigd in Oss. Als de Duitse aanval op Nederland dreigt, wordt hij onder de wapenen geroepen. Kort voor de capitulatie in mei 1940 steekt Frank in het kielzog van vorstin en kabinet over naar Londen. Vanaf dat moment zal hij de Nederlandse troepen op verschillende plekken in de wereld dienen.

Dit vlot met overlevenden van de Armidale wordt niet meer gezien nadat de foto op 8 december 1942 is gemaakt.
Dit vlot met overlevenden van de Armidale wordt niet meer gezien nadat de foto op 8 december 1942 is gemaakt. Bron: Australian War Memorial.

Zijn in Brabant achtergebleven echtgenote Betty Frank-Mayer, net als haar man Joods, moet tijdens de oorlog met zoontje Joachim onderduiken. Wanneer ze na de bevrijding wordt geïnformeerd over het lot van haar wederhelft reageert ze tegenover het ministerie van Oorlog met ongeloof, zo leert een correspondentie die is opgeslagen bij het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC). ‘Op 12 mei 1945 schreef U mij, dat mijn man op 1 Dec. ’42 in de Timor Zee getorpedeerd is en daarbij is overleden. M.i. is dit laatste bericht zeer voorbarig, aangezien U toch onmogelijk kunt weten, zoolang den oorlog met Japan niet is afgeloopen, of hij zich niet op een of ander eiland in de Timorzee, of al dan niet door de Japanners bezet, heeft kunnen redden.’ De Osse burgemeester Louis de Bourbon probeert haar pijn te verzachten en schrijft: ‘Het moge U een troost zijn, dat Uw man viel in dienst van zijn Koningin, strijdend voor de bevrijding van zijn Vaderland.’ 

‘Gerechtvaardigd risico’

Nog in december 1942 begint de Australische marineleiding een onderzoek naar het verlies van de Armidale; conclusies volgen snel. De gezagvoerder van de Armidale treft geen enkele blaam, aldus de rapportage. Hetzelfde geldt voor het commandocentrum in Darwin. 

De interne onderzoekscommissie stelt vast dat voortdurende luchtsteun nodig zou zijn geweest om de missie te laten slagen. Maar dat blijkt door gebrek aan materieel bij de Royal Australian Air Force (RAAF) simpelweg onmogelijk. Het heeft ook ontbroken aan geschikte oorlogsbodems, waardoor een lichte korvet de in meerdere opzichten woelige baren is opgestuurd voor de hoognodige aflossing van de KNIL-troepen op Timor. 

Acht overlevenden van de Armidale genieten van een drankje in Melbourne, 1943.
Acht overlevenden van de Armidale genieten van een drankje in Melbourne, 1943.

De commissie vindt dat de marineleiding bij monde van commodore Pope, ook bij het voortzetten van de missie na de eerste aanvallen van 30 november, ‘a justifiable war risk’ heeft genomen – een gerechtvaardigd risico in tijden van oorlog. Haar rapport vormt geen aanleiding voor nadere stappen. 

Begin februari 1943 informeert schout-bij-nacht Frederik Willem Coster vanuit Melbourne onder meer de Nederlandse regering, die in Londen verblijft. Zijn verslag is in de archieven bewaard gebleven. Coster uit stevige kritiek op de Australische bondgenoten, die de Armidale aan de vijand zouden hebben uitgeleverd. ‘Gezien dat het vervoer plaats had op een klein, zwak bewapend en langzaam schip, was er n.m.m. aanleiding geweest om bij ontdekking de onderneming dadelijk op te geven,’ schrijft hij. Coster meldt bovendien dat Guy Royle, bevelhebber van de Australische marine, het meer met hem dan met de onderzoekscommissie eens is. ‘Mijne meening dat het juister ware geweest de tocht na de eerste ontdekking op te geven, kon door den Adm. Royle gedeeld worden.’ 

Meer weten

  • HMAS Armidale, the ship that had to die (1990) door Frank B. Walker is een reconstructie van de ondergang.
  • Een eervol bestaan (2022) door Vilan van de Loo beschrijft de geschiedenis van het KNIL. 
  • Zij wilden niet buigen (2023) door Robbert van Leeuwen vertelt het verhaal van de guerrilla van het KNIL op Timor.

Openingsafbeelding: Inspectie van een KNIL-detachement bij Darley Camp, nabij Melbourne, 1943.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 5 - 2024