Polaks onderzoek richt zich op het gebruik van (moderne) media door Amerikaanse presidenten. Zo liet ze in haar proefschrift zien hoe Franklin Delano Roosevelt als president in oorlogstijd (1933-1945) de Amerikaanse burgers wist te verenigen met zijn radiotoespraken. ‘Mensen zaten om de radio als om een open haard en hadden het gevoel dat de president bij hen op bezoek was. Hij was een soort grote broer,’ vertelt ze. ‘Het was in zekere zin toeval dat juist op het moment dat hij president werd het grootste deel van de bevolking toegang kreeg tot de radio.’
‘Roosevelt kon een wij-gevoel creëren, terwijl de Amerikanen met veel te veel waren om elkaar werkelijk te kennen.’ Die vaardigheid had John F. Kennedy, president aan het begin van de jaren zestig, ook onder de knie, al werkte hij met televisie in plaats van radio. ‘Je ziet dat het succes van presidenten deels afhankelijk is van hun beheersing van de voor hen beschikbare media,’ zegt Polak.
In het tijdperk van Barack Obama kwam sociale media op. Hij vergaarde steun voor zijn campagne door donaties op te halen via Facebook, waardoor zijn verhaal bij veel Amerikanen terechtkwam. ‘Obama geloofde niet in megadonaties via lobbyisten en bedrijven; zijn politieke boodschap paste bij zijn manier van communiceren,’ stelt Polak.
Ook voor Donald Trump geldt dat hij politiek garen spint bij zijn mediagebruik. Op 6 november legt Polak uit hoe de huidige president gebruikmaakt van het verdelende effect van Twitter en Truth Social, in plaats van Roosevelts en Kennedy’s collectiviserende effect van radio en televisie.
