Home Veel trots, weinig kennis

Veel trots, weinig kennis

  • Gepubliceerd op: 29 januari 2021
  • Laatste update 29 jan 2021
  • Auteur:
    Annemarie Lavèn
  • 10 minuten leestijd
Veel trots, weinig kennis

Menig politicus heeft de mond vol van de Nederlandse identiteit. Maar wat houdt die eigenlijk in? Historisch Nieuwsblad besloot het de Nederlanders in 2018 zelf te vragen in een enquête. We vroegen de deelnemers wat zij verstaan onder de Nederlandse identiteit én we polsten hun kennis van de Nederlandse geschiedenis.

 Dat de Nederlandse identiteit bestaat, lijdt geen enkele twijfel. Althans, dat is de mening van een overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking, zo blijkt uit ons opinieonderzoek. In de jaren zestig en zeventig riep het begrip ‘nationale identiteit’ onmiddellijk argwaan op, maar inmiddels is nationalisme uit de taboesfeer geraakt. Het idee dat er een Nederlandse identiteit bestaat kwam op tijdens de Romantiek. Gedurende de negentiende eeuw groeide het historische besef. Literatuur, schilderkunst, folklore en architectuur benadrukten betekenisvolle episoden uit het nationale verleden. Die omgang met het verleden is volledig terug van weggeweest.

Voor Historisch Nieuwsblad reden voor een enquête naar de beleving van nationaliteit en naar de kennis van het Nederlandse verleden. Dat laatste deel van het onderzoek hebben we al drie keer eerder – in 2000, 2004 en 2008 – uitgevoerd, zodat we de resultaten kunnen vergelijken.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Vaderlandsliefde: 1 op de 3 is bereid te sterven voor Nederland

Om te beginnen legden we de deelnemers dertien vragen en stellingen voor over Nederland en het Nederlanderschap. Op de eerste vraag – Bestaat volgens u ‘de Nederlandse identiteit’? – antwoordde maar liefst 92 procent van de respondenten met ja. Mannen zijn hier nog wat stelliger in dan vrouwen. Minderjarigen geloven het minst in de Nederlandse identiteit: 18 procent vindt dat die niet bestaat. Het zijn opvallende cijfers vergeleken met de uitkomsten van tien jaar geleden: toen was ‘slechts’ twee derde van de deelnemers ervan overtuigd dat de Nederlandse identiteit bestaat.

Daarna vroegen we door: Kunt u aangeven wat volgens u een Nederlander tot een Nederlander maakt? Het vaakst genoemd worden: geboorte in Nederland, kennis van de cultuur en tradities, en beheersing van de taal. Maar ook zuinigheid, vrijheidsgevoel, openheid en tolerantie scoren hoog. Het woord ‘nuchter’ valt opvallend vaak. Sommigen zijn nauwkeurig in hun definitie. Zo vindt een respondent dat je Nederlander bent ‘als je Nederlands verstaat en als je op de hoogte bent van onze normen en waarden’. Anderen weten niet precies wat een Nederlander tot een Nederlander maakt en houden het bij ‘Je voelt het wel’ en ‘Je haalt ze er in het buitenland altijd zo tussenuit’.

Zeehelden van hun sokkel

Nog wat meer de diepte in dan: Wat is volgens u het meest bepalend voor de Nederlandse identiteit? Hier scoort met 70 procent de Nederlandse taal het hoogst, op de voet gevolgd door de geschiedenis (60 procent). Pas op enige afstand volgen, op een gedeelde derde plaats, het landschap en het koningshuis (beide 39 procent). Opvallend is dat zowel de geschiedenis als het koningshuis bij de voorgaande, open vraag niet of nauwelijks wordt genoemd.

Ook vroegen we de respondenten in welke mate ze trots zijn op de Nederlandse geschiedenis en waarvoor Nederland zich juist zou moet schamen. Het zijn onderwerpen die met name op de sociale media tot oververhitte reacties leiden. De hardliners domineren het debat, in het bijzonder als de naam Zwarte Piet valt, of als zeehelden van hun sokkels dreigen te worden getrokken.

Huis op Rijswijk in Batavia. Negentiende-eeuws schilderij door Ernest Alfred Hardouin.

Op een schaal van 1 (niet trots) tot en met 5 (zeer trots) scoort de gemiddelde Nederlander een 3,7 als het gaat over de Nederlandse geschiedenis. Zestig procent geeft aan trots of zeer trots te zijn, en 9 procent niet of helemaal niet. Gevraagd op welke gebeurtenissen ons land trots kan zijn, steken twee onderwerpen er met kop en schouders bovenuit: allereerst de strijd tegen het water. Het droogmalen van de polders, de aanleg van dijken en de Deltawerken zijn zaken waarvan Nederlandse harten zwellen van trots.

De waterwerken worden direct gevolgd door sportprestaties. Het WK voetbal van 1988 lijkt nog vers in het geheugen van onze respondenten te liggen. Maar het Nederlandse rechtstelsel, de democratie en het koningshuis worden nauwelijks genoemd. Dat geldt ook voor de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de sociale voorzieningen. Ook de twee Nederlanders die misschien wel het bekendst zijn in het buitenland blijken nauwelijks het noemen waard: Rembrandt en Vincent van Gogh.

Interessanter is het om te kijken naar de zwarte bladzijden uit onze geschiedenis. Waar moet Nederland zich voor schamen? Het publieke debat over het slavernijverleden heeft duidelijk effect gehad. Het vaakst (29 procent) noemen respondenten spontaan het slavernijverleden en dan met name de slavenhandel door de WIC. Kijken we terug naar eerdere onderzoeken die Historisch Nieuwsblad naar dit onderwerp verrichtte, dan valt een duidelijke verschuiving op. In 2000 geneerde slechts 7 procent van de respondenten zich voor deze episode, in 2004 16 procent en in 2008 24 procent. Net als eerder staat ook nu het koloniale verleden in Indonesië op de tweede plaats, met 19 procent. Zowel de uitbuiting door de VOC als de dekolonisatieoorlog en de omgang met de Ambonezen na de Nederlandse aftocht worden genoemd.

Op behoorlijke afstand volgt op de derde plaats (8 procent) de Tweede Wereldoorlog. Als beschamende aspecten gelden de opkomst van de NSB, de snelle overgave van het Nederlandse leger na de Duitse inval en het wegvoeren van de Joden uit Nederland. Een enkeling noemt de vlucht naar Engeland van het koningshuis in mei 1940. Maar er zijn ook respondenten die stellen: ‘Nederland hoeft zich nergens voor te schamen. Ook al zijn er veel zaken niet goed gegaan, het gebeurde wel binnen de context van die tijd.’

Komst gastarbeiders

Tien jaar geleden vroegen we de mening van de Nederlanders over de komst van gastarbeiders naar Nederland in de jaren zeventig en tachtig. Destijds vond de meerderheid (57 procent) dat de grootste vergissing uit de naoorlogse periode. Het onderzoek laat nu een heel ander beeld zien: 29 procent van de ondervraagden ziet veel of tamelijk veel negatieve effecten; 41 procent oordeelt juist positief of tamelijk positief. Jongeren onder de 18 zijn beduidend positiever in hun beoordeling. Dat geldt ook voor hoger opgeleiden en voor allochtonen (mensen van wie één of beide ouders in het buitenland zijn geboren).

Dubbele paspoorten

Eenzelfde verdeling zien we bij de volgende vraag: Hoe staat u tegenover de komst van vluchtelingen naar Nederland in de afgelopen jaren? Ook hierover denken hoger opgeleiden en allochtonen een stuk positiever dan de rest van de bevolking. Gemiddeld staat 43 procent van de Nederlanders er negatief tot zeer negatief tegenover, en 30 procent positief of zeer positief. We zien een opvallend verschil tussen de leeftijdsgroepen: 55-plussers zijn een stuk milder in hun oordeel dan 35-54-jarigen. Jongeren onder de 18 oordelen het minst negatief over de komst van vluchtelingen.

Een ander heikel punt is dat van de dubbele paspoorten. Maar liefst 60 procent vindt het onwenselijk dat mensen een andere nationaliteit hebben naast de Nederlandse. Mannen zijn hierover een stuk negatiever dan vrouwen: 68 procent tegen 51 procent. De afkeer van dubbele nationaliteiten is het grootst onder 55-plussers: 72 procent wil er niet van weten. Jongeren stellen zich lijnrecht tegenover de ouderen op, want 71 procent vindt een dubbel paspoort prima.

De huidige regeringscoalitie heeft tijdens de formatie afgesproken dat scholen verplicht worden om les te geven over het Wilhelmus. Het is een stokpaardje van CDA-fractieleider Sybrand Buma, die hier in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 herhaaldelijk voor had gepleit. Het liefst zou Buma zien dat scholieren het volkslied staand in de klas zingen. Uit ons onderzoek blijkt dat hier maar weinig draagvlak voor is: slechts 17 procent van de Nederlanders is het met Buma eens. De jeugd moet er helemaal niets van hebben.

Marnix van Sint Aldegonde draagt het Wilhelmus voor aan Willem van Oranje. Negentiende-eeuws schilderij door Jacob Spoel.

De laatste vraag die we de Nederlanders voorlegden gaat over de ultieme vorm van vaderlandsliefde. We vroegen de deelnemers: Stel, Nederland is in oorlog. Zou u bereid zijn te sterven voor uw vaderland? Ook hier opvallende cijfers, want maar liefst een op de drie Nederlanders blijkt hiertoe bereid. Vrouwen lopen hierin wel een stuk achter op mannen (25 procent tegenover 41 procent).

Samenvattend vinden Nederlanders dat zij een duidelijke nationale identiteit bezitten. Die ontlenen ze aan hun taal, culturele omgangsvormen en geschiedenis. Maar hoe goed kent de gemiddelde Nederlander het nationale verleden? Tien jaar geleden legden we de Nederlanders 20 meerkeuzevragen voor. Zou het kennisniveau nu, tien jaar na de lancering van de Canon van Nederland en gezien de huidige grote belangstelling voor geschiedenis, gestegen zijn?

Om zo goed mogelijk te kunnen vergelijken met tien jaar geleden, hebben we de vragen een op een herhaald. De vragen zijn destijds opgesteld in samenspraak met drie (emeritus) hoogleraren in de geschiedenis: Hans Blom, James Kennedy en Niek van Sas. Ze zijn gebaseerd op de Canon van Nederland, waarin staat wat iedere Nederlander over zijn geschiedenis zou moeten weten. De Canon is ontworpen door de commissie-Van Oostrom, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, en is sinds 2010 opgenomen in de kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs.

Om maar gelijk met het slechte nieuws te beginnen: met de geschiedeniskennis van de gemiddelde Nederlander is het nog even droevig gesteld als in 2008. Zowel toen als nu komt het rapportcijfer niet hoger dan 5,2. Jongeren in de leeftijd van 14 tot 18 jaar scoren zelfs een dikke onvoldoende: ondanks de implementatie van de Canon van Nederland in het geschiedenisonderwijs komen de scholieren niet hoger uit dan 4,4.

Op zes van de twintig vragen geeft meer dan 60 procent van de respondenten het goede antwoord. Aan kop gaat de vraag wie de Vader des Vaderlands was; daar geeft 83 procent het juiste antwoord op. Ook weet 79 procent waar het boek Max Havelaar, geschreven door Multatuli, over gaat.

Weggegooid geld: De viering van 200 jaar Koninkrijk had weinig effect

Ondanks de uitgebreide aandacht voor de Groninger gaswinning is de vraag waar in 1959 het eerste grote gasveld is ontdekt dit jaar een stuk slechter beantwoord dan tien jaar geleden: de score is teruggelopen van 75 naar 66 procent.

Ronduit merkwaardig is dat slechts 20 procent van de Nederlandse bevolking kan vertellen sinds welke eeuw Nederland een koninkrijk is. De meeste respondenten kiezen voor de achttiende eeuw, een kwart gokt op de zestiende en een kwart op de zeventiende eeuw, en slechts 20 procent weet dat dit de negentiende eeuw moet zijn. De grootschalige vieringen van 200 jaar Koninkrijk tussen 2013 en 2015 hebben betreurenswaardig weinig effect gehad.

Het zwaar opgetuigde ‘Nationaal Comité 200 jaar Koninkrijk’ onder leiding van Ank Bijleveld-Schouten heeft twee jaar lang met tientallen activiteiten, publicaties en scholierenprogramma’s geprobeerd ‘de verworvenheden van 200 jaar onafhankelijkheid en van ons democratisch bestel’ te vieren, maar dat heeft kennelijk weinig indruk achtergelaten. Zonde, aangezien het feest al met al 6,4 miljoen euro kostte.

De slechtst gemaakte vraag gaat ook over een onderwerp dat de afgelopen jaren volop in de belangstelling heeft gestaan: het slavernijverleden. We vroegen de respondenten de omvang van het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische handel in slaven te schatten. Net als tien jaar geleden leidt het gevoel van nationale schaamte tot de neiging de Nederlandse misdaden te overdrijven. Slechts 16 procent van de deelnemers weet dat het Nederlandse aandeel op 5 procent ligt.

Duidelijk is dat mannen beduidend beter scoren op historische feitenkennis dan vrouwen. Van de 20 vragen behalen mannen bij 17 vragen hogere scores dan vrouwen. Alleen bij de vragen over de periodisering van kunstschilders, over wie de eerste vrouwelijke studente was en over van welke politieke beweging het pamflet ‘Aan het volk van Nederland’ afkomstig was, scoren de vrouwen hoger.

De conclusie van ons onderzoek luidt dat het treurig is gesteld met de historische kennis in Nederland. Nederlanders zijn trots op hun geschiedenis. Maar over wat die geschiedenis is, tasten zij in het duister.

Annemarie Lavèn is hoofdredacteur van Historisch Nieuwsblad.

Over het onderzoek

Het onderzoek werd uitgevoerd onder een representatieve groep Nederlanders van 21 maart tot en met 27 maart onder het online panel van PanelClix. De resultaten werden verwerkt door One Question. Met dank aan Ed van Eunen, die het onderzoek begeleidde.